Uit de pers
De laatste tijd zijn er o.a. in Wending, Ter Herkenning en Woord en Dienst artikelen verschenen, waarin opnieuw de relatie van de christenheid tot het joodse volk aan de orde gesteld is. Volgens prof. dr. M. Boerden in een artikel in De Wekker over die hernieuwde discussie is de herbezinning op die relatie in een stroomversnelling geraakt. Boertien spreekt zelfs van een scheiding der geesten waarbij niets minder dan de eigen aard van de kerk als gemeente van Christus op het spel staat. Wat is immers nog de zin van een gesprek met Israël als de christelijke gemeente het unieke van de persoon en het werk van Jezus Christus zouden verloochenen.
Er zijn immers stemmen te horen die het Nieuwe Testament een 'messiaanse midrasj' noemen, d.w.z. een joodse leermening die geldigheid heeft naast andere leermeningen. Wat in het Nieuwe Testament staat over Jezus de Christus is dan niet meer volstrekt gezaghebbend, maar een vorm van messianisme naast anderen. Bij een dergelijke visie kan onmogelijk nog langer Jezus Christus als de enige weg tot God verkondigd worden. Voorts wordt het Nieuwe Testament dan voorwerp van kritiek omdat het slechts één stem is naast anderen. Boertien noemt verder een artikel van dr. J. Schoneveld. Hij zegt daarvan:
Met een beroep op een vroeger verschenen artikel van de hand van twee andere auteurs over 'De Messiaanse verwachting in het jodendom' stelt hij dat 'het bij het komen van de Messias niet gaat om de figuur van de messias, maar om het ontspruiten van de verlossing en het zichtbaar worden van Gods koningschap'. Hiermee is in feite gezegd, dat men niet meer kan belijden: Jezus is de Messias, hoogstens kan men beweren, dat Jezus een messiaanse figuur was. Dit geloof heeft geleid tot het ontstaan van de kerk, die echter als een joodse sekte begonnen is. Schoneveld zegt dan: 'Dat de kerk als sekte begonnen is, heeft haar hele verdere houding ten opzichte van het Jodendom en het Joodse volk bepaald'. Hij wijst dan op een lezing van Pater Joseph Stiassny te Jeruzalem, die erop wees 'dat van het prille begin de christenen zich sterk afzetten tegen het jodendom van die tijd en dat zij hun identiteit zochten in het anders zijn'. Hiervoor wordt dan een sociologische verklaring gegeven, eveneens ontleend aan Stiassny.
Daarna maakt Schoneveld met instemming opmerkzaam op de wijze, waarop Van der Sluis in bovengenoemd artikel het boek van Rosemary Ruether besprak. Hij voegt daar dan aan toe: 'In de bezinning op onze verhouding tot het joodse volk zijn we nu op een punt aangeland waarin we met betrekking tot de nieuwtestamentische uitspraken ten aanzien van de joden niet meer uitkomen'. Iets verderop voegt hij dan daaraan toe: dit zou kunnen betekenen 'dat wij, na Auschwitz, in de uitzuivering van het anti-judaïsme in de kerk, en daarmee in de vernieuwing van ons denken, het Nieuwe Testament zelf niet ongemoeid kunnen laten'. Daarna noemt hij het 'Messiaans élan' van het Nieuwe Testament. Met een toespeling op een , vroeger artikel zegt hij: 'De strekking van mijn opmerkingen was aan te tonen dat er door het Nieuwe Testament een messiaans of eschatologisch élan vaart, dat verantwoordelijk is voor veel exclusiviteit ervan.'
Terecht wijst Boertien erop dat hier een ernstige crisis wordt opgeroepen in de relatie van de kerk tot het joodse volk. Tot dusver was het zo dat de kerk in gesprek trad met Israël, steunend op het getuigenis van evangelisten en apostelen die getuigden van het heil dat uit de Joden is. Anti-joodse uitingen werden gesignaleerd als een misverstaan van het Nieuwe Testament. Men denke aan de verschrikkelijke manier waarop Matth. 27 : 25 vaak in de kerk is uitgelegd. Maar nu gaat men verder. Nu wordt het eigene en het gezaghebbende van het Nieuwe Testament door sommigen prijsgegeven. Boertien is allerminst gelukkig met deze ontwikkeling.
Met verdriet en met grote bezorgdheid stel ik thans vast, dat dit nu wel het geval is. In de plaats van de aandacht voor Hem, die de Vader gezonden heeft, treedt nu de belangstelling voor 'het messiaanse'. Daarmee wordt in feite een groot deel van de openbaringsgeschiedenis ontkend. Omdat dergelijke theorieën mij op dat moment niet onbekend waren, heb ik in een interview, gepubliceerd in het reeds genoemde thema-nummer van Wending, dan ook gezegd: 'Is het evangelie alleen maar een messiaanse midrasj? Daarmee pas je een onverantwoorde reductie toe en help je de openbaringsgeschiedenis om zeep'.
Hoe ingrijpend dit is blijkt bv. uit het kerstnummer 1979 van Hervormd Nederland. Daarin komt een artikel voor over de relatie tot de joden, waarin ook bovengenoemde theorieën hun neerslag hebben gevonden. En daarmee wordt dan in een kerstnummer van een gerenommeerd blad het hele kerstevangelie op sterk water gezet. Zoals men een fossiel of dergelijke in sterk water bewaart om er naar te kunnen kijken, zo wordt dan in feite het kerstevangelie behandeld. Misschien is de auteur er zich niet eens van bewust geweest. Maar het evangelie wordt dan een eerbiedwaardig fossiel uit een ver geloofsverleden. Eigenlijk blijft er niet veel meer over dan 'het messiaanse'.
Liever dan dit soort pseudo-theologische complimenten voor het evangelie is mij de harde afwijzing, die een joods auteur, Dick Houwaart, publiceerde in Hervormd Nederland van 24 nov. 1979. Hij is van mening, dat joden geen behoefte hebben aan een gesprek met christenen. Want christenen hebben volgens hem een 'meerwaardetheorie'. Hij bedoelt daarmee: zij hebben altijd iets meer te bieden dan de joden, want zij menen iets te weten wat de joden nog niet weten, namelijk het verschijnen van de Messias in de persoon van Jezus. Houwaart wijst dit fel af.
Zolang hij zijn joodse identiteit wil bewaren, mogen wij van hem zulk een afwijzing verwachten. Maar in zijn afwijzing vergeet hij o.i. te vermelden, dat er ook aan joodse zijde een onuitgesproken 'meerwaardetheorie' is. Deze bestaat daarin, dat de jood de gehele Tora wil handhaven, en daarom ieder die dat niet doet eigenlijk moet beschouwen als iemand die zich nog niet op het juiste levenspad bevindt. Incidenteel kunnen er hier en daar rechtvaardigen zijn onder de volkeren. Maar dat er naast het joodse volk een messiaanse gemeente is, die terecht deze claim voert, kan men niet toegeven.
Wat kunnen we nu uit dit alles concluderen? Dat we het geding tussen kerk en synagoge niet moeten verdoezelen. Christenen kunnen, willen ze gehoorzaam blijven aan de Schrift, geen afstand doen van de belijdenis dat Jezus de Messias van Israël is. Zij mogen 'om Sions wil' niet zwijgen van dit heilgeheim. Het gaat om de vraag; Wat dunkt u van de Christus? Ik zou er aan toe willen voegen: We bespeuren vandaag de dag een nieuw soort judaïsme, waarbij de Christusbelijdenis ontkracht wordt en tegelijk de poort openstaat voor een joods verstaan van de gerechtigheid. De Kerk zal er goed aan doen de wacht te betrekken bij de prediking van de rechtvaardiging door het geloof alleen. Tegenover hen die het Nieuwe Testament zien als een messiaanse midrasj zullen we Gal. 1 : 6-9 hebben te stellen. Want messianisme is pseudo-evangelie. Waarmee Israël niet gebaat is.
***
Prof. Verkuyl over de discussienota
Enkele weken geleden hebt u een en ander kunnen lezen over de door de Herv. Raad voor de zaken van Kerk en School uitgegeven discussienota 'De gegeven broeder'. In deze nota wordt stelling genomen tegen Verkuyl en wordt diens visie op de onverenigbaarheid van het lid-zijn van de CPN en de dienst aan het christelijk onderwijs afgewezen. De Raad heeft zich nogal scherp gekeerd tegen Verkuyl's boekje 'Er zijn grenzen'. In het Centraal Weekblad van 29 maart had H. Gringhuis een gesprek met Verkuyl naar aanleiding van de discussienota. Wat is Yerkuyl's antwoord op de door de Raad uitgebrachte beschuldiging dat hij formeel te werk is gegaan?
De auteur noemt dit argument een verzinsel. 'Pronk heb ik hier gehad. Ik praat met die mensen want ik ben niet het type dat er niet op af gaat.' De nota zelf noemt hij een tegenstrijdig stuk. 'Aan de ene kant zijn we het volkomen met elkaar eens, wanneer men schrijft, dat het geloof in Christus niet te verenigen is met een politieke overtuiging, die een totalitair systeem voorstaat en het atheïsme als uitgangspunt kiest. Maar men schrijft ook, dat in een gesprek met een broeder, die zowel Christus belijdt alsook lid van de C.P.N, is, wel zal blijken welke overtuigingen doorslaggevend zijn voor christenen om toch te kiezen voor een partij als de C.P.N.'
Aan de hand van de jongste publikatie van C.P.N.-zijde, een boek van partij-voorzitter Henk Hoekstra, 'Op zoek naar nieuwe wegen', toont prof. Verkuyl aan, dat zijn benadering niet formeel was, omdat de C.P.N, aan z'n uitgangspunten vasthoudt. Hij noemt dan de volgende kernelementen die in de beschouwingen van de partijvoorzitter naar voren komen.
- 'In de eerste plaats, dat de oriëntatie op het marxisme-leninisme en dan met nadruk op het leninisme gehandhaafd blijft, al wordt gepleit voor een minder dogmatische interpretatie ervan.'
- In de tweede plaats, dat nu de weg van deelname aan de parlementaire democratie niet tot de gewenste resultaten heeft geleid, het voeren van massaacties o.a. door het overheidspersoneel en in de bedrijven als de meest wenselijke strategie wordt aanbevolen.
- In de derde plaats, dat bij alle nadruk op een Nederlandse weg naar het communisme, de aansluiting bij de internationale communistische beweging op allerlei wijze wordt gecontinueerd,
- In de vierde plaats, dat de strijdhouding tegenover het parlementair democratisch socialisme van de P.v.d.A. en andere democratisch socialistische partijen onverminderd voortduurt en aangemoedigd wordt.'
'Hoewel de titel van het boek spreekt van nieuwe wegen en van het zoeken daarnaar', aldus prof. Verkuyl, 'is in dit boek geen principiële koerswijziging te vinden. Van de toegezegde wijziging van de beginselverklaring blijkt niets en de toevlucht tot massa-acties voorspelt eerder een terugkeer tot heel oude wegen in plaats van nieuwe wegen, zoals die bepleit worden in Lenin's geschriften over agitatie en propaganda. Hieruit blijkt, dat deze mensen vasthouden aan hun eigen ontwikkelingen binnen hun eigen partij. Ik vind, datje veel eerlijker met elkaar omgaat als je deze dingen ook ronduit zegt.' '
Wat het gesprek betreft met een broeder die zowel Christus belijdt alsook lid is van de C.P.N., daarover is zijn mening, dat zo'n gesprek niet gevoerd kan worden met een C.P.N.-resolutie van december vorig jaar als uitgangspunt. Daarin staat: 'Vrijheid van onderwijs wil zeggen, dat het Nederlandse onderwijsbestel niet geregeerd kan worden door één levensbeschouwelijke of politieke hoofdstroom. Pluriformiteit is geboden. Met erkenning en eerbied voor de verschillende levensbeschouwelijke uitgangspunten, kan een bijzondereschool met of zonder bijbel ook niet het monolitische alleenrecht opeisen voor een bepaalde levensbeschouwelijke opvatting, met buitensluiting van de dialoog over verschillende levensbeschouwelijke standpunten. Als dit welgebeurt, is dat in strijd met de vrijheid van onderwijs.'
Prof. Verkuyl betreurt het, dat in de discussienota van de Hervormde Raad niet tot uiting komt, dat men bij de beoordeling van ideologieën, religies enz. moet uitgaan van de grondslag van hét christelijk onderwijs. 'Het verschil zal voorts moeten worden aangetoond tussen democratisch socialisme en een totalitair communisme. Dat is een enorm belangrijke zaak bij het middelbaar onderwijs. Als leraren zich vereenzelvigen met het communisme, zijn zij niet meer in staat om de genoemde verschijnselen te toetsen aan Gods beloften en eisen.'
De achtergronden van deze aan de gang zijnde discussie mbeten volgens prof. Verkuyl vooral gezocht worden bij de beweging 'Christenen voor het Socialisme', di& de grenzen uit wil wissen tussen communisme en democratisch-socialisme. 'Dat blijkt ook uit hun publikaties. Zij poetsen bij wijze van spreken iedere dag het dogma op, dat de produktiemiddelen overgenomen moeten worden door de Staat enz. Zij hebben er een hekel aan, dat al deze zaken in het licht gesteld worden. Ik zeg niet', aldus prof. Verkuyl, 'dat het geen christenen zijn, maar het zijn naar mijn mening wel verwarring scheppende christenen'.
Het is Verkuyl niet te doen om een hetze tegen links, maar hij wil wel vasthouden aan het belijdend karakter van allen die in de chr. school werken. Verkuyl heeft geen bezwaar tegen voortgaande gedachtenwisseling waar de nota voor pleit, maar hij meent dat men aan leraren op chr. scholen de eis moet stellen dat zij in hun beoordeling van verschijnselen en religies moeten uitgaan van Gods eisen en beloften. Informatie dient te geschieden vanuit een vuurtorenlicht dat de koers bepaalt. Anders wordt een chr. organisatie, ook een school, van binnenuit, uitgehold. En dat proces is aan de gang, aldus Verkuyl. Verkuyl betreurt het dat de Raad geen positie kiest. Graag geven we deze bijdrage aan ü door. Met een extra streep onder de woorden: er moet een vuurtorenlicht zijn dat de koers bepaalt. Zeker in een paedagogische situatie als het schoolgebeuren.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 april 1980
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 april 1980
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's