Over vaccinatie, de VARA en een villa
In antwoord op reacties
Iemand zei eens dat, als er een jaar lang geen kerkelijke bladen zouden verschijnen het er in kerkelijk Nederland anders uit zou zien. Dat zal wel overtrokken zijn maar feit is, dat wat geschreven wordt over elkaar vaak over en weer irritatie oproept en reacties wakker maakt, waarbij van het één het ander komt. En niet altijd gaat het er dan in de christelijke bladen even christelijk toe.
Anderzijds vindt de bezinning in en tussen de kerken nu eenmaal óók plaats via het geschrevene. Zo is er ook de voorlichting en nemen we kennis van standpunten en visies.
Personen en zaken zijn daarbij vaak niet te scheiden. Wanneer men schrijft over bepaalde uidatingen of standpunten van personen dan staan die personen zélf daar niet buiten. Het zijn nu eenmaal mensen die schrijven. En ook als men op het standpunt staat, dat het een goede regel is om zakelijk desnoods scherp maar persoonlijk mild te zijn, dan kan men er toch niet aan ontkomen dat personen in kwestie zich soms persoonlijk geraakt voelen. Dit ter inleiding op de reactie op wat anderen schreven in bepaalde bladen.
De heer W. van der Zwaag over vaccinatie
Het Reformatorisch Dagblad heeft - zo blijkt uit cijfers van een in 1978 gehouden enquête - ongeveer veertig procent hervormde abonnees. Die abonnees hebben, als alle andere lezers, dezer dagen kennis kunnen nemen van een pagina-groot verhaal van en over de heer W. van der Zwaag, hoofdonderwijzer van de ds. Fraanjeschool te Barneveld, schrijver van een geschrift 'Vaccinatie en christendom'. In dat bewuste artikel komt ons blad omstandig aan de orde. Juist ook terwille van de hervormde lezers van het R.D. móéten we hier wel kort reageren op wat gezegd is.
De heer van der Zwaag schreef terzake van de laatste polio-explosie een artikel in het Reformatorisch Dagblad. Hij bekende zich daarin als een verklaard tegenstander van vaccinatie. Dat is zijn goed recht. In dat artikel gingen echter allerlei personen dusdanig onder het oordeel van de heer Van der Zwaag door, dat drs. K. Exalto zich gedrongen voelde tot een reactie in ons blad. Het voorstander zijn van vaccinatie werd door de heer Van der Zwaag rechtstreeks in verband gebracht met het cultuuroptimisme van Kuyper, met de leer van de veronderstelde wedergeboorte. Het was zo in de trant van het interview, dat nu in het RD stond. Vaccineren is volgens de heer Van der Zwaag in strijd 'met het leven in de vreze Gods'. De hele toonzetting van zijn betogen is dan van dien aard, dat wie voorstander is van vaccinatie nog nauwelijks de naam gereformeerd mag dragen (wel gereformeerd in de leer maar 'pelagiaans in de toepassing'), terwijl achter het punt of er wel sprake kan zijn van vreze Gods helemaal een vraagteken wordt gezet.
Nu zet het RD in het interview een aantal kwalificaties, die drs. K. Exalto over de aanpak van de heer Van der Zwaag in ons blad schreef, op een rij, daarbij suggererend alsof het letterlijk is geciteerd. Hier volgt het begin van het interview:
‘Hij verstaat als niemand de kunst om te irriteren, hij is iemand die op schoolmeesterachtige wijze zonder wezenlijke gronden allerlei lieden van goede naam en faam over de hekel heeft gehaald, die - evenals zo menig tegenstander van de vaccinatie - erger is dan de paus, die een ware gewetens-inquisitie voert, die op geveinsde wijze en op geraffineerde wijze werkt met insinuaties en aan Schriftverkrachting doet.’
Verzuimd wordt mee te delen naar aanleiding van wat drs. Exalto schreef. Wèl wordt vervolgens opgemerkt, dat de Waarheidsvriend weigerde een reactie van de heer Van der Zwaag op de ontboezemingen van drs. Exalto op te nemen. Dat feit is juist. Hoewel we ten aanzien van reacties op artikelen de grootst mogelijke openheid willen betrachten vonden we het in dit geval onverantwoord de reactie van de heer Van der Zwaag op te nemen. Daarvoor was wat hij schreef te persoonlijkdiskwalificerend, te (ver)oordelend in absolute zin.
Bovendien, terzake van een zo belangrijke zaak als vaccineren hebben we in ons blad sinds jaar en dag gemeend de lezers op een duidelijke wijze te moeten voorlichten, op grond van wat naar het Woord Gods door ons verantwoord werd geacht. Te velen zijn om zaken als deze al in gewetensnood geraakt. We hebben enkele weken geleden in de kolommen van ons blad waardering uitgesproken over het feit, dat drs. A. Vergunst tot een wijze en evenwichtige bespreking kwam in het RD over het boekje van de hoogleraren Douma en Velema 'Polio, afweren of afwachten? ', waarin de schrijvers ervan zelfde tegenstanders van vaccinatie volstrekt serieus nemen. Dat direct daarna dit veel grotere verhaal van de heer Van der Zwaag onder de titel 'Een geest des diepen slaaps is als een verborgen oordeel over ons uitgestort', mede ziende op de vaccinatie, is geplaatst in het RD met als inzet een forse aanval op ons blad heeft ons op z'n minst bevreemd.
Excuses aan de Vara?
Enkele weken geleden hebben we, na het bekend worden van de benoeming van dr. A. H. van den Heuvel als voorzitter van de Vara, hier de vraag gesteld of men tegelijk vriend kan zijn van 'godlozen en godvrezenden'. Ik zou - zo schreef de heer Simon de Groot in het Leidse Courant en in de Amersfoortse Courant daarover verontschuldigingen moe ten aanbieden. De heer De Groot zegt niet aan wie, maar ik vermoed aan de Vara, want mijn voorstelling dat 'tegenover godlozen van de Vara de godvrezenden van de kerk staan' is een rammelende voorstelling.
Ten aanzien van deze 'rammelende voorstelling' schreef ds. C. van Dop te Amersfoort aan de heer De Groot in een ingezonden stuk in de Amersfoortse Courant: 'Dit zullen de lezers alleen geloven als hij kan aantonen dat de doorgaande lijn van de programma's de eer van God en de waarheid naar de Heilige Schrift dienen.’
Dat is inderdaad de kern van de zaak. Er is geen haar op mijn hoofd, dat eraan denkt allen, die tot de kerk behoren, als godvrezenden te bestempelen; zo min als ik bevoegd ben allen, die bij de Vara behoren, als godlozen te typeren, zij het dat ik wel heel diep moet nadenken als het gaat om de motieven, die een christen kan hebben om bij de Vara betrokken te zijn.
Maar de kerk in haar intentie, in wat zij bedoelt in deze wereld is 'godvrezend'. En de Vara in zijn intentie is dat niet; die is - gespeend als zij is van een christelijke grondslag - 'godloos'. 'Is de Vara principieel zonder God of met God? ', vroeg ds. C. van Dop terecht.
Ik heb er weinig behoefte aan terug te komen op de vraag, die ik in het bewuste stuk stelde. De feiten hebben sindsdien ook voor zichzelf gesproken. Ik noemde al dat in een eerste reactie voor de Vara radio in blasfemerende zin over de benoeming van dr. Van den Heuvel werd gesproken. Het lust mij niet te letterlijke uitspraken, die gedaan werden, aan het papier toe te vertrouwen. Sindsdien is er echter meer van zulk fraais gevolgd. Sonja Barend, die ooit een vloek-uitzending verzorgde, toen de Bond tegen het vloeken door haar in een TV-uitzending werd gepresenteerd, stelde vragen als: 'komt u wel in de hemel als het mislukt bij, de Vara? ' en herinnerde aan de kraaiende haan bij de verloochening van Petrus, heenwijzend naar Vara's 'rooie haan'. Van den Heuvel pareerde met behendigheid deze vragen maar kon er niet omheen in de sféér van deze vragen te worden getrokken bij de omroep waarover hij de leiding krijgt. En toen dr. Van den Heuvel - publiekelijk - geconfronteerd werd met de vraag wat hij eraan ging doen, dat de Vara de meest vloekende omroep is, was zijn antwoord dat hij daar niets tegen zou ondernemen, want 'ongelovigen kunnen niet vloeken'. Alsof het bij het vloeken niet om het lasteren van de Naam gaat, door wie dan ook, of het door ongelovigen geschiedt of niet.
Allerlei uitzendingen van de laatste weken hebben ons nog veel wijzer gemaakt. Kun je als dominee voorzitter zijn van de Vara? Dr. Van den Heuvel heeft misschien terecht besloten van niet, door te zeggen dat hij vanaf het moment van zijn benoeming geen dominee meer was. Hij wordt bij de Vara, zei Trouw 'gewoon mijnheer'. Hoewel ik blijf zitten met het wat verbaasde vraagje van Sonja Barend: 'maar dominee zijn, daar kun je toch niet van af? ’
Als ik in het begin van dit artikel schrijf over het samengaan van het persoonlijke en het zakelijke dan geldt dat ook hier. Ais we op de zaak van het voorzitterschap van een dominee bij de Vara reageren kunnen we er niet omheen dat het de persoon van dr. Van den Heuvel is, die dit voorzitterschap gaat bekleden. En als persoon diende hij de kerk als secretaris-generaal. Mogen we dan óók nog uitspreken dat we deze switch als schokkend ervaren?
Dr. H. Bartels over 'twee onder één kap’
Opnieuw noem ik een naam, ditmaal die van dr. H. Bartels, oud-scriba van de provinciale kerkvergadering van Zuid-Holland en secretaris van het hervormde college van visitatoren-generaal. Hij haalt namelijk in het blad Voorlopig nog eens op de door ds. F. N. M. Nijssen aan de orde gestelde kwestie van de kerkelijke boedelscheiding. Alle verontrusten, of ze nu Gijsen heten of gereformeerde bonders zijn of bij de EO zijn aangesloten, in één kerk (zó wilde Nijssen) en alle progressieven ook in één kerk.
De visie van ds. Nijssen heeft allerwegen verzet ontmoet, maar dr. Bartels houdt nog even vol. Hij wijst een derde weg: niet de bestaande toestand; niet de boedelscheiding van ds. Nijssen; maar in één villa' en dan 'twee onder één kap'. Kennelijk is het dus wel zo, dat het richtingenvraagstuk in de kerk(en) op een eenvoudige noemer kan worden gebracht. Van tweeën één: of men behoort tot het 'gesloten' kerktype of men behoort tot het 'open' kerktype.
Bij het gesloten kerktype 'staat het allemaal in de Bijbel' en 'nader in de zestiende eeuwse belijdenisgeschriften' en kunnen we Jezus' persoon en werk door deze 'hulpmiddelen' volledig kennen.
Bij het open kerktype gaat het om de reactie van mensen door de.tijden heen op de boodschap van Jezus.
Bij het gesloten kerktype gaat het om het getuigen tot de ander, opdat die zich bekeert. Bij het open kerktype gaat het om de dialoog met de ander om 'samen het christen-zijn te vinden’.
Dr. Bartels heeft op deze wijze het richtingenvraagstuk wel heel erg versimpeld. Als hij het intussen toepast op de Hervormde Kerk gaat het om de Gereformeerde Bond èn de anderen. De Gereformeerde Bond kent een gesloten kerktype maar de Hervormde Kerk als gehéél is een kerk van het open type. Ik citeer nu letterlijk wat dr. Bartels schrijft:
De ongelijke positie van deelgemeente en 'oude' gemeente in één plaats moet dus recht worden getrokken, de bezittingen enz. van de vroegere ongedeelde gemeente moeten tussen beide nieuwe gemeenten worden verdeeld. Ook in gemeenten, waar wél een echte centrale kerkeraad is, moeten de tot haar behorende wijkgemeenten gelijkwaardig zijn: dus geen buitengewone wijkgemeenten meer.
In de vierde plaats: de gereformeerde bond zal praktisch moeten erkennen, dat de hervormde kerk nu eenmaal een kerk is van het 'open' type en dat haar regels betreffende de verscheidenheid dienovereenkomstig zijn. Hij moet dus die regels eerbiedigen. De huidige situatie, dat de bond de kerkelijke regels omtrent de verscheidenheid negeert en doet of die niet bestaan, is niet te bestendigen. Op dit punt gedraagt de bond zich als een groep revolutionairen en toont hij, dat hij zich in feite van de hervormde kerk heeft afgescheiden. Wil hij bij die afscheiding volharden, dan moeten we dat zo ook in de regels laten uitkomen. Wil hij dat niet, dan moet hij ook de bestaande regels van de kerk, waarbij hij wil behoren, aanvaarden. Anders is het 'erbij willen horen' een schijn-houding.’
Ik volsta met twee opmerkingen in reactie op dit stuk van dr. Bartels. In de eerste plaats leg ik de vinger bij het feit, dat dr. Bartels meent dat. De Gereformeerde Bond 'moet' erkennen, dat de Hervormde Kerk nu eenmaal een open kerk is. De Gereformeerde Bond rtioet dus kennelijk onder dit juk door. U móét erkennen! Maar wie bepaalt dan wat de Hervormde Kerk is? Doet dat de meerderheid of de minderheid of wordt dat bepaald door het belijden van de kerk? De vraag ligt voor de hand of de kerkorde van de Hervormde Kerk, zoals die in 1951 totstandkwam, wees in een richting van het nu door dr. Bartels beoogde open kerktype of het door de Gereformeerde Bond - naar zijn zeggen - beoogde gesloten kerktype. Ik denk dat voor de beantwoording van deze vraag de kwestie 'in gemeenschap' of 'in overeenstemming' met de belijdenis der kerk weer actueel is.
In de tweede plaats spitst dr. Bartels zijn betoog reeds bij voorbaat toe op de plaatselijke situaties, met betrekking tot de deelgemeenten. Zijn visie is niet onduidelijk: 'twee villa's onder een kap', met gelijke verdeling van kerkelijke goederen.
Dat héét dan geen hotelkerk; maar welke naam mag het dan wél hebben als in één gemeente twéé gemeenten langs elkaar heen leven?
Toegegeven, dat dat nu de-facto (feitelijk) ook het geval is. Maar als dat ook de-iure (rechtens) zo wordt dan hebben we op dezelfde wijze van de kerkelijke nood een deugd gemaakt als ds. Nijssen met zijn kerkelijke boedelscheiding beoogde.
De derde weg van dr. Bartels zie ik nog niet zitten. We laten elkaar dan te gemakkelijk los en komen aan de vraag van het samen belijden niét meer toe. Wat maakt het immers uit of we samen onder één kap wonen of in twee huizen naast elkaar? Geluiddempende muren kunnen sterker isolerend zijn dan een heg tussen de huizen. En over de heg heen kun je soms beter met elkaar praten dan met een muurtje tussen de achterterrassen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 april 1980
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 april 1980
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's