De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Het zelfgetuigenis van de Schrift (1)

Bekijk het origineel

Het zelfgetuigenis van de Schrift (1)

De Heilige Schift

11 minuten leestijd

In de artikelenreeks waar we mee bezig zijn, gaat het ook om een boek. Door velen zelfs genoemd: het boek der boeken. Trouwens, het woord Bijbel zegt dat al: boeken, bundeling van boeken. Wat is dat nu voor een boek? Wat bedoelt dat boek nu eigenlijk te zijn? Wat is de strekking die er in ligt? Het is imponerend qua omvang. Het maakt indruk om de grote hoeveelheid medewerkers. En nu wordt er gezegd dat dit boek Gods Woord is tot ons. Maar hoe weet ik dat zeker?

Voorafspraak

De meeste boeken van enig formaat bevatten een inleiding van de schrijver van het boek. Daarin zet hij uiteen doel en strekking van zijn verhandeling. Wie zich tot lezing van een boek gereed maakt, doet goed van deze inleiding vooraf kennis te nemen. Ook een blik in de inhoudsopgave en in de index kan lezen èn verstaan vereenvoudigen en vergemakkelijken. Je ziet de weg die de schrijver gaat als het ware reeds voor je.

In de artikelenreeks waar we mee bezig zijn, gaat het ook om een boek. Door velen zelfs genoemd: het boek der boeken. Trouwens, het woord Bijbel zegt dat al: boeken, bundeling van boeken. Wat is dat nu voor een boek? Wat bedoelt dat boek nu eigenlijk te zijn? Wat is de strekking die er in ligt? Het is imponerend qua omvang. Het maakt indruk om de grote hoeveelheid medewerkers. En nu wordt er gezegd dat dit boek Gods Woord is tot ons. Maar hoe weet ik dat zeker? Ze kunnen me wel zoveel vertellen. Is er niet een soort voorwoord? Zijn er geen inleidende opmerkingen van de hand van de schrijver zelf? Is er geen inhoudsopgave die mij het lezen èn het verstaan van dit Boek vergemakkelijken? Het antwoord op dit soort vragen proberen we in dit en de komende artikelen te geven. Een voorwoord kent de Bijbel niet. Hij bevat ook geen inleidende opmerkingen. De Bijbel heeft ook geen index, geen inhoudsopgave, althans niet van de hand van de Schrijver zelf. En toch zegt de Bijbel wel het een en ander over zichzelf. Dat bedoelen we met het opschrift boven dit artikel: het zelfgetuigenis van de Schrift. Wat zegt de Schrift over zichzelf? Hoe dient de Schrift zichzelf bij ons aan? Wat is concreet bijbels het getuigenis van de Heilige Schrift over zichzelf? Hoe staat b.v. Christus Zelf, het vleesgeworden Woord, ten opzichte van het geschreven Woord? Hoe gaan profeten en apostelen met het geschreven Woord om? Hoe zien zij de Schrift? Kunnen wij daaruit misschien het nodige voor ons omgaan met de Schrift leren? En getuigt, juist in dat omgaan van hen met de Schrift, de Schrift niet mede tot ons hoe hij wil dat ook wij de woorden van het eeuwige leven zullen opvatten en aannemen?

Zelfgetuigenis eerst: een keuze

Dat aan het begin van een artikelenreeks over de Schrift mede wordt ingezet bij het zelfgetuigenis van de Schrift, houdt voor ons een gewilde keuze in. Toen dr. G. C. Berkouwer zijn twee delen Dogmatische Studiën (deel I, 1966 en deel II, 1967) over de Heilige Schrift liet verschijnen, begon hij bewust niet met het zelfgetuigenis van de Schrift, maar zocht zijn uitgangspunt meer in de huidige situatie, in de vragen die er vandaag rond de Schrift en haar zekerheid leven. Hij was beducht voor een tijdloze bezinning op de Schrift. Verder was hij bevreesd dat we langs de weg van het zelfgetuigenis van de Schrift voorop, tot een louter formeel Schriftgezag zouden komen, helemaal los van de materiële inhoud van de Schrift. En dat kan en dat mag niet volgens hem. Geloof en Schrift, Schriftgeloof en heilsgeloof kunnen noch mogen van elkaar gescheiden worden. We mogen niet zoeken naar zekerheid aangaande de Schrift, voordat de inhoud van de Schrift aan de orde is gekomen. Een koud, formeel aanvaarden van de Schrift als het Woord van God, zonder dat daarmee gepaard gaat een levend geloof in de God van het Woord en de Christus der Schriften, is onjuist en onmogelijk.

De belijdenis aangaande de Schrift als het Woord van God gaat niet aan de prediking van en de omgang met de Schrift vooraf. Er kan niet eerst een lege en formele binding zijn aan de Schrift, die dan later pas, of misschien helernaal niet, een vulling zou krijgen door het geloof in de inhoud van de Schrift.

Ik vind dat juist wij deze waarschuwing ons mogen aantrekken. Is in ons verleden en wordt soms nog in het heden niet al te probleemloos een scheiding gemaakt tussen de goddelijkheid van de Schrift en het geloof, in Jezus Christus? Dat we soms met de vuist op tafel opkomen voor het zuivere Woord en een zuivere vertaling van het Woord en fier belijden dat we de Schrift van kaft tot kaft houden voor het onfeilbare Woord des Heeren, terwijl we even gemakkelijk daarna erkennen geen persoonlijk geloof in de God van het Woord en de Christus der Schriften te bezitten. Dan moeten we eerlijk tegen elkaar durven zeggen: de degelijkste inspiratietheorie omkranst met bijbelteksten baat ons niet als daar geen persoonlijke en levende omgang met de Schrift is. 'Het gevaar is levensgroot, dat wij de Schriften benaderen zonder de inleving van haar wonderlijke aard, inhoud en doel, zonder de schroom, de eerbied en het ontzag, die wij de woorden Gods verschuldigd zijn. Wie het terrein van de openbaring Gods betreedt, die trekke de schoenen van de voeten, verloochene alle eigenwijsheid, legge alle vooringenomenheid af en worde leerling, die zich laat onderwijzen' (ds. G. Boerin WV, 1968, pag. 34).

Als we echter toch eerst vragen naar het zelfgetuigenis van de Schrift, beseffen we goed dat dat niet kan buiten het geloof om. Alleen God doet ons Zijn Woord verstaan. Geloof en Schrift zijn nooit van elkaar te scheiden. Maar wel moeten we bedenken dat de Schrift altijd aan het geloof vooraf gaat. Niet het geloof is er eerst, maar de Schrift. En al zou niemand geloven, dan was de Schrift toch geloof-waardig. Trouwens, dat geloof komt alleen voort uit het Woord onder de inwerking van de Heilige Geest. Daarom zoeken we bij onze bezinning op de Schrift eerst naar de grondlijnen die de Schrift zelf trekt. En we zijn er zeker van dat wie op de juiste wijze eerst over het zelfgetuigenis van de Schrift handelt niet buiten het geloof gaat staan, maar veeleer in het geloof luistert naar alles wat God Zelf ons over Zijn Woord meedeelt. 'Het formele gezag van de Schrift (haar autoriteit als boek) kan nooit losgemaakt worden van haar materieel gezag (de boodschap des heils)' (A.D. - R. Polman).

Voordat wij konden geloven, heeft God. gezorgd voor Zijn Woord. En in dat Woord wordt ons de betrouwbare weg gewezen die tot het heil in Christus leidt. We zoeken daarom ons uitgangspunt niet in wat allerlei theorieën en theologieën van vroeger of recente datum ons over de Schrift ten beste hebben

gegeven, maar vragen naar wat de Schrift van zichzelf zegt dat ze is en bedoelt te zijn.

Wat zegt de Schrift over zichzelf?

Bavinck gaat in zijn bekende dogmatiek een hele reeks Schriftplaatsen na en komt dan vervolgens tot een leer der Schrift over zichzelf. In die gang willen we hem volgen. We moeten er daarbij steeds op letten dat we niet onze van te voren ingenomen posities graag willen terug lezen in de Schrift. Als we zo ons oor te luisteren leggen bij het getuigenis van de Schrift over zichzelf, dan valt het ons steeds op dat in dit boek God Zelf spreekt en aan het woord is. Bij de profeten b.v. klinkt het steeds: 'Alzo spreekt de Heere'! God spreekt door de, mond van Zijn profeten heen. De profeten horen we het zeggen, maar het is in werkelijkheid God Zelf die spreekt. Als in het Evangelie naar Mattheüs bij bepaalde gebeurtenissen steeds verwezen wordt naar een Schriftplaats in het Oude Testament is de formule steeds: '... opdat vervuld zou worden hetgeen van de Heere gesproken is door de profeet, zeggende...' Als de profeet iets zegt, spreekt eigenlijk God zelf door hem.

Daarmee heeft de Schrift allereerst iets over God Zelf gezegd. We hebben geen zwijgende God. Een God die'in een onbereikbaar verre troonzaal huist en nooit iets van zich laat horen. Nee, onze God doet Zijn mond open, doet Zijn stem horen. Zo riep Hij de wereld tot aanzijn. Hij spreekt en het is er. Hij gebiedt en het staat er.

Iemand die tot mij spreekt, die geeft iets van zichzelf prijs. Zo moeten we het spreken van God mede verstaan. God wilde zichzelf bekend maken. Hij treedt uit Zijn verborgenheid en openbaart zichzelf. Willen we te weten komen wie God eigenlijk is, dan zijn wij op die openbaring aangewezen. Geen filosofie noch theologie kunnen mij zeggen wie God is, dan alleen Gods eigen openbaring. En waar vind ik die openbaring? Die ligt vervat in de Schrift. Daar is de Schrift op aangelegd. Ze wil mij leren wie God is. Of beter geformuleerd: ze wil mij onthullen wie God is. God spreekt tot mij in en door de Schrift. Hij koos daartoe mensen uit. Gebruikte hen als Zijn instrumenten om Zijn woorden door te geven. God zoekt en sticht gemeenschap door Zijn Woord. Hij roept Adam uit het struikgewas tevoorschijn en belooft hem heil. Hij roept Abram uit Ur en zet hem op de weg naar het beloofde land. Hij roept David van achter de schapen vandaan en zet hem op de troon. Hij zendt onder Israël richters en profeten en ze spreken wat God hen in het hart geeft om te spreken. Zo komt de Schrift tot ons. Dat getuigt ze van zichzelf! Het zijn geen oude novellen die we ingebonden bezitten. Het zijn geen vergeelde perkamenten die handelen over een uitgestorven religie. Het zijn ook geen oorkonden die slechts voor enkelingen interessante gegevens bevatten. Maar God spreekt door Zijn Woord.

Een voorname Schriftplaats in dit verband is de inzet van de Hebreeënbrief. 'God, voortijds veelmaal en op velerlei wijze tot de vaderen gesproken hebbende door de profeten, heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door de Zoon' (1 : 1) God is voortdurend aan het woord geweest in het leven en getuigen van de aartsvaders, van de profeten, van de psalmdichters, van de koningen en van de richters. Veelmaal deed Hij dat en op velerlei wijzen. Oordelend en richtend soms. Troostend en bemoedigend vaak. Dan zond Hij deze man Gods, dan weer viel Zijn oog op een ander. En steeds is het God zelf die het ze tot hun troost zegt: k zal Mijn woorden in uw mond geven en ik zal tot u spreken alles wat Ik u gebieden zal. God legt de woorden. Zijn woorden in de mond van Zijn woordvoerders. Wonderlijk verrast roept er een uit: ods woorden zijn op mijn tong geweest. Habakuk zit in zijn wachttoren te wachten op wat God in hem spreken zal. Hij is maar niet alvast zelf aan de praat gegaan, maar heeft als profeet gewacht op Gods eigen'inspraak. Hoe hebben de profeten vaak het Woord Gods als een last mee gedragen. Met name waar het Woord Gods gedrenkt was door oordeel en gericht. Anderzijds getuigen ze er ook van hoe zoet hun het Woord is geweest. Gods woorden zijn hun vreugde voor het hart.

Alzo spreekt de Heere! Dat gaf de kracht aan het woord eertijds gesproken. Dat geeft nog gezag aan het Woord zoals het ons werd opgetekend in de Schrift. Want dat kunnen we ons nog afvragen of het gesproken Woord gelijk is aan het geschreven Woord. Uiteraard gaat het gesproken Woord aan het geschreven Woord vooraf. Maar waarom liet God eertijds Zijn Woord horen? Waren ze alleen maar van belang voor de generatie van toen? En mochten ze daarna zo gauw mogelijk weer vergeten worden? Nee, als God Abram roept uit Ur, dan heeft Hij in die roeping reeds de volkeren op het oog. In Abraham zullen immers alle geslachten der aarde gezegend worden. God was en is bezig Zijn raadsbesluit ten uitvoer te brengen. Zijn plan met deze wereld te volvoeren. Eeuwenlang reeds is Hij daarmee bezig. Hij zette die volvoering van Zijn raad bij Israël in. Daarvan legt de Schrift getuigenis af. Wat Israël wist uit de mond van haar profeten (mondelinge Woord) moeten de volkeren aan de weet komen door het gepredikte Woord (schriftelijke Woord). Daarom droeg God er zorg voor dat Zijn Woorden te boek werden gesteld en bleven bewaard. De Schrift is daarmee niet verworden tot een gestold stuk weergave van het heilshandelen Gods, maar in haar klinkt voor het geloof nog steeds de levende stem van de roepende en sprekende God.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 mei 1980

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Het zelfgetuigenis van de Schrift (1)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 mei 1980

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's