Evangelieverkondiging in de eerste eeuwen (2)
Het Evangelie is niet naar de mens. Het ontmoet hinderpalen op zijn weg. Toch blijken er ook in de wereld van de eerste christenen open deuren geweest te zijn. Het Evangelie begon zijn loop in de wereld die beheerst werd door de Romeinse keizer. Dat gaf ook mogelijkheden voor de verspreiding van de boodschap. Green wijst op de betekenis van de zgn. Pax Augusta, de door vele dichters bezongen vrede en rust die er sinds keizer Augustus heersten in het keizerrijk. Zeker, het was een vrede gebaseerd op macht en geweld, maar de orde en de rust die er heersten bevorderden b.v. het verkeer. Het Romeinse recht stond hoog aangeschreven. Green noemt als voorbeeld de wegenbouw in het rijk van Augustus.
De wereld waarin het Evangelie kwam
Het Evangelie is niet naar de mens. Het ontmoet hinderpalen op zijn weg. Toch blijken er ook in de wereld van de eerste christenen open deuren geweest te zijn. Het Evangelie begon zijn loop in de wereld die beheerst werd door de Romeinse keizer. Dat gaf ook mogelijkheden voor de verspreiding van de boodschap. Green wijst op de betekenis van de zgn. Pax Augusta, de door vele dichters bezongen vrede en rust die er sinds keizer Augustus heersten in het keizerrijk. Zeker, het was een vrede gebaseerd op macht en geweld, maar de orde en de rust die er heersten bevorderden b.v. het verkeer. Het Romeinse recht stond hoog aangeschreven. Green noemt als voorbeeld de wegenbouw in het rijk van Augustus.
Wij vinden goede wegen en verkeersvoorzieningen de meest normale zaak ter wereld.
Maar u moet zich eens indenken wat dat in die tijd betekende, toen trein, auto en vliegtuig onbekende zaken waren en men aangewezen was op schip, lastdier en reiswagen of te voet moest reizen! Christenen hebben enorme afstanden afgelegd. Het wegensysteem maakte dat ook mogelijk. Niet alleen kooplui profiteerden daarvan, ook evangeliepredikers.
Voorts noemt de auteur de betekenis van de Griekse taal en de Griekse ideeënwereld, alsmede het verlangen naar verlossing en zekerheid dat velen bezig hield. Met name het Jodendom trok velen aan. Het geloof in de ene God des hemels, de synagogale eredienst met zijn Schriftuitleg en de joodse wetsreligie bracht velen er toe zich in deze godsdienst te verdiepen. Rondom de synagoge treffen we dan ook een grote kring van belangstellende heidenen aan, de zgn. Godvrezenden. Terwijl anderen als proseliet toetraden tot het Jodendom. Uit de Handelingen weten we hoe de apostelen in hun prediking in de sunagoge juist onder deze Godvrezenden en proselieten vele aanhangers vonden. Harnack moet eens gezegd hebben van de eerste christelijke zendelingen: 'Ze waren zoveel verschuldigd aan de Joden, dat je bijna zou kunnen zeggen dat de christelijke zending een verlengstuk was van de joodse propaganda'. Terecht onderstreept Green het woordje 'bijna'. Want het Evangelie is toch geen verlengstuk van het Jodendom.
Hinderpalen
Tussen Jood en Christen staat immers de Persoon van Jezus Christus, de gekruisigde en opgestane Heere. Dit geloof in Jezus als de Messias vormde voor Joden een ergernis en voor Grieken een dwaasheid, zoals Paulus schrijft in 1 Cor. 1 : 18vv. Het was voor de Jood niet gemakkelijk 'een timmerman-leraar te beschouwen als de vervulling van Israels hoop' (blz. 29). De kruisdood, de vloekdood van Christus, botste met hun Messiasverwachting. Ook het bestaan van de kerk naast de synagoge vormde geleidelijk aan een struikelblok. En wat de heidenen betreft, daar lagen weer andere struikelblokken. O ja, de antieke mens was verdraagzaam. Allerlei godsdienstige overtuigingen werden getolereerd, mits men deelnam aan de staatscultus. Op dit punt kwam dan ook de botsing: Christus of de keizer.
Die botsing kwam niet overal even heftig naar voren. Het Romeinse recht betekende in vele gevallen een gunstige faktor. Maar laster en praatjes konden daarentegen ongunstig werken. En de beschuldiging van atheïsme, omdat men de algemeen aanvaarde goden niet eerde, was vlug geuit. Met vele citaten uit de brieven van de apostelen en uit oud-christelijke geschriften laat Green zien hoe christenen vaak terecht kwamen in de hoek waar de slagen vielen, hoe ze beschuldigd werden van anti-sociale neigingen, afzijdigheid en verdachte praktijken.
De levenstrant in het antieke Rome botste met de eisen van de navolging van Christus. Christenen werden verdacht van dom bijgeloof, zwart gemaakt vanwege hun dwaze geloof in een gekruisigde Messias. Hun wijsheid was in de ogen van de antieke mens dwaasheid.
Zo rijst het beeld op van een gemeente die op vele punten in botsing kwam met de wereld van toen. Is dat vandaag anders? Maar tegelijk zien we hoe God deuren opent, gelegenheid geeft voor Zijn Woord. Die vreemde wereld van heidendom, van joods verzet en heidense aanvallen is toch ondersteboven gekeerd door het Evangelie.
Het Evangelie
In een uitvoerig hoofdstuk gaat de schrijver in op de inhoud van het Evangelie van Jezus Christus. Evangeliseren, getuigen, verkondigen... zijn stuk voor stuk geladen woorden. Green laat zien hoe de proclamatie van de eerste christenen inzake de kruisdood en de opstanding, de overwinning van Jezus Christus en de bevestiging van Gods Koningschap weliswaar gevarieerd was in de toepassing, maar inhoudelijk een eenheid vormde.
En deze verkondiging was geen dor betoog, maar een levend en warm getuigenis inzake de ernst van de zonde, de rijkdom van Gods heil, de noodzaak van geloof en bekering.
Dit hoofdstuk is ook belangrijk vanwege het feit dat de auteur laat zien hoe veelvormigheid in woordkeus, accent en spreekwijze de eenheid van de boodschap tiiet aantast.
Dat is een belangrijk gegeven, daar immers nogal eens gezegd wordt dat de oud-christelijke prediking zoals we die in het Nieuwe Testament vinden geen eenheid gevormd zou hebben, maar elkaar zelfs op beslissende punten zou tegenspreken, zodat we b.v. een Christologie van Mattheüs tegenover die van Paulus kunnen plaatsen.
Stellig zijn er accenten. Daarin zien we juist de veelkleurige wijsheid Gods. Maar het gaat om de ene prediking aangaande Jezus Christus, de Heere en Heiland.
De Joden een Jood, de Grieken een Griek
Altijd weer is in de evangelisatorische benadering van mensen de vraag: Hoe bereik ik de mens, zonder de boodschap geweid aan te doen? Het is boeiend om te zien hoe de getuigen van het Nieuwe Testament en in hun voetspoor de oud-christelijke predikers in dit spanningsveld gestaan hebben.
Zij zijn de Joden een Jood geworden. Wat betekende dat voor hun prediking? Green noemt de volgende momenten:1. Zij hebben er de nadruk op gelegd dat de beloften van God aan Israël gedaan vervuld zijn. 2. Het beroep op de Schrift nam een grote plaats in (vgl. Hand. 17 : 2, 3). 3. De getuigenissen inzake de Messias kregen sterke nadruk. De twee grote geschilpunten waren immers de Messianiteit van Jezus en de vervulling van de Wet. Green laat zien hoe de vroege kerk in het conflict met synagoge de toon die Paulus in Romeinen 11 aanslaat, niet heeft vastgehouden. Integendeel, het conflict liep uit op een breuk.
En hoe was het gesteld met de verkondiging onder de heidenen, zoals die van uit Antiochië een aanvang nam (Hand. 11 en 13)? 'Zodra het christelijk geloof wortel schoot in hellenistische bodem was een enorme vertaalaktie noodzakelijk. Niet alleen woorden, maar ook ideeën moesten anders ingekleed worden. Zonder deze 'vertaling' zou de boodschap misschien gehoord worden, maar niet begrepen' (blz. 130). Maar vertalen kan licht verraden worden.
De eerste christenen hebben gepoogd in de leefwereld en de situatie van hun hoorders in te komen en daarom op verschillende elementen nadruk gelegd, al naar gelang de nood van hun toehoorders hier aanleiding toe gaf, Zij hebben de boodschap van Gods Koninkrijk vertolkt in een wereld, bezeten door npodlotsgeloof, astrologie, demonengeloof en bezweringspraktijken; onder geletterden en eenvoudigen.
Maar ze hebben hun boodschap niet of op verkeerde wijze aangepast. Driefaktoren kregen altijd een plaats: een aanval op de afgoderij, de prediking van de ene ware God en de oproep tot bekering en een nieuwe levenswandel.
In hoeverre is de na-apostolische kerk trouw gebleven aan het Evangelie? vraagt de auteur op blz. 150. Anders gezegd: Als we bedenken dat Tertullianus eens gezegd heeft: 'Wat heeft Athene gemeen met Jeruzalem? '-, zijn er dan ook situaties waarin Jeruzalem door Athene verslonden werd? Harnack was van oordeel dat in de kerk van de tweede eeuw het Evangelie verregaand vergriekst was, en men ei genlijk een slechte synthese te zien gaf tussen Evangelie en eigentijds denken.
Green oordeelt veel genuanceerder. Hij laat zien hóe er ook in de geschriften van auteurs uit de na-apostolische tijd veel is wat een zuivere vertolking betekent van het bijbelse Evangelie. Ontroerend is de toewijding aan Christus, de blijdschap van het geloof, de ernst van de nieuwe levenswandel.
Maar tegelijk is Green niet blind voor de gevaren die de overbrenging van het Evangelie naar een heidense gedachtenwereld met zich meebrengt. Moralisme en sacramentalisme, verslapping en verwettelijking zijn stellig aan te wijzen.
Toch, zo stelt de schrijver terecht vast, ieder die zich waagt met het Evangelie op de markt van het leven, buiten de poorten van de kerk, staat voor dit risico van de vertaling. Het Evangelie is wereldwijd. Daarmee heeft de kerk van de eerste eeuwen ernst willen maken. En ze hebben met vallen en opstaan het waagstuk van het getuigen ter hand genomen. Dat blijft in elke eeuw een waagstuk. Het vraagt veel geloof, een zeer ootmoedig luisteren naar de Schrift. Het zal altijd weer in vrees en beven móeten gebeuren, biddend om de leiding van Gods Geest om de Schriften te mogen verstaan.
De kerk van de eerste eeuwen is op de uitdaging van de wereld van toen ingegaan, en om het Evangelie te vertalen in de gedachtenwereld van de mens van toen. Christus is immers in het vlees gekomen. Daarom kunnen christenen van die vertaalarbeid niet afzien. Nogmaals, Green weet van de risico's en hij laat zien, waar het mis gegaan is. Maar hij neemt tegelijk deze getuigen in bescherming. 'Het is al te gemakkelijk voor ons om achteraf hun ethiek en hun christologie te bekritiseren en hun onmacht om het juiste evenwicht te bewaren tussen aanpassing en conservatisrne.' En dan komt een zeer belangrijke zin, die ons allen veel te zeggen moet hebben: 'We zouden graag willen dat de kerk van onze tijd half zo goed hierin slaagde en iets kon laten zien van de moed, de toewijding, het centraal stellen van Christus, en de bereidwilligheid om zich aan te passen die deze mannen en vrouwen uit de eerste eeuwen aan de dag legden'. Over die geloofsmoed en zendingsijver wil ik graag in een derde artikel nog iets schrijven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 mei 1980
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 mei 1980
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's