Vruchtbaarheid: Goddelijke orde en menselijke wanorde (2)
Vanuit de huisartsenpraktijk
Ter illustratie van de manier waarop de borstvoeding haar betekenis in verschillende cultuursituaties snel aan het verliezen is, beschrijft hij vervolgens hoe het de Kung San vrouwen vóór en na vestiging in landbouwnederzettingen is vergaan:
Ter illustratie van de manier waarop de borstvoeding haar betekenis in verschillende cultuursituaties snel aan het verliezen is, beschrijft hij vervolgens hoe het de Kung San vrouwen vóór en na vestiging in landbouwnederzettingen is vergaan:
'Alle faktoren welke het effekt van borstvoeding als middel tot spreiding van geboorten verhogen, lijken bij de Kung San moeders werkzaam te zijn. Zij zijn gewend hun kind opzij te dragen, hun borsten zijn onbedekt. De moederborst is dus op elk willekeurig moment beschikbaar voor het kind om honger te stillen, dorst te lessen en verdriet te verdrijven. Zij beschikken niet over zachte voeding voor hun kinderen en gaan wel door met borstvoeding tot hun kind vier of vijf of zelfs zes jaar oud is of tot de volgende zwangerschap. Hun natuurlijke leefklimaat brengt tenslotte vaak extreme hitte met zich mee.
In een versneld tempo hebben de meeste Kung mensen zich in landbouwnederzettingen gevestigd. Dit bracht grote veranderingen teweeg in hun voedingsgewoonten. Zij gingen over op een voeding rijk aan graan en koemelk. Voor de moeders ontstond de mogelijkheid om hun kinderen veel eerder te spenen, waarvan zij ook gebruik gingen maken. Het tijdsverloop tussen opeenvolgende zwangerschappen daalde hierna met 30 procent. Behalve de korter durende zoogperiode zou bij 'deze verhoogde vruchtbaarheid mogelijk ook de toegenomen hoeveelheid lichaamsvet een rol kunnen spelen.'
Aansluitend beschrijft hij ook onderzoekingen bij de Rwanda-vrouwen in Nigeria en de Eskimo's in Canada, waar het invoeren van de 'westerse' flesvoeding de eerstvolgende bevruchting na een bevalling van gemiddeld 2-3 jaar vervroegde naar 2-3 maanden. Blijkbaar, zo merkt Croughs op, waren ze door de reklame voor kunstvoeding eerder bereikt dan door de reklame voor de pil.
Uiteindelijk komt hij bij de westerse vrouwen:
'Bezien wij tenslotte in hoeverre borstvoeding in de modern-westerse leefsituatie nog invloed uitoefent op de vruchtbaarheid. Bij niet zogende vrouwen stelde men vast dat de eerste ongesteldheid gemiddeld na ongeveer twee maanden kwam. Dat betekent dat ongeveer 14 dagen tevoren vermoedelijk voor het eerst weer een eisprong had plaatsgevonden met de daarmee gepaard gaande mogelijkheid tot bevruchting rond dat tijdstip. Bij vrouwen die gedurende 10-11 maanden borstvoeding gaven, kwam de eerste ongesteldheid gemiddeld na zes maanden. De remmende werking van borstvoeding op de vruchtbaarheid lijkt dus in onze westerse situatie niet groot meer. Toch zijn er aanwijzingen dat borstvoeding ook in onze weldoorvoede westerse samenleving weer een grotere betekenis zou kunnen krijgen voor een meer harmonische spreiding van geboorten. Bij een groep Amerikaanse vrouwen die zich verenigd hebben in 'La leche legue', een vereniging tot stimulering van borstvoeding op natuurlijke wijze, kwam de eerste ongesteldheid gemiddeld ruim 14 maanden na de bevalling.'
Dr. Croughs moedigt deze laatste ontwikkelingen aan en zou graag zien dat artsen en ouders meer oog kregen voor de grote waarde van de borstvoeding, medisch, psychologisch, maar ook t.a.v. de geboortespreiding. In hoofdstuk XI (ieder leze dit boek zelf, de laatste hoofdstukken kunnen ook apart gelezen worden!) komt hij daarop terug, als hij over 'De broers en zusters' spreekt:
'Als ouders geen enkele poging doen om de geboorte van hun kinderen te spreiden, treedt er tegenwoordig veel vaker dan vroeger een te gering leeftijdsverschil tussen opeenvolgende kinderen op. Bevolkingsgegevens uit de vorige eeuw laten zien dat het leeftijdsverschil tussen opeenvolgende kinderen niet vaak kleiner dan twee jaar was. De wijze van borstvoeding die toen nog gebruikelijk was, speelt hierbij de grootste rol. Maar mogelijk hebben ook andere faktoren, zoals de voedingstoestand van de moeder, invloed uitgeoefend. Als de moeder haar kind niet zoogt en het echtpaar niets doet om de geboorte van een volgend kind uit te stellen, is een leeftijdsverschil van amper twee jaar tussen een eerste en derde kind tegenwoordig niet zeldzaam. Enige malen maakte ik zelf mee dat het tweede kind in zo'n situatie in sterkere mate tekortkwam. In hoofdst. VI zagen wij dat het niet gemakkelijk is voor ouders om zich ongeveer gelijktijdig aan twee kinderen te hechten. Als een tweede kind kort na het eerste geboren wordt, zou het soms wel eens kunnen zijn dat de ouders nog te vol zijn van hun eerste om zich onmiddellijk al helemaal op de tweede in te stellen. Maar dat wordt wel ingehaald. Komt nog in die inhaalperiode een derde kind echter de volle aandacht opeisen, dat zou dit in sommige gevallen een blijvend tekort voor de tweede met zich mee kunnen brengen.
Voor de kinderen zelf betekent een heel gering leeftijdsverschil op zijn best dat het gezworen kameraden worden. Vooral bij meisjes heb ik dat meermalen meegemaakt. Het kan echter ook uitlopen op een blijvende wedijver waarbij de jongste het soms zwaar te verduren kan krijgen. Dikwijls is de jongste immers in alles net de mindere. Verrassende dingen worden in het zeer waardevolle boek van ds. Croughs gezegd. Het zijn de voedingsgewoonten van moeder (samenhangend met het hoge welvaartspeil) en kind (flesvoeding of te schematische borstvoeding) die de westerse vruchtbaarheid tot een overproduktie hebben opgejaagd. Dus niet zozeer de sterk gedaalde zuigelingensterfte, zoals vaak gesuggereerd wordt. Natuurlijk, waar er veel sterven, blijven er minder over. Maar in dit verband kunnen we ook zeggen dat een in leven blijvende zuigeling ook de borstvoeding in stand houdt en zodoende de komst van de volgende boreling vertraagt. Sterft een zuigeling, dan is het ook afgelopen met de borstvoeding en is zogezegd de weg vrij voor de volgende. Het is maar hoe je het bekijkt.
Intussen zitten we in het schuitje, en we moeten varen. Het zijn natuurlijke mooie verhalen, die ik nu verteld en geciteerd heb, maar wat hebben we eraan? We leven nu éénmaal in deze westerse cultuur, en daar kun je je niet aan onttrekken.
De vrouw met haar man en drie kinderen, die in het begin de vraag stelde, woont nog steeds in haar flatje. En dan is het natuurlijk wel interessant als ik van haar flatje bij de natuurvolken terecht kom, maar intussen weet ze nog niet of het nu egoïstisch is, als ze van verdere gezinsuitbreiding afziet.
Laat ik haar proberen eerlijk te antwoorden: Zoals de zaken er nu voorstaan, kan ik dat niet egoïstisch vinden. Maar door de vraag heen, hoor ik de verzuchting 'ik wil wel, maar het systeem deugt niet'. Dat heb ik nader uitgewerkt. Achter elke vraag ligt, meestal een andere diepgaander vraag. Eén vraag kan een symptoom van een complexe problematiek zijn. Die flat, die drie kinderen. Zou er voor die flat nooit iets anders kunnen komen? Binnen hoeveel jaar zijn die kinderen geboren in de bestaande situatie? Hoeveel is hier niet bepaald door menselijke structuren. Het bovenstaande stemt in deze tot nadenken. Daarom is een tijdelijke kunstgreep in dit geval wellicht noodzakelijk, maar om in deze situatie definitief af te zien van gezinsuitbreiding lijkt me veel te ver gaan. Het 'systeem' zou best nog eens kunnen veranderen.
Men is uiteindelijk in de woningbouw ook van de hoogbouw naar de laagbouw overgestapt. Ook op vele andere terreinen ziet men de mensen teruggaan 'naar de natuur'. De reformwinkels en de natuurgeneeswijzen zijn erg in trek.
Toch ziet het er niet naar uit, dat ook de medici op het gebied van de menselijke voortplanting bereid zullen zijn, de 'terug-naar-de-natuur' trend te volgen. Op ander gebied binnen de medische praktijk moge dat dan erg 'in' zijn (yoga i.p.v. kalmerende middelen, dieet-'therapieën' tegen velerlei kwalen enz.), de anticonceptieve adviezen zullen niet snel in de richting van de natuurlijke methoden gaan. Op puur medische gronden zou er eigenlijk geen andere weg zijn. Als de pil op dit moment voor het eerst geïntroduceerd zou moeten worden, valt het ernstig te betwijfelen of die door de officiële instanties nog wel geregistreerd zou worden. Maar net zo min als het aspirientje uit de drogist te bannen is, zo zal het ook nooit meer lukken om de pil een beperkter plaats te geven in de medische voorschriften. Andere factoren dan medische spelen hier een rol, van politieke tot individuele aard.
Het varieert van het 'greep willen houden op de bevolkingsgroei' tot het 'baas in eigen buik willen zijn'. Ook hier komen weer zoveel structuren om de hoek kijken, dat de zaak vast lijkt te zitten. De weg terug lijkt afgesneden. Ligt hier dan misschien een taak voor de christen-artsen? Om op een totaal andere wijze om te gaan met Gods Schepping. Om de vinger op de zere plek te leggen bij de huidige ontwikkelingen. Om de wetenschap te bedrijven binnen de grenzen van Gods Woord en naar de regels die mede dankzij de medische kennis, ontdekt zijn in de Schepping. Beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald. Wie God verlaat, heeft smart op smart te vrezen.
Wie wetenschap bedrijft en toepast zonder God, heeft lapmiddel op lapmiddel te vrezen. Daar wil ik de volgende keer nader op ingaan.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 mei 1980
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 mei 1980
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's