De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Mijn Heere en mijn God

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Mijn Heere en mijn God

9 minuten leestijd

Met deze woorden heeft de vertwijfelde Thomas weer vaste grond onder de voeten gekregen. Na de gebeurtenissen op Golgotha was er een gapende léégte en een benauwende stilte in zijn leven gekomen. Het kruis van Christus heeft Thomas innerlijk verpletterd. De oorzaak daarvan was, dat hij geen zicht had op de weg van de verzoening en verlossing. Hij begreep niet, dat zonder het sterven van Christus de weg naar God opgebroken bleef. Toen zijn mede-discipelen ervan overtuigd waren, dat Jezus opgestaan was uit de dood, konden zij hem tóch niet uit de duistere raadsels halen, want hij geloofde hun boodschap niet. Thomas stelde aan het geloof vóórwaarden: zien en tasten. Maar het geloof heeft een totaal ander karakter. Het geloof heeft geen lichamelijke ogen nodig. Dat moet Thomas leren en ieder mens.

Toch komt in dit speciale geval Jezus aan Thomas tegemoet. Wél verschijnt Hij niet apart aan hem, maar in de discipel-kring. Christus wil de gemeenschap van allen, die Hem liefhebben. Daar komt Hij, nu ook Thomas er bij is. En... dan mag hij zien en tasten. Waarschijnlijk heeft hij dat niet gedaan, het zal hem te machtig geweest zijn. Hij weet nu genoeg: Jezus lééft. Als een totaal overrompeld mens roept hij uit: Mijn Heere en mijn God. Hij schaamt zich over zijn ongeloof. De rollen worden omgekeerd. Zo diep hij in zijn eigen schatting daalt, zo hóóg rijst Christus voor zijn ogen omhoog. 'Voortaan zal Thomas in niemand méér geloven dan in Christus en in niemand minder dan inzichzelf' (J. van Andel). Daarom bereikt hij nu de hoogste trap van de ladder van het geloof. Nu is hij, wat zijn belijdenis betreft zijn mede-discipelen een sprong vooruit. Thomas schiet inééns in de roos, hij zegt op de meest bondige wijze wie Jezus is: Heere en God.

Dat Jezus Heere is, wil zeggen, dat aan Hem, de Middelaar, geopenbaard in het vlees, alle macht gegeven is. Alles is aan Zijn voeten onderworpen. Alle knie zal zich voor Hem buigen in de hemel en op de aarde (Filip. 2 : 10). Alle dingen zijn Hem van de Vader overgegeven. Hij heeft het wereldregiment in handen, ook al zien wij nu (nog) niet, dat Hem alle dingen onderworpen zijn. Het komt er op aan, dat wij in het gelóóf Hem zien met éér en heerlijkheid gekroond. Dat kan alleen als we ook de twééde benaming van Thomas overnemen: mijn God. Als wij de Godheid van Christus laten vallen - zoals zovélen tegenwoordig - kunnen wij nooit zicht krijgen op Zijn heilswerk. Dan is Jezus hoogstens de Man uit Nazareth, die een excellent voorbeeld gaf van mede-menselijkheid, óf die een schok-effect teweeg bracht door te sterven aan het kruis, om dit aanstekelijk te doen werken op ons, mensen, om verzoeningsgezind te zijn. Zo raken wij het hart van Goede Vrijdag en Pasen niet, want, zo blijft het schuld-vraagstuk onopgelost. Al worden er nog zoveel noodverbanden in deze wereld gelegd, de wond zelf moet genezen worden. Die diepe wond kunnen wij niet helen, dat kan alleen de God-Mens.

Het gaat ook in 1980 om een erkenning van het diepste Wezen van Christus én een belijden van een persoonlijk toebehoren aan Hem. Daarin alléén ligt onze bevrijding. Als Jezus mijn Heere en mijn God is, heeft mijn leven wortel geschoten, éérder niet. Met Hem bereik ik de diepste bestemming van mijn leven. Het gaat er om, dat ik wéét, dat mijn schuld verzoend, dat Hij het handschrift van mijn zonden achtergelaten heeft aan het kruis. Willen wij bevrijde mensen zijn temidden van een door de zonde geketende, verdwaasde wereld, dan moeten wij doorstoten tot de kern van Pasen. Dat is niet alleen de overwinning op de dood, maar ook op de oorzaak van de dood: onze zonden. Jezus heeft als Heere en God het kwaad in zijn diepste wortel aangegrepen. Daardoor alléén kan er een nieuw leven beginnen, waardoor alle dingen nieuw worden.

Deze wereld wordt steeds ouder. Het menselijk denken blijkt (bij alle verschuivingen) toch een continu-denken te zijn, het blijft horizontaal gericht. Maar zo komen wij er niet uit. Vandaar dat de (denkende) moderne mens zich vaak in grote nood gevoelt, maar voor de uitredding kijkt hij de verkeerde kant uit. Hij vraagt wel naar de zin van het leven, maar niet naar de verzoening met God. Het schuldprobleem staat hem niet voor ogen. Het is de taak van allen, die Christus als Heere en God kennen daarop te wijzen. Christus' opdracht was: Gij zult Mijn getuigen zijn. Temidden van een verweesde wereld, die geen Vader en God heeft zal gezegd moeten worden waar het eigenlijke probleem van alle ellende ligt en hoe een mens daaruit bevrijd kan worden.

Pasen verkondigt ons, dat er Eén in liefde en ontferming over ons regeren wil, dat is de Gekruisigde, maar opgestane Heere Jezus Christus. Wie, met Thomas belijden mag: mijn Heere en mijn God, is in goede handen gekomen. Hij is met lichaam en ziel, in leven en sterven, het eigendom van Hem, Die gezegd heeft: Ik leef en gij zult leven. Wanneer wij uit deze belofte kracht putten dan behoeven de zich vermenigvuldigende zorgen en problemen ons niet te beangstigen. Omdat Hij Heere en God is, zal Hij regeren, van geslacht, tot geslacht. Temidden van een toenemende chaos in deze wereld - waarin de duivel steeds meer invloed krijgt - zal Hij Zijn gemeente vergaderen, uit alle volken, talen en natiën. Hem is gegeven alle macht, in hemel en op aarde. In Hem is Psalm 8 vervuld: alle dingen hebt Gij onder Zijn voeten onderworpen. Want daarin, dat Hij Hem alle dingen onderworpen heeft, heeft Hij niets uitgezonderd, dat Hem niet onderworpen zou zijn' (Heb. 2 : 8). Vanuit dat geloof lééft de gemeente, ook in 1980. Zij wéét: eens buigt zich voor Jezus alles in het stof, hetzij gewillig, hetzij met stramme knie. Daarom moet duidelijk gemaakt worden, dat het zaak is nu Hem reeds als Koning te gehoorzamen. Dan krijgt het leven perspectieven. Wanneer een mens God heeft teruggevonden, heeft hij ook zichzelf teruggevonden. Heel de onrust in de wereld is er omdat de mens uit zijn levenselement is.

Zoals een vogel in de lucht behoort en een vis in het water, zo is ons element: in blijdschap te verkeren voor Gods aangezicht.

Wat zou het een zegen kunnen afwerpen als de wereld bij de gelovigen zou ontdekken: deze mensen putten uit een verborgen bron, die werkelijk hun dorst lest. Helaas is dit vaak niet zo. Dan is de gemeente geen stad op een berg, géén licht op de kandelaar. Er gaat dan werfkracht van haar uit als de wereld ziet, dat zij een Heere en God heeft. Als dus beseft wordt: de gelovigen bezitten iets, wat wij missen, er is een verbinding met de hemel, met de Bron van alle leven. Er is Iemand, Die zulk een invloed op hen heeft, dat zij daardoor gelukkig zijn en vrede hebben. Er is een (onzichtbare) band, waardoor hemelse kracht ervaren wordt. Het ware geluk is geen product van déze aarde. Daarvan hebben de christenen achter het ijzeren gordijn weet. Ze zijn zeer beknot in hun vrijheid vanwege de tyrannie, van het communisme. Maar zij ervaren: Het Woord van God is niet gebonden. De opgestane Levensvorst komt door alle (gesloten) deuren. Hij geeft zijn vrede, ook zelfs in gevangenissen en maakt ook daar Zijn Woord waar: uw hart zal zich verblijden en niemand zal uw blijdschap van u wegnemen. Hij lééft en zal nabij ons zijn waar alles ons verlaat. Wij mogen terugvallen op Zijn Woord. Lichamelijk Hem ontmoeten - zoals Thomas ten deel viel - zal op deze (oude) aarde vóór Zijn wederkomst niet meer plaats hebben. Dat is ook het belangrijkste niet. Het voornaamste is te weten: Hij is ook mijn Heere en mijn God.

Met déze wetenschap wordt het leven dragelijk, behoeven we niet te grijpen naar drank en drugs om veel ellende te vergeten. De nood van deze wereld is, dat zij niet beseft wat Pasen betekent. Het wil immers zeggen, dat hét eigenlijke probleem, namelijk, dat van onze zonde en schuld tegenover God opgelost is? ! De toekomst is in Christus reeds heden geworden. Vanuit het heden van de overwinning van Christus mag geleefd worden. Pasen is het scharnier, waarop de wereldgeschiedenis gedraaid is. Daarom, begint de duivel steeds méér te razen en te tieren in deze wereld. Zijn tijd kort in en daarom moet hij (voor zover hij kan) zijn slag slaan. Hij wéét, dat hij het verloren heeft en daarom worden zijn aanvallen feller, geraffineerder. Wij gaan een steeds bozer tijd tegemoet. Vervolging en verleiding zullen elkaar afwisselen. Spanningen in de wereld en (helaas ook) in de kerken zullen toenemen. Steeds méér zullen de mensen langs elkaar heenleven en agressiever worden. Het slotdrama van de wereldgeschiedenis nadert met rasse schreden, maar... géén nood als we de belijdenis van Thomas mogen overnemen: Mijn Heere en mijn God. Dan horen wij in deze kokende en gistende wereld steeds meer Zijn voetstappen, die Zijn wederkomst aankondigen. Straks zal héél de wereld zien, dat Hij de Heere is. Maar het gaat er om, dat Hij mijn Heere is. En, dat Hij dat nu is, zodat ik elke dag mijn weg een paar stappen kan vervolgen in de gevarenzone van deze wereld. Maar, dan zal het zó moeten zijn, dat de mensen ook aan mij kunnen zien, waarheen ik op weg ben. Zij moeten (als het goed is) ontdekken waar het zwaartepunt van mijn leven ligt. Dit leven heeft geen doel in zichzelf, omdat het aan de dood onderworpen is en ademt in een bedorven atmosfeer. Ons leven functioneert weer volkómen als we beelddrager Gods zijn. Dat is onze bestemming. Deze zullen wij hier niet bereiken, omdat de zonde ons teveel belemmert. Het geloofsleven heeft alles tégen in het koude klimaat van deze we­reld. Pas wanneer de tropische plant in het eigen klimaat wordt overgezet kan zij tot onbelemmerde bloei komen. Vandaar, dat Pascal zei: We leven niet, maar hopen te leven. Onze Heidelbergse Catechismus zegt: De opstanding van Christus is een zeker pand van onze zalige opstanding. Wie in het geloof Pasen viert zegt: Jezus leeft, nu kan en mag óók ik leven. Want leven is: aan Hém verbonden zijn, nú... én eeuwig.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 april 1980

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Mijn Heere en mijn God

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 april 1980

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's