De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Sterven... en dan?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Sterven... en dan?

15 minuten leestijd

Wie denkt nooit aan het sterven, aan eigen sterven? De gedachte dat er een moment is, waarop dit aardse leven verlaten wordt; dat besef van tijd en plaats, van lichamelijk er te zijn, te horen, te zien, te voelen en te beleven ophoudt, is voor ons mensen een wonderlijke gedachte. Mensen, die naar de dood toeleven, hóé voorbereid ze ook op het sterven zijn, ervaren toch iets van de verschrikking van de afbraak. De dood als zodanig hoort toch niet bij het leven!

Op 30 november 1928 overleed de in hervormd-gereformeerde kring bekende ds. G. H. Beekenkamp. Hij schreef een woord ten afscheid aan de gemeente in het 'Leids Preekbeurtenblad'. Psalm 23 had hem zeer vertroost, schrijft hij, en het laatste wat hij schrijft is: 'Zeg aan de Leidenaars dat het meevalt, het sterven is zacht.'

Zeg dat het meevalt... dat betekent dat mensen de gedachte hebben dat het niet meevalt. Jaren geleden was ik in een kring van mensen, goeddeels niet-kerkelijk, waar de dood ter sprake kwam. Iemand zei toen - hij was een hoogbegaafd buiten-kerkelijk man - : 'dood zijn is niet erg, maar dood gaan...' Eigenlijk is deze laatste uitspraak, niet uit de mond van een ongelovige maar van een gelovige waar. Wie God toebehoort mag weten dat noch dood noch leven scheiden kan van de liefde Gods in Christus Jezus, terwijl dezelfde Paulus, die dit in Romeinen 8 (vs. 28) zegt óók betuigt, dat de dood de laatste vijand is, die teniet gedaan wordt (1 Cor. 15 : 26).

Wie denkt nooit aan het sterven, aan eigen sterven? De gedachte dat er een moment is, waarop dit aardse leven verlaten wordt; dat besef van tijd en plaats, van lichamelijk er te zijn, te horen, te zien, te voelen en te beleven ophoudt, is voor ons mensen een wonderlijke gedachte. Mensen, die naar de dood toeleven, hóé voorbereid ze ook op het sterven zijn, ervaren toch iets van de verschrikking van de afbraak. De dood als zodanig hoort toch niet bij het leven! Het is 'de koning der verschrikking', bezoldiging ook van de zonde. Het is de tunnel waar ieder doorheen moet. Er is dan ook de majesteit van de dood. Velen schuwen het dan ook om een dode te aanschouwen. Daar is een onbestemde weerzin, een onbepaalde angst ook. En het moderne levensgevoel met name camoufleert de dood.

Toch verschijnen de laatste jaren in toenemende mate boeken over de dood, het sterven en wat daarop volgt. Drs. J. Hoek ging enige tijd geleden in op boeken van de Amerikaanse arts Moody, die zijn ervaringen weergeeft met mensen, die hun belevingen vertelden in een fase van klinisch-dood-zijn. In een nu verschenen boek van dr. W. C. van Dam, getiteld 'Doden sterven niet', komen dit soort ervaringen ook aan de orde. Daarop willen we nu, gezien het eerder geschrevenen, niet ingaan. Wel wil ik uit dit boek iets weergeven van ervaringen van mensen, die stervende waren. De verdienste van een boek als dit is alleen al, dat zoveel concrete, verschillende ervaringen worden genoemd. Ze laten zien hoe sterven hoewel het eenmaal over alle mensen, die ooit geboren werden, komt toch uniek is. 'Er is nog nooit iemand teruggekomen', maar mensen, die erhéén leven, komen kennelijk in een aparte ervaringswereld. Iemand, die zijn vrouw ging verliezen aan een ongeneeslijke ziekte, zei: 'ze leeft al in een andere wereld'; kennelijk al aan de andere zijde van het bewust beleefde leven.

Verwachting en verschrikking

Dr. van Dam geeft vele voorbeelden van stervende mensen; van mensen, die een licht zagen, muziek hoorden, engelen aanschouwden, visioenen kregen omtrent de hemelse heerlijkheid, bekenden, die reeds overleden waren, herkenden of stemmen vernamen; maar ook van mensen die Jezus zagen, die hen ophaalde of opwachtte.

In ieder geval zijn er velen, die op deze wijze de dood als 'zacht' hebben ervaren. 'Het sterven valt mee.' Er was licht aan de andere zijde.

Het zal wel altijd moeilijk blijven om te onderkennen wat hier van werkelijk geestelijke waarde is en wat te maken heeft met de verengde fase, waarin de menselijke geest terecht komt.

Maar één ding is duidelijk: Ook de Bijbel kent het zicht over de dood heen in het zien van de concrete gestalte van Christus. Als Stefanus gestenigd wordt ziet hij de hemelen geopend en 'de Zoon des mensen staande ter rechterhand Gods'.

En Johannes schouwde, hoewel bij het leven, op Patmos in de hemel waar hij de schare, die niemand tellen kon, zag, bekleed met lange witte klederen en palmtakken in de hand.

Van de vele ervaringen, die dr. Van Dam opgetekend heeft van bekenden en onbekenden in hun stervensfase volgen hier vier voorbeelden:

‘De Ierse methodistenprediker Thomas Walsh stierf al op zijn 27e jaar met de woorden: 'Hij is gekomen, Hij is gekomen, mijn Geliefde is van mij en ik ben van Hem voor eeuwig'.'

‘Een vooraanstaand methodist, dr. Wakeley: 'Net als Bunyan zie ik een grote menigte met witte gewaden en ik verlang om bij hen te zijn. Luister, horen jullie dat lied niet? Er is grote vreugde in de hemel! Rol open, jullie gouden poorten en laat mijn wagen erdoorheen gaan'!'

‘Augustus M. Toplady, de dichter van het bekende lied 'Vaste rots van mijn behoud', stierf in 1778 op 38-jarige leeftijd. Een uur voor zijn dood werd hij wakker na een korte slaap 'O, wat een verrukking', riep hij uit. 'Wie kan de vreugden van de derde hemel peilen? Wat een stralende zonneschijn is om me heen uitgespreid! Ik heb geen woorden genoeg om die te beschrijven. Ik weet dat het niet lang meer kan duren voor mijn Heiland me komt halen... alles is licht, licht, het stralen van zijn eigen glorie. O, kom Heer Jezus, kom vlug'.'

‘De beroemde evangelist Moddy overleed in 1899. Vroeg in de morgen van de 22e december zei hij bij het wakker worden: 'De aarde trekt zich terug. De hemel opent zich voor me.' Zijn zoon dacht, dat hij dat in zijn slaap zei, maar Moody zei hem: 'Nee, dit is geen droom. Het is prachtig! Als dit de dood is, dan is die liefelijk. Er is hier geen diep dal. God roept me en ik moet gaan.' De familie en de arts werden naar de slaapkamer geroepen. Moody gaf hun zijn laatste beschikkingen en bepaalde, wie welke taak zou voortzetten. Toen was het, alsof hij door de sluier heenzag: 'Dwight, Irene! Ik zie de gezichten van de kinderen!' (het waren twee kleinkinderen, die het jaar tevoren overleden waren). Nadat hij een halfuur bewusteloos was geweest, kwam Moody weer bij: 'Geen pijn, geen dal! Als dit de dood is, dan is het helemaal niet erg, het is liefelijk!' Even later, steunend op zijn elleboog, richtte hij zich op en riep uit: 'Dat is vreemd! Ik ben door de poorten van de dood binnen de portalen van de hemel geweest en hier ben ik weer terug! Het is erg vreemd!' Daarna bleef hij nog een tijdje bij kennis en sprak hij helder met zijn familieleden, totdat hij vredig definitief insliep.'

Er is echter ook de keerzijde! Mensen, die met grote verschrikking de dood op zich af zagen komen, bewust als ze zich werden van de verschrikking van de dood zélf of van het gericht, dat komen ging. Ook dat kent de Bijbel. Job spreekt van de schrik van de schaduw van de dood en Paulus weet van de schrik des Heeren. Maar-en dan gaat het om de ervaring van een ongelovige - als Belsazar het schrift aan de wand ziet (Daniël 5), dan verschrikken zijn gedachten hem, dan stoten zijn knieën tegen elkaar: 'toen verschrikte de koning Belsazar en zijn glans werd aan hem veranderd.' Hij had zich verheven tegen de Heere des hemels, moest Daniël zeggen. Hij was gewogen en te licht bevonden; en zó ging hij zijn laatste nacht in: met verschrikking!

Dr. Van Dam geeft ook van zulk sterven voorbeelden; van groten in politiek en wetenschap, die in de dood hun meerdere moesten erkennen en er de laatste vijand in alle hevigheid in hebben ontmoet. Van Dam schrijft b.v.: 'De Franse atheïstische filosoof Voltaire wilde zich op zijn sterfbed met de kerk verzoenen. Ongelovige vrienden, die dit wilden verhinderen, werden door hem uitgevloekt. Daarna legde hij de herroeping van zijn oude standpunten schriftelijk vast. Maar hij bleef woeden tegen God en mensen. Hij riep zijn arts toe: 'Ik moet sterven, door God en mensen verlaten.' Toen de arts verklaarde, niets meer voor hem te kunnen doen, riep Voltaire uit: 'Dan zal ik ter helle varen, en u mee.' Later zei zijn verpleegster, dat ze voor alle rijkdom van Europa nooit meer een ongelovige zou willen zien sterven, zo verschrikkelijk was zijn einde.

In een bezetenheidsgeval vertelden demonen uit de mond van de bezetene hoe zij Voltaire na zijn dood ontvangen hadden (P. Sutter, Satans Macht und Wirken, Gröbenzell 7e dr. 1975, blz. 35). Omdat wij steeds skeptischer zijn geworden, wat uitlatingen van demonen betreft, zullen we deze in het vervolg niet gebruiken.

Voorbeeld 47. Van Stalins sterfbed zijn we op de hoogte gebracht door zijn dochter Swetlana: 'Het sterven van mijn vader was verschrikkelijk zwaar. De doodsstrijd was ontzettend. In de laatste minuut opende hij plotseling zijn ogen. Het was een verschrikkelijke blik, half waanzinnig, half toornig. Toen hief hij plotseling zijn linkerhand omhoog en wees hij naar boven, waarbij hij ons allen bedreigde'.'

Twee wegen

Sterven... en dan? , hebben we boven dit stuk gezet. Er is in dat verband ook een ander boek, waarvoor ik aandacht wil vragen, namelijk een bundel verzamelde opstellen, meditaties, preken e.d. van wijlen ds. H. S. J. Kalf, getiteld 'voor eeuwig vrij. Wie deze bundel leest komt er (opnieuw) van onder de indruk hoe deze begenadigde prediker immer scherp de twéé wegen heeft gepreekt. Hij, die op zijn sterfbed zélf zo diep verstaan heeft wat het betekende om verloren te kunnen gaan - men leze zijn geestelijk testament, ook in deze bundel opgenomen, 'Kan ook een dominee zalig worden? ' - heeft altijd ernstig, aandringend en met grote bewogenheid Jezus voorgesteld aan de mensen als de enige weg tot behoud.

Hij deed het zó, dat een kind het kon begrijpen en een oudere ervan onder de indruk kon komen. Hij deed het beeldrijk, sprankelend, singulier in gaven, anders dan anderen (in deze bundel hóórt men hem als het ware praten). Maar ik denk, dat deze prediking van de twee wegen, met de ernst op de achtergrond van het verloren gaan als er niet de geborenheid in Christus is, spaarzamelijker wordt, ook in orthodoxe kring. Prediking kan ook te beschouwelijk worden en daardoor ontdaan zijn van de laatste ernst. Maar sterven is 'God ontmoeten'. En onze God is een verterend vuur. Daarom bidt Paulus de mensen van Christuswege: laat u met God verzoenen!

Ds. Kalf vertelt in deze bundel van een jongeman, die in het ziekenhuis werd opgenomen na een ongeluk met zijn brommer. Als zijn vrienden kwamen zei hij hen, dat ze zich bekeren moesten één dag vóór hun sterven (ds. Kalf heeft het in zijn laatste preek, een dagje thuis uit het ziekenhuis, zijn gemeente verteld). Eén dag voor hun sterven, maar élke dag kan de laatste zijn. Dat is de laatste ernst.

Uit de bundel van ds. Kalf citeren we ook twee passages:

'Ik herinner mij dat ik Psalm 40 eens heb voorgelezen bij één, die een operatie tegemoet ging en waarbij het ging op leven en dood. Wat was ze bang. En wat een angst in die ogen, en niet omdat ze niet meer thuis zou komen, en dat zij ze allemaal los moest laten. Maar omdat ze dacht: nog maar een paar uur en dan ben ik in de eeuwigheid. En mijn God, ik ben niet zo bereid om te sterven, ik ben niet klaar voor het oordeel. En toen hoorden we samen in die Psalm 40 van een man, die in een kuil was gezonken en die moe was geworden van zijn gejammer, en die het zag hoe zijn zonden méér waren dan de haren op zijn hoofd. Daar middenin lazen we: maar zie: 'Ik kom; in de rol van het boek is van Mij geschreven' .

En dat gaf uitkomst. Want we begrepen het best, wie die Ik wel is. Die daar komt. Dat is die zanger zelf niet van dat lied, maar die 'Ik', dat, dat mag je met een hoofdletter schrijven. Het is de Enige, die een pas naar voren deed, toen alles ons ontviel. En Die ten koste van Zichzelf, om ons te redden de hemel verliet, Gods eigen Zoon, Die onze Heiland wezen wou. En of jij daar nou helemaal nooit over denkt, of dat je zogenaamd andere gedachten er over hebt: dit is het wat we hebben toe te roepen aan allen. Van Hem, Die niet zegt tegen jou: eigen schuld man, had je maar naar Mij moeten luisteren, of zo. Maar van Hem, Die spontaan ons in die ellende, waarin wij onszelf hadden ingewerkt is achterna gesprongen, en de straf die wij verdienden op Zich genomen heeft. Gij komt en maakt ons vrij. Beter dan tevoren, zie ik nu waarvoor Hij kwam en waarvan Hij ons wil bevrijden.'

En uit een oudejaarsavond preek in 1973: '1 januari 1973 had ons al wijzer kunnen maken, wat er van die wensen komt. Nu wij dat boek '73 willen opbergen in de archiefkast, vluchten wij naar Hem, die eens ook dit boek ' 73, de jaren onzer dagen, weer op zal nemen op die grote dag van het Oordeel.

Wat ons daarbij past is het gebed, het gebed dat ons nodiger is dan brood en dat voor allen onmisbaar is. Zonder dit te bidden, gaat u dit jaar niet uit, toch: 'Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren' . Wat zien wij alles beperkt, wat zien wij alles persoonlijk, wat lopen wij met oogkleppen voor. Wij weten niet te danken en te bidden gelijk het behoort. Maar de Heere Jezus heeft het je voorgezegd, in het volmaakte gebed, te vragen: 'Vergeef ons onze schulden, Heere, zoals ook wij anderen hun schuld vergeven' . Alles van één dag wat je zo beleven kan, ligt geklemd tussen twee beden van het Onze Vader. Dat je 's morgens bij het opstaan vraagt: 'Leid ons niet in verzoeking, maar verlost U ons van den boze'. En elke avond heb je dat bidden zo nodig: 'en vergeeft U ons onze schulden'. En dat laatste heb je hard nodig bij het eind van het jaar. Dan zegtu: dat zal mij in een mineurstemming brengen. Ik zeg: nee, juist niet.

Want dat bedoelt, dat u schoon schip moet maken, en als het kan zonder schulden bij God dit jaar zult uitgaan.

U vindt, er kan ook nooit gezwegen worden van zonde en schuld en vergeving vragen. Maar dan bent u toch wel een grote dwaas. Want wat bij u er wel door kan, dat is van ons 'Uren, dagen, maanden, jaren...', dat oudejaarslied, die wat sombere strenge regel van het end: al het heden wordt verleden, schoon 't ons toegerekend blijft'. En als er iets ons ernstig maken kan dan is het wel dit regeltje: '... schoon 't ons toegerekend blijft'.

En het is bijbels ook. Want God zal eenmaal alles in het Gericht brengen, naar dat de mens gedaan heeft in het lichaam, hetzij goed hetzij kwaad. Maar de Heere Jezus heeft ons, mensen, weer recht leren bidden en zingen. En stoot een raam open als Hij ons voorzegt: vragen jullie dat: 'vergeef ons onze schulden, Heere'. En dit zegt Hij in het bijzonder tot ons, oudejaars-kerkvolk.

Twee mensen gingen op oudejaarsavond op naar de tempel. De één ging naar voren en daar stond hij met een opgeheven hoofd en met zijn armen uitgebreid en het was alsof hij God in het gezicht aankeek. Hij was in een feestelijke stemming gekomen. En als hij zijn plaatsje heeft gevonden, dan begint hij zijn gebed. Hij zegt: 'o God, ik dank U, ik dank U dat ik niet ben als die andere mensen, dat ik niet zo ben als die mensen, die daar maar op afgaan, op zoveel heerlijk verbodens. En ik..., ik heb dat niet gedaan. Maar het heeft me zoveel moeite ook niet gekost om dat te doen. Ik dank U dat ik niet zo ben als die andere mensen, die gekeken hebben met welbehagen naar allerlei uitzendingen. Ik ben anders, want toen ik ernaar gekeken had, toen heb ik het snel maar weer uitgedraaid, en ben daarna een ingezonden stuk gaan schrijven'. En dan komt hij met allerlei bewijsstukken aan; hoe hij het met zichzelf heeft getroffen, en dat zijn leven praktisch schuldeloos was, en niemand dat van hem zal kunnen zeggen. 'Ik dank U, ook dat ik niet zo ben als die man, waar ik net langs gelopen ben. Dat zo'n vent dat nog durft, naar Uw tempel toe te gaan'. Maar wat er in dat gebed van die man mocht staan... deemoed was er niet in... en ontmoeting was er niet in. Het was een monoloog, een alleenspraak, en God komt er niet in aan het woord. Alles is: 'ik... ik... O God, ik... ik... ik!'

En al is die man op zijn westers gekleed, die man mag modern of orthodox wezen, maar de Heere Jezus zegt: 'zo vind Ik ze onder het oudejaarsvolk'. Die alle beschuldigingen van God naast zich hebben neergelegd. Die alle aanklachten Gods hebben doorgezonden: 'verkeerd bezorgd', zetten ze er op. Nu hebben ze het doorgestuurd naar hun buurman. En die van het oordeel van God en de straffen van God niet willen weten.'

N.a.v. dr. W. C. van Dam: Doden sterven niet; uitgave J. H. Kok, Kampen, 106 pagina's, ƒ 13, 90 en ds. H. S. J. Kalf: Voor eeuwig vrij; uitgave J. P. van den Tol, Dordrecht, 121 pagina's, ƒ 16, 50.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 april 1980

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Sterven... en dan?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 april 1980

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's