De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

12 minuten leestijd

De rellen een symptoom

In het Centraal Weekblad van 10 mei geeft ds. Overduin een nabeschouwing van de 30e april. Hij citeert Floris Bakels die onlangs in een interview verklaarde dat hij sinds 1963 een toenemende verloedering constateerde die alles aantast waarvoor in de oorlog gestreden en geleden is. Overduin noemt de rellen in Amsterdam op 30 april een symptoom daarvan.

Hoe komt men tot dergelijke rellen? Er is gezegd: het zijn uitingen van onbehagen in de maatschappij. Ook een scribent 'm Hervormd Nederland van 10 mei gaat die kant uit. Theo Ludens meent dat rechtse mensen geen recht tot verontwaardiging hebben want ze steunen een gezag dat zich niet waar maakt en hervormingen torpedeert, ze steunen z.i. een maatschappelijk klimaat waarin dergelijke rellen kunnen ontstaan. Je vraagt je af: welke visie op gezag zit hier achter? Mag ik dus elk gezag dat niet optimaal functioneert en zich niet waar maakt omverwerpen? Dat lijkt me niet naar de Schrift. Theo Ludens wijst de middelen van de rellenschoppers af, maar verstaat de behoefte tot oppositie.

Terecht merkt Overduin op dat men er niet is met te wijzen op maatschappelijk onbehagen. Is dat niet een ongrijpbaar woord: 'de' maatschappij? Er zijn z.i. andere oorzaken. Overduin schrijft dan:

Een openlijke en duidelijke oorzaak was de 'belofte' van de krakers, dat zij op 30 april met harde acties zouden komen. Zij zaaiden wind en oogstten storm. Het is laf en oneerlijk om te doen alsof ze in geen enkel opzicht verantwoordelijk zijn voor wat er allemaal gebeurd is. Ze moeten niet denken dat ze hun gezicht kunnen redden. Slechts voor een heel klein deel. Krakers die de Hitlergroet brengen en' vuile fascisten' roepen tegen de politie, alsof ze in een politiestaat leven, zijn gevaarlijke mensen. Wanneer zij schreeuwen dat zij legaal en de politie illegaal is, verloederen zij de maatschappij.

Openlijk kwamen de 'autonomen' voor de dag met pamfletten, die opriepen om te plunderen, om prijzen uit te delen door raak te schieten op het portret van koningin Beatrix en leden van het Oranjehuis. Hier spreekt de mentaliteit van de terreurbrigades in Duitsland en Italië.

Onder de indirecte en omsluierde oorzaken noem ik die journalisten, die jarenlang in de pers, via radio en t.v. uiterst eenzijdige voorlichting geven door bepaalde zaken breed uit te meten en andere te verzwijgen of te minimaliseren. Het is per se gezagsondermijnend, wanneer ons volk (en vooral de jeugd) de indruk moet krijgen dat het kabinet Van Agt nooit iets goeds kan doen, alsof onze ministers door de band genomen een stelletje klungels zijn zonder sociaal gevoel.

Natuurlijk zijn onze ministers onvolmaakte mensen. En de één is sterker dan de ander. Maar het is volksverloedering, wanneer velen op de loer liggen om de een of andere minister een loer te draaien. Dat is onmenselijk, onzakelijk en liefdeloos. Het is ook onrechtvaardig. Kritiek is wel goed, maar de vraag is van welke kwaliteit en in welke toon en geest en in welke mate.

De minister-president kan weleens onhandig en onvoorzichtig zijn, maar zelfs als hij zich in een interview voorzichtig uitdrukt, dan nog zuigen velen venijn uit zijn woorden. En als de NOS precies dezelfde woorden van Van Agt herhaalt, dan moet nog even (geheel ten onrechte) gezegd worden dat Van Agt z'n draai nam.

Het is volstrekt begrijpelijk dat minister Wiegel, onder de indruk van het gebeuren, waapin de Vara en Radio Stad-Amsterdam een slechte rol gespeeld hebben, zijn verontwaardiging uitsprak. Nu zijn uitspraak misschien niet helemaal juridisch goed geformuleerd is (maar ethisch wel) moet Wiegel, die toch als minister van binnenlandse zaken een grote verantwoordelijkheid draagt voor de politie en de veiligheid van de burgers, heel wat horen. Het is alsof hij groter zonde beging dan de rellenschoppers. P. v.d. Ende, die voorde Vara-uitzending verantwoordelijk was, had alleen maar te zeggen dat Wiegel dom was en dat je van dit kabinet alles kunt verwachten. Je moet maar brutaal zijn. EN ZELFS Trouw neemt in zo'n ernstige situade een loopje met deze minister als 'opperceremoniemeester', 'wiens draaiboek al even verbluffend als simpel' was. Er werd nog gesuggereerd dat hij al vroegtijdig met z'n verkiezingscampagne was begonnen. En nog wel 'met klompevoeten'. Dat alles is gezagsondermijning en werkt indirect (soms direct) de verloedering van het leven in de hand.

Terecht signaleert Overduin de diepere achtergronden. Gezagsondermijning leidt op de duur tot onbestuurbaarheid. Daarmee pleit ik niet voor een kadavergehoorzaamheid. Christenen zijn wel loyale burgers, maar geen slaafse navolgers. Het Woord Gods zet elke orde, ook een democratie onder de kritiek. Maar een overheid die niet durft te regeren en maatregelen te nemen, onder de druk van een bepaalde publieke opinie, verzuimt haar, taak. Dan blijven de kwade gevolgen niet uit. Verantwoordelijkheidsbesef en erkenning van de door God gegeven ordeningen mogen niet wijken uit de opvoeding van ons volk. Verloedering van de maatschappij - dat hebben we in Duitsland gezien - kan van kwaad tot erger gaan.

Sociale gerechtigheid

In Londen vond dit voorjaar een beraad plaats van evangelische christenen over een eenvoudige levensstijl. Onder meer kwam ter sprake in hoeverre de sociale gerechtigheid jegens de armen en onderdrukten in de kringen van de 'evangelicals' tot haar recht komt. In Scheps Kerknieuws trof ik een interview aan met ds. R. V. Essen waarin ook deze zaak ter sprake kwam.

Moet ik nu concluderen dat u het prediken van het Evangelie gelijkstelt aan het opheffen van maatschappelijke, sociale en polideke nood?

Nee, dat is bepaald niet het geval. Joh. Stott wees er in Londen op dat er voor de christen twee grote geboden zijn. In de eerste plaats de zendingsopdracht. Nu, die hebben de evangelicals altijd wel gehonoreerd. Maar in de tweede plaats ligt er het gebod je naaste lief te hebben als jezelf. Stott keerde zich in dat verband tegen de opvatting van Bavinck die bij de evangelicals over het algemeen zeer geliefd is en die zei: medische hulp en onderwijs zijn vormen van prediking, eigenlijk stoffelijke prediking, vergelijkbaar met de sacramenten. Maar als je dat zegt - aldus Stott - maak je sociale hulp ondergeschikt aan de prediking en dat mag bijbels gezien niet. De liefde tot de naaste is geen vorm van prediking, nee het is een eigen specifieke opdracht. De kerk heeft dus twee opdrachten.

Dit is ook mijn grote bezwaar tegen het project Zending in Nederland: dat de zending versmald wordt tot sociaal dienstbetoon. Het gaat echter om beide: verkondiging en sociaal dienstbetoon zijn beide belangrijk. De achtergrond daarvan is dat alles wat je aan je naaste doet, je aan Jezus doet. Christus zei dan ook: als je de naakten kleedt, de hongerigen voedt dan doe je dat voor Mij. Dus als ik met deze dingen bezig ben, doe ik dat voor Hem. Maar in evangelical-kring is altijd de gedachte gemeengoed geweest dat wilde je iets voor God doen, je dan evangelist moest worden. Dat is echter maar één mogelijkheid.

Dus zending is niet altijd Woordverkondiging? Jawel, de allereerste opdracht blijft de verkondiging. Maar dat kun je in de concrete praktijk van alledag niet wettisch gaan toepassen. De barmhartige Samaritaan wierp de beroofde man, die daar lag te sterven, toch ook geen tractaatje'toe? Die man moest eerst geholpen worden. De hulp aan de naaste moest daar in de eerste plaats komen.

Maar aan de andere kant blijft dus de Woordverkondiging primair. Als de mens niet uit zijn fundamentele verdorvenheid wordt verlost, blijft hij - ook al wordt hij nog zo rijk - in wezen arm en verloren. De verklaring van Londen zegt dan ook dat de eerste prioriteit verkondiging van het Evangelie is. Dat is het eerste gebod. Maar het tweede, daaraan gelijk zou ik bijna zeggen, is: je naaste liefhebben als jezelf. Een deelnemer uit India, Samuel, wees er overigens op dat het onderscheid tussen prediking voor de ziel en zorg voor het lichaam een typisch westerse tweedeling is die men in de Derde Wereld niet kent.

Ik denk wel eens dat de watervrees in evangelicalkring voor het sociale vraagstuk stamt uit de jaren twintig, toen de gedachte van het social gospel opkwam uit en ingang vond in de vrijzinnige hoek. Ik wil er overigens op wijzen dat in het verleden de evangelicals vaak het voortouw namen op het sociale vlak. Denk aan een evangelical als Wilberforce, die een belangrijke rol speelde bij de afschaffing van de slavernij. Ik vraag me ook wel eens af-om nog even terug te keren naar die armen - of onze nekharen niet daarom overeind gaan staan als we zeggen 'God houdt van de armen', omdat het hier om een concreet aanwijsbare groep mensen gaat. Net zo goed als er altijd mensen zijn die steigeren als gezegd wordt dat Israël het uitverkoren volk van God is.

Maar voor alle duidelijkheid: de armen zijn natuurlijk niet heilig. De armen zijn niet per definitie uitverkoren. Want dan haal je vrijmachtigheid van de verkiezing door God eruit.

Van Essen maakte in dit gesprek ook duidelijk dat er toch een groot verschil blijft bestaan tussen deze opstelling van Stott c.s. en het denken van bepaalde vertegenwoordigers in de Wereldraad. Het is overigens belangrijk dat door Stott gewezen wordt op de hoofdsom van de Wet. Zeker, het Woord gaat voorop. De verkondiging blijft primair. Maar de liefde tot de naaste mag daar niet op in mindering komen. Het Evangelie mag niet versmald worden. Hier liggen m.i. ook belangrijke lijnen naar een bijbelse visie op hulpverlening. De tekenen van Gods Rijk in genezing en herstel van relaties zijn bepaald niet onbelangrijk. En juist de brede Calvijnse visie op de betrekking tussen Wet Gods en maatschappij heeft ons hier veel te zeggen.

Israël in de kerkdienst

Op welke wijze werken allerlei nieuwe inzichten inzake de plaats van Israël in Gods heilsplan door in de prediking? Die vraag stelt dr. S. Gerssen in Ter Herkenning van april 1980. Met name reformatorische christenen die aan de prediking een centrale plaats toekennen in de eredienst zullen voor deze vraag gevoelig moeten zijn. Gerssen bespreekt in dit verband een Duitse prekenbundel waarin de relatie van de gemeente tot het joodse volk expliciet ter sprake komt. Onder meer schrijft Gerssen:

'Deze predikanten hebben het niet gemakkelijk. Zij houden zich als dienaren in de evangelische kerk aan het kerkelijk jaar waarin de l0e zondag na Trinitatis is bestemd als Israëlzondag. Voor die zondag geldt als perikoop Matteüs 21 : 33-46: de gelijkenis van de onrechtvaardige pachters, aan wie vanwege hun wanbeheer de wijngaard wordt ontnomen om gegeven te worden aan een volk, dat de vruchten daarvan opbrengt. Dit verhaal is, zoals bekend, eeuwenlang gelezen als een bewijsplaats voor de stelling dat de joden zijn onterfd en dat de kerk daarvoor in de plaats gekomen is. Alle predikanten in deze bundel wijzen deze exegese resoluut van de hand, maar in het antwoord op de vraag hoe men dit beeld dan wel moet verstaan, gaan de wegen uiteen. Zo is er een, die constateert dat vanuit deze tekst de kerk de joden heeft afgeschreven en dat Matteüs zelf voor dit misverstand aanleiding heeft gegeven; zodoende richt de preek zich kritisch tegen de tekst. Men komt dat ook in andere verbanden tegen: de lijdensgeschiedenis zou tendentieus anti-joods zijn geredigeerd en als Paulus spreekt over een deksel op het aangezicht van de joden bij het lezen van het Oude Testament, zegt de predikant dat deze Paulinische uitspraak onjuist is en dat de goede Paulus gelukkig ook andere en betere dingen heeft gezegd. Waarop de preek dan verder gaat met die juiste opmerkingen van de apostel. De vrijheid van de prediking bestaat dan hierin, dat de noodzakelijke nieuwe inzichten van een Israëltheologie kritisch tegenver de tekst worden geplaatst, een handelwijze waarmee een gemeente onder het Woord mijns inziens niet gediend is en waarin aan de oude antithetische exegese teveel eer wordt bewezen.

De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat deze escape in deze bundel tot de uitzonderingen behoort. De gebruikelijke methode is, dat die momenten in de tekst, die aanleiding geven op de verbondenheid van kerk en Israël te wijzen, een sterk accent ontvangen. Als b.v. in de aangehaalde perikoop gesproken wordt over een volk, dat zijn vrucht voortbrengt, wordt erop gewezen dat de gemeente niet moet denken dat dat vanzelf op haar zou slaan. Juist in de spiegel van haar houding tegenover het joodse volk moeten daarbij ernstige vragen gesteld worden. Noch voor joden, noch voor christenen is de wijngaard een vanzelfsprekend bezit; beide zijn tot pachters aangesteld en beiden worden op hun vruchten getoetst. Een ander laat gelden, dat dit woord van Jezus inderdaad een scherpe kritische spits heeft tegenover de joodse leidslieden, maar dat dat wel als een binnen-joodse discussie moet worden verstaan. En de zaak waarom het gaat, krijgt een heel andere inhoud als het niet meer gaat om de vraag naar het rechte gedrag binnen de wijngaard, maar om het elkaar betwisten van het aandeel aan de erfenis.'

Opvallend is, aldus Gerssen, dat de predikers in deze bundel alle moeite doen erop te wijzen dat het jodendom de gemeente zoveel te zeggen heeft. Dat zal waar zijn. Maar dat de christelijke gemeente vanuit de belijdenis van de Messias Jezus en vanuit het geloof in de verzoening ook iets terug te zeggen zou hebben, komt men nauwelijks tegen. Christenen geloven in een verlossing die al begonnen is. Van die zekerheid mogen we bescheiden en ootmoedig getuigen tegenover Israël. De vreugde over de vergeving mag niet achtergehouden worden. Voor de Israëltheologie m.i. belangrijke vragen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 mei 1980

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 mei 1980

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's