‘Gereformeerde prediking in onze tijd’
'Zoals er in ons land vele kerken, gemeenten, verenigingen en bewegingen zijn, die zich, al of niet met een toevoeging als: oud, christelijk, nederlands, hervormd, vrijgemaakt of synodaal, gereformeerd noemen, zo zijn er ook velepreekwijzen, die zich met de naam ' 'gereformeerd'' tooien.'
'Zoals er in ons land vele kerken, gemeenten, verenigingen en bewegingen zijn, die zich, al of niet met een toevoeging als: oud, christelijk, nederlands, hervormd, vrijgemaakt of synodaal, gereformeerd noemen, zo zijn er ook velepreekwijzen, die zich met de naam ' 'gereformeerd'' tooien.'
Op deze wijze begint prof. dr. H. Jonker een pas verschenen, 44 pagina's-tellend geschrift, getiteld 'Gereformeerde prediking in onze tijd'. Hij voegt eraan toe dat het, gezien die vele preekwijzen, onmogelijk is een analyse en een karakteristiek van dé gereformeerde prediking te geven. Ondanks echter ook in de gereformeerde traditie voorkomende 'uitglijdingen, verstarringen, vervloeiingen', zijn er toch in deze traditie elementen, die van blijvende betekenis zijn voor de prediking, zoals 'het diepe respect voor de Heilige Schrift als het Woord Gods' met 'de eerbied voor de dynamische macht van het Woord als middel van het heilsgebeuren' en daarbij 'de verwachting van de applicatieve (toepassende) arbeid van de Heilige Geest'.
We hebben enige tijd geleden een uitgebreide serie artikelen in ons blad geplaatst over verschillende aspecten van de (gereformeerde) prediking, die later gebundeld zijn in het boekje Op de hoogte van de heilsfeiten. Het onderhavige boekje van prof. Jonker heeft echter een geheel eigen invalshoek en is méér dan waard om gelezen te worden. In kort bestek geven we er in het hiervolgende enkele hoofdlijnen van weer.
'Ik-tijdperk'
Prof. Jonker begint met een korte typering van de eigen tijd en sluit daarbij aan op een artikel in de Haagse Post van 22 december 1979, waarin onze tijd wordt getypeerd als het 'Ik-tijdperk' .
De zelfverloochening, die de dominees hadden gepreekt - zo werd daar gezegd - raakte in onbruik. 'Je moest jezelf juist verwennen. En toen de moderne mens al het speelgoed had, dat hij zich wensen kon, ging hij op zoek naar zichzelf: in therapie, in relaties, in zelfbespiegeling.' Woorden als: trouw, loyaliteit, inschikkelijkheid en geduld zijn ouderwets geworden. Woorden als: zelfstandig zijn, jezelf zijn, bewustwording, voor, jezelf opkomen zijn de gebruikelijke woorden geworden. Wat een nood en leegheid heeft intussen deze zelfcultivatie opgeleverd, zegt Jonker. Dan typeert hij het Ik-tijdperk heel raak als volgt (men lette op de hoofdletters!):
'Kortom: het ik, ongeëvenaard en alom geprezen, wordt nu voortaan geschreven als Ik.
En waar het ik Ik wordt - het is een wet van meden en perzen! - wordt God een god naar 't beeld van Ik.
En tóch preken
Om nu, met de woorden van het boek, waarin prof. Jonker zeer uitvoerig over de prediking handelt, te spreken: ook voor het Ik-tijdperk geldt: en toch preken.
' Wij preken omdat we diep overtuigd zijn dat God ook spreekt in deze, onze tijd. Wij preken omdat wij weten dat God spreekt door de Heilige Schriften. Wij preken omdat wij geloven dat God via de Schriften spreekt in de prediking.'
De God, die doet prediken en die derhalve gepredikt moet wórden - aldus prof. Jonker - is niet een god van de natuurlijke godskennis, met machtige toekomstdromen, voortkomend uit een optimistisch vooruitgangsgeloof in wetenschap en techniek; die theorie werd namelijk aan de Somme en bij Verdun in flarden geschoten en zij verstikte in de gaskamers van Auschwitz. Maar het is dié God, die 'in Jezus Christus in de duisternis van onze geschiedenis is ingegaan'. Het is die God, 'die ons door Zijn wet ter verantwoording roept en die in Christus aan het Kruis van Golgotha neerdaalde in het falen van onze verantwoordelijkheid'. Het is de God, 'die meegegaan is tot in het diepste van onze val'. 'Op het punt van onze totale berooidheid en ons totale verval treffen wij God in Jezus Christus aan.'
Mèt de Heidelberger verbindt Jonker de vraag naar God met 's mensen ellende. 'Het Godsvraagstuk is verbonden met 's mensen problematiek. Vanuit onze 'ellende' wordt God een Hij, die ons problematisch mens-zijn der ellende ernstig neemt door de Wet - waaruit kent gij uw ellende? - en die in dit problematisch mens-zijn der ellende door Zijn Zoon is binnengetreden: Wet en Evangelie. Een andere God kennen wij niet, een andere God prediken wij niet. En deze God doet ons preken.'
Geloof der gemeente
Zó preken sluit aan bij wat Jonker noemt het geloof der gemeente'. Ik kan niet laten hierbij geheel door te geven wat hij optekende van een beroemde Nederlandse organist, die een brief schreef aan een prediker, die 'in een diepe depressieve toestand' verkeerde:
'Je beide briefkaarten ontvangen en ik merk dat ons beider innerlijk gevoelsleven veel met elkaar gemeen hebben. Je verkeert in een depressieve toestand, een toestand die ik zelf maar al te goed ken. Jongen, geloof me, mijn leven is evenmin gemakkelijk, maar ik probeer altijd - zoveel als ik kan opbrengen - het tegenover anderen te verbergen. Kerel, ik wéét en besef wel degelijk mijn enorme talenten in de muziek, maar ben er evenzo van doordrongen die talenten te hebben verkregen om een boodschap aan de mensheid te mogen brengen. En of ik nu soms erg moe ben en tegelijkertijd vaak depressief, die boodschap in muziek móet ik brengen. Dat ben ik verplicht aan mijn Schepper en dat voel ik door alle tragiek van het leven heen. Ik wéét, dat daarom mijn arbeid wordt gezegend. Ze kunnen in mijn naaste omgeving spotten met God, maar op m'n geloof heeft dat geen enkele invloed. Toch ben ik beslist geen vrome jongen, maar wel betrek ik God in mijn arbeid en in mijn muziek. Deed ik dat niet of kon ik dat niet, m'n spel zou geen enkele inhoud of waarde meer hebben. Als ik zo'n Psalm 138 begin dan klinkt in m'n binnenste allereerst 'Als ik omringd door tegenspoed...' en daar kom ik meestal niet zo gauw uit los en tenslotte dondert het dan uit het orgel: 'kZal met mijn ganse hart...'
Jongen, maar zó (!!) kun jij het Woord prediken en je weet zelf maar al te goed dat God je op die preekstoel heeft geplaatst om je geloof aan al die mensen over te brengen. Maak jezelf niet wijs dat je geloof misschien zou wankelen. De anti-christ is hard bezig op deze wereld en zal ook proberen greep op jou te krijgen. Als jij niet bezeten was van de boodschap die God je laat brengen en als jijzelf niet geloofde in jouw en mijn God, je zou nooit en te nimmer zo kunnen preken, zoals God de woorden in je mond legt. Depressief of niet, je kent het lied:
'In alle stormen, in alle nood zal Hij (ook) jou beschermen. Hij, goed en groot'!'
In deze tijd, - zegt Jonker-waarin 'het Ere zij God steeds minder gezongen wordt' en waarvan het eind is 'God is dood' en derhalve 'ere zij de mens', zal God ook nu moeten worden gepredikt als 'een zeer overvloedige fontein aller goeden', (art. 1 N.G.B.)
Ook in déze tijd spreekt God. En Zijn spreken veronderstelt zijn 'eeuwige gedachten'. Hij hoort ook nu 'naar de stem van Zijn ellendigen'. Hij hoort ook 'de woordenkraam en kletspraat van ons mensen, maar met een afgewend gezicht'. Maar wie 'tot zichzelf komt' (Lukas 15 : 17) wordt door de Vader al 'van verre gezien' en 'met ontferming aangehoord' (Lukas 15 : 20, 22).
Wat prediking niet is
Het is door alles heen duidelijk hoe prof. Jonker achter de prediking ziet staan de sprekende God. In dat verband zegt hij ook zeer fijnzinnig en tegelijkertijd evenwichtig wat prediking niet is:
'De prediking is geen lezing of uiteenzetting van eigen theologische inzichten, politieke beschouwingen en geloofsbelevenissen, die vrijblijvend al of niet aanvaard kunnen worden — al zal de prediking niet buiten het eigen inzicht, overtuiging en geloofsleven van de prediker kunnen plaatsvinden: ook daarover later. De prediking is geen vrije profetie, geen evangelisatietoespraak, geen stichtelijk woord - al hebben deze legale randvormen van de dienst des Woords hun eigen betekenis en is ook de Woorddienst gericht, appelerend gericht op de wereld en de geestelijke opbouw van de gemeente. De prediking is niet maar een ethische vermaning of oproep tot aktie - al is ze wel gericht op de heiliging van het leven in maatschappij en samenleving. Ze is ook niet een expressie van mystieke ontboezemingen der religieuze grondgevoelens rondom de Godsvraag - al komt de mens-God verhouding met de vragen daaromtrent zeker ter sprake in de prediking. Zij is ook geen aesthetische voordracht - al moet op de schoonheid van taal en stijl gelet worden, want de God der prediking is de God van de majesteitelijke schoonheid van natuur en schriftuur. Zelfs is de prediking geen leerrede of theologisch college — al worden dogma en theologie in de prediking voorondersteld en is theologische opleiding tot het predikambt geboden.
De prediker is geen zedenmeester, geen voordrachtskunstenaar, geen welsprekend orator, geen politiek agitator of maatschappijvernieuwer, al heeft zijn woord maatschappijvernieuwende aspekten van het Rijk Gods. Hij mag zelfs in eerste instantie niet gezien worden als een theologisch docent of een theologisch deskundige, theologische vorming is een weg tot het predikambt. In eerste instantie, d.w.z. zoals gemeente en wereld hem behoren te zien, is hij niet meer en niet minder dan dienaar van het Woord Gods, een gezondene door wie het Gade belieft tot de gemeente en de wereld te spreken.'
Wat geen oog heeft gezien, ..
In de prediking gaat het, zegt prof. Jonker, om dingen 'die geen oog heeft gezien, geen oor heeft gehoord en in geen menselijk hart zijn opgekomen'. Het gaat om proclamatie van zaken, die de gereformeerde prediking dierbaar zijn als: de verkiezende God, de rechtvaardiging van de goddeloze, de ontdekking van 's mensen zonde en schuld, de verzoening door het bloed van Christus, de bevrijding van 's mensen bestaan, de verwachting van het komende Rijk e.m.
Die proclamatie is weliswaar voor de natuurlijke mens ergernisgevend maar wordt als heil ervaren en beleden als een mens tot zichzelf komt langs de weg der door de Geest bewerkte zelfontdekking.
Voor dié proclamatie is er geen aanknopingspunt in de mens maar er is wel sprake 'van een inspreken in de gedachtenwereld van de aangesproken mens', want het snijdt in in het menselijk vlees en 'werpt het anker in de bodem van de menselijke ziel'; óók in diens concrete mens-zijn.
Wat dit laatste betreft, het concrete mens zijn, waarschuwt Jonker ook voor een (s)preken over de mens, geheel los van diens situatie. Hij haalt op hoe hij in zijn jeugd veelvuldig een predikant hoorde preken, die wel over de mens sprak maar niet zag de mensen, die vóór hem zaten (in hun werkloosheidssituatie bijvoorbeeld).
Hij zegt echter ook, dat niet alleen van 'de zondige mens' een idéé kan worden gemaakt maar ook van de genade: 'verschraalde genade zonder diepte en rijkdom, een vanzelfsprekenheid' ('billige Gnade' - goedkope genade). Hij pleit in dit verband voor de confessie, die ons ervoor bewaart 'om zich zonder de verbanden lichtvaardig op wat teksten uit de Heilige Schrift te beroepen'; maar hij waarschuwt tegelijkertijd voor verdogmatiserende prediking: 'hoe vaak zijn teksten, waarvan de diepte door exegese aan het licht had moeten komen, niet door dogmatische betweterigheid stom gemaakt. Hoe vaak is de prediking door abstrakte dogmatische termen niet aan de gemeente voorbijgegaan omdat de glorie van het de-mens-overwinnende-Woord Gods teloor ging'. Zelfs de bevinding kan tot idee worden gemaakt, namelijk als ze niet meer is 'een verwerkelijking' van de waarheid Gods door Woord en Geest in het concrete leven van de mens, dus een oefening in orthognosie (rechte Godskennis).' Woorden om ter harte te nemen.
Rechte voren
Aan het eind van zijn geschrift neemt prof. Jonker ons nog even mee naar 1 Tim. 2, waarin Paulus tot zijn leerling spreekt over het 'trekken van rechte voren' bij het 'brengen van het woord der waarheid'. Paulus laat daarbij geen onduidelijkheid bestaan wat de kern van die boodschap moet zijn, namelijk het gedenken, dat Jezus Christus uit de doden is opgewekt! Het gaat daarbij voor de mens om de verlossing van de toekomende toorn. Calvijn zegt daarover, zo citeert Jonker:
'Dit is het einde der zaligheid, wat wij in Christus verwerven, want onze zaligheid is Gode te leven, die zaligheid begint met onze wedergeboorte en is vervuld als wij ganselijk ontbonden worden en God ons in zijn rijk vergadert, ons verlossende van de ellende van dit sterfelijk leven. Bij deze zaligheid komt nog de genieting der hemelse ja ook der goddelijke glorie.'
Juist ook in onze tijd gaat het om het trekken van rechte sporen in de prediking. In dat verband sluit Jonker af met een sterke waarschuwing tegen een verhorizontalisering van het evangelie. Hij keert zich daarin met name tegen een artikel, dat de gereformeerde predikant ds. H(ans) Bouma in het dagblad Trouw schreef. Daarin wordt b.v. gezegd, dat veel meer dan vroeger de kerk verkondigt en viert en belijdt de bijbelse boodschap als een boodschap voor déze aarde en voor dit leven: 'het accent valt niet meer op de hemel en het hiernamaals maar op het uitdagende van de door God geschapen werkelijkheid'. Jonker wijst er dan op, dat het gaat om de prediking van het koninkrijk Gods en dat is het 'koninkrijk der hemelen' en nooit 'het koninkrijk der aarde'. Treffend zegt hij, dat de Bergrede, die vaak een louter aardse gerichtheid krijgt in allerlei theologie en prediking van vandaag, begint met het 'koninkrijk der hemelen' (zalig de armen van geest want hunner is het koninkrijk der hemelen) en er - wat de zaligsprekingen betreft - mee ook afsluit (zalig de vervolgden om der gerechtigheid. wil, want hunner is het koninkrijk der hemelen).
In de horizontalisering van het evangelie wordt geloven gedevalueerd tot 'een houding, een mentaliteit'. De geschiedenis van de vrijzinnigheid - aldus Jonker tenslotte - heeft aangetoond, dat met het verzet tegen het theoretisch beamen van een reeks artikelen en het aanhangen van een complex dogma's 'ook het heilsgoed verdween waar het Paulus om te doen was'.
Veel voor hoofd en hart
In kort bestek biedt ons het geschrift van prof. Jonker veel voor hoofd en hart. In onze tijd van woord-devaluatie, in onze tijd waarin kerken leeglopen, in onze tijd waarin de mens zichzelf tot norm is (het 'Ik-tijdperk'), in onze tijd waarin ook waarheden kunnen stollen tot ideeën, komt Jonker op voor de gereformeerde prediking, als een gebeuren van het Woord, van God uit, naar de mens toe in zijn 'ellende' die de sprekende God is.
Goddank gaat ook deze prediking nog door, van week tot week. Ze ontdekt mensen aan zichzelf maar doet ook ervaren de genade Gods in Christus. Geen goedkope genade, maar genade met bloed verworven.
Prof. dr. H. Jonker: Gereformeerde prediking in onze tijd; uitgave Willem de Zwijgerstichting, Apeldoorn (Postbus 642), 45 pag., ƒ 7, 50.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 mei 1980
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 mei 1980
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's