Het vuur van Pinksteren
De komst van de Heilige Geest gaat met een aantal tekenen gepaard. Lucas acht ze van zo groot belang, dat hij vóór de vermelding van het groot gebeuren van de vervulling met de Heilige Geest, eerst van deze tekenen een eigensoortige beschrijving geeft. Dat geeft vooraf reden tot peinzen en vragen. De Heilige Geest komt onder het symbool van tekenen, maar waarom was dat bij de vleeswording niet het geval?
De komst van de Heilige Geest gaat met een aantal tekenen gepaard. Lucas acht ze van zo groot belang, dat hij vóór de vermelding van het groot gebeuren van de vervulling met de Heilige Geest, eerst van deze tekenen een eigensoortige beschrijving geeft. Dat geeft vooraf reden tot peinzen en vragen. De Heilige Geest komt onder het symbool van tekenen, maar waarom was dat bij de vleeswording niet het geval? Bij de komst van Christus in het vlees gaat alles voor het uiterlijk zijn natuurlijke gang. Wij bemerken daar niets van een wonderteken. Het blijft alles aards en menselijk. De moeder brengt haar zoon voort. Zij wikkelt hem in doeken. Het kind komt in de kribbe te liggen. Geen stem van boven als later bij de doop in de Jordaan. Geen schijnsel van de heerlijkheid des Heeren als straks in het veld van Bethlehem.
Maar hier gaat het teken voorop, wordt het althans eerst genoemd. En er geschiedde haastiglijk uit de hemel een geluid als van een geweldige, gedreven wind, en vervulde het gehele huis waar zij zaten; en van hen werden gezien verdeelde tongen als van vuur en het zette zich op een iegelijk van hen. Een dubbel teken: wind en vlam, twee eigenaardige elementen, die in bijzondere omstandigheden zich tot één actie van glorieuze kracht verenigen. Er is over beide tekenen zeer veel te peinzen. Daarom laten wij ditmaal het teken van de wind terzijde, om alleen na te denken over het teken van het vuur. Let er dan wel op dat er eigenlijk staat 'tongen als van vuur'. De hemelse kracht verschijnt in de gedaante van het natuurlijke. Daarom zijn deze tekenen alleen door geestelijke organen waargenomen. Niemand anders, dan zij die door de Geest bekwaamd waren, hebben het geluid gehoord en het vuur gezien. Dit teken van vuur is hulpmiddel tot openbaring. Het duidt het onuitsprekelijke aan. Daar waar woorden tekort schieten, verricht het teken zijn stille dienst. Het teken duidt dus immer méér aan, dan het eenvoudige van de stof waarin het is gekleed. Het teken maakt wel gebruik van aardse zinnebeelden, maar stijgt er toch onmiddellijk bovenuit. Vandaar tongen als van vuur. Het teken gaat in het vuur niet onder. Het weerspiegelt van verre; de goddelijke werkelijkheid is méér. Wind en vuur op Pinksteren komen uit een andere bron dan de natuur; blijven geïsoleerd van de natuur. In het teken van het vuur openbaart zich de werking van de Heilige Geest in de kerk. Het vuur dient de onderwijzing van de Heere.
Het vuur, dat op het altaar en op de kandelaar brandde leerde Israël duidelijker dan ooit de louterende kracht van de Geest. Wind en vuur betekenen vermenigvuldiging, volheid van kracht. Wanneer de storm zijn kracht verleent aan de vlam, wordt het vuur almachtig. Steden, wouden en prairiën gaan op in zijn gloed. Nog altijd gaat door ons een huivering van ontzetting wanneer wij een huis of een gebouw zien branden. Vuur is overmacht, gloed, vernietiging, ja ook majesteit over datgene wat kan branden.
Ik behoef u niet te herinneren aan het feit hoe dikwijls 'vuur' wordt aangehaald beide in het Oude en in het Nieuwe Testament. Johannes de Doper stelt zijn eigen doop heel duidelijk tegenover die van de Heilige Geest. Ik doop u wel met water, deze doop heeft een koude dode uitwerking; op zijn best is het een doop van boetvaardigheid en berouw. Maar daartegenover hebt u de verkwikkende kracht van de doop door Hem, die hem volgen zou. Ik doop u wel met water; maar Hij komt, die sterker is dan ik, wie ik niet waardig ben de riem van zijn schoenen te ontbinden; Deze zal u dopen met de Heilige Geest en met vuur. De twee woorden bedoelen slechts één zaak: het vuur is de aanduiding van de Heilige Geest.
Ook zult u zich herinneren hoe onze Heere dezelfde beeldspraak gebruikt, wanneer Hij spreekt over Zijn komst om vuur op de aarde te brengen. Ik ben gekomen, om vuur op de aarde te werpen; en wat wil ik, indien het airede ontstoken is? Het vuur is in dit verband een symbool van een snelle, triomfantelijke energie, die ons zal transformeren van matheid in woedende kracht. Aan dat symbool zitten twee kanten: één destructief en één creatief; één vol van wraak, en één vol van liefde. Daar is het vuur van de liefde en daar is ook het vuur van de toorn. Daar is het vuur van de zonneschijn, die voorwaarde is van alle leven; maar daar is niet minder het vuur van de bliksem, die verbrandt en verteert. Het symbool van het vuur wordt juist gekozen om het werk van de Heilige Geest weer te geven omreden van zijn meeslepende, triomfantelijke, veranderende kracht. Want - wanneer dit vuur van God u aanraakt zal het al uw kilheid aantasten; zal het u doen gloeien van enthousiasme. Het zet uw verstandelijke overtuigingen in vuur. Het maakt uw geloofsbelijdenis een levende macht in uw leven en ontsteekt binnenin u een vlam van oprechte toewijding. Hetzelfde idee wordt uitgedrukt door algemeen gangbare uitdrukkingen in iedere taal. Wij spreken toch van de gloed van de liefde, de warmte van toegenegenheid, de gloed van enthousiasme, het vuur van de emotie, maar ook van de kilheid van de onverschilligheid. Christenen moeten in vuur worden gezet door God. Ze moeten door Hem aangestoken worden. Als de Geest in ons woont, maakt Hij ons zeker even vurig als Hijzelf is. Wij hebben al veel te veel koude christenen, die nergens zo bang voor zijn als om in brand te worden gestoken voor 's Heeren heilige zaak. Vele levens vertonen voortdurend een angstig gevecht om nergens in vlam voor te geraken. Verzadigd van genot, verzadigd van bezit, verzadigd van 's levensgang - maar doodsbenauwd om te worden in beslag genomen voor de Heere.
Ja, ik geloof dat één van de grootste behoeften van de christelijke kerk in ons geslacht, ja van de gemeente van de plaats van onze inwoning is: meer vuur uit God; meer te worden bediend door het vuur van Gods heilige Geest. Er drijven op de zee van het leven al zo ontzaglijk veel ijsbergen rond. Vergeleken met wat wij behoren te zijn gelijken wij zo alleszins op klompen onaandoenlijk ijs. Zie daartoe op uzelf; maar ziet daartoe nu eens niet op uw broeders. Al te zeer is de kerk voortdurend bezig met zelfbeschouwing om nog van nut te zijn voor anderen om ons heen. Het zal daarom goed zijn ons gewillig te schikken in de loutering van de Heere onze God. Want juist die reinigende arbeid van de Geest der genade maakt ons schoon en gereed om de wil des Heeren te doen. Het vuil van binnen kunt u er niet uitwassen met het middel van een morele inspanning, evenmin door de weg van een goed voornemen. Het komt alles aan op de indringende werking van de Heilige Geest. Twee machten maken wij overwinnaar op de zonde. De eerste is het bloed van Christus, dat mij wast van alle schuld van het verleden. De tweede is de indringende invloed van de goddelijke Geest, die mij - reinigt voor de toekomst. Wie nu de levenservaring des geloofs raadpleegt, zal bemerken dat die loutering een oordeel is weliswaar. Maar daarom toch niet een oordeel voor ieder zichtbaar en speurbaar. Neen, wanneer Gods oordeel gaat heersen, geschiedt zulks maar al te vaak in de stilte. Het vuur van Gods geest is niet een vuurzee - veeleer een lekkende tong, die een balk van hout dan ook helemaal verteert. U kunt het zien wanneer een huis in de brand heeft gestaan. Het staketsel van de woning staat nog overeind. Diep onder de asgloed smeult het vuur nog voort. En zie - dat smeulende vuur verpulvert het hout tot poeder.
Welnu - de oordelende kracht van Gods geest maakt u volstrekt niet altijd ten aanschouwe van de gehele wereld te schande, hoewel dit ook meermalen gebeurt. Hij doet het ook vaak in het verborgene van het geweten. Daar verhieven wij ons in heimelijke trots op ons inzicht in het Woord van God en . . . daar legt de Heere opeens de bedekkende hand op het Woord, zodat wij er geen troost meer uit putten. Daar zweiden wij van'zelfingenomenheid op ... en er kwamen wolken van donkerheid. Er is ons geen gebed meer mogelijk. De Heere toont ons nieuw de zwakheid van ons hart. Wij zien ons daar opeens staan in het diepe bederf van ons hart. De Heere stelt ons vooreen verzoeking, waarin wij óf innerlijk óf soms ook naar het uitwendige leven bezwijken en wij krimpen inéén aan diep berouw. Door deze beschamende vernederingen wil de Heere ons leren, dat ware genade klein maakt.
De Geest der uitbranding brandt weg al wat weg moet. Geloof ons, dit stille oordeel van God, aan de hand van het Woord, werkt onpeilbaar diep. Het begint doorgaans aan de een of andere kleinigheid in uw leven. Scherp doet de Heere u de wortel van het kwaad zien. Maar daarbij blijft het niet. Zoals een klein gat oorzaak kan zijn van een dijkdoorbraak, zo vloeit het water van Gods oordeel over uw dorre dode leven heen. Eerst klein en zwak, maar dan hoe langer hoe meer. Het vuur brandt hoog en fel, maar het smeult ook niet minder. En dan wordt het uwe al maar geringer, al maar teerder. U verliest uw aanspraak, uw recht. U gaat buigen. Ziedaar, dan heeft het vuur zijn doel met u volkomen bereikt!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 mei 1980
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 mei 1980
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's