Waar staan wij en hoe?
Openingswoord op jaarvergadering Gereformeerde Bond door ds. L. J. Geluk, 28 mei 1980
Het thema van dit openingswoord voor deze jaarvergadering bevat dus een tweeledige vraagstelling: waar staan wij enhoe staan wij? Wat met 'wij' bedoeld is in dit verband zal duidelijk zijn: het gaat over ons als gereformeerde mensen in de Nederlandse Hervormde Kerk, voorzover wij verenigd zijn in de Gereformeerde Bond.
Het thema van dit openingswoord voor deze jaarvergadering bevat dus een tweeledige vraagstelling: waar staan wij enhoe staan wij? Wat met 'wij' bedoeld is in dit verband zal duidelijk zijn: het gaat over ons als gereformeerde mensen in de Nederlandse Hervormde Kerk, voorzover wij verenigd zijn in de Gereformeerde Bond.
Waar staan wij?
Wanneer ik met u poog een antwoord op deze vraag te geven, dan is dat zeer globaal, dus zeer onvolledig. Maar het komt mij nuttig voor, dat wij ons toch eerst enigermate rekenschap geven van de wereld waarin wij leven. Daarom maak ik eerst enkele wat wij zouden kunnen noemen 'omtrekkende' bewegingen.
1. Het is in een wereld, waarin de conflicten en spanningen van jaar tot jaar, om niet te zeggen: van dag tot dag groeien. Wij denken aan de tegenstelling Oost-West, met aan beide zijden een gruwelijk arsenaal van wapenen, dat in staat is de gehele wereld vele keren totaal te verwoesten. Aan de oostelijke zijde staan ver in de honderd divisies gereed. Gereed, waartoe? Wie daarop ziet (en wie in dit opzicht doet alsof er niets aan de hand is past de bekende struisvogelpolitiek toe) - wie zou niet vrezen? Verder is er de tegenstelling Noord-Zuid, die van de rijke en de arme landen. Ook hier liggen vraagstukken, die ons waarlijk wel ter harte mogen gaan. Laat het voor ons evenmin vanzelfsprekend zijn dat wij nog in een zekere mate van vrede en vrijheid (zij het dat beide zeer bedreigd worden) mogen leven, als dat het normaal zou zijn dat wij, ondanks de ekonomische regressie, in een uitbundige welvaartsstaat mogen leven. Het lot der armen en verdrukten, der gevangenen en vluchtelingen moge waarlijk wel onze aandacht hebben. Méér dan in doorsnee het geval is. Leeft niet te veel de mentaliteit onder ons: het is toch ver van onze deur?
2. Wanneer wij vervolgens de blik vestigen op dat kleine plekje op de aardbol, dat Nederland heet en ons vaderland is, dan overvalt ons een nog grotere verlegenheid om in enkele grove lijnen te schetsen hoe hier de situatie is. Maar ik denk, dat ik de mening van u allen vertolk, wanneer ik zeg, dat ons land ons lief is. Het heeft zo'n bijzondere geschiedenis. Een geschiedenis, waarin wij bespeuren de bemoeienis en uitreddingen van onze God. De geschiedenis van een klein volk, dat, als het ware geboren in de vluchtelingen-gemeenten, groot werd toen het frank en vrij de Naam des Heeren beleed en gestempeld werd als een protestantse natie, waar ook zovele ontheemden een nieuw thuis mochten vinden.
En nu? Gestadig en in een versneld tempo groeit de saecularisatie. 'Ni Dieu, ni maitre', geen God en geen meester mag dan wel niet de leus zijn, het is wel de levenspraktijk van steeds meerderen.
En daardoor slinkt de christenheid tot een steeds geringere minderheid. Voorts denk ik aan de geestelijke uitholling van allerlei 326 christelijke organisaties, met name aan het christelijk onderwijs. Een huiveringwekkend voorbeeld daarvan is de Vrije Universiteit, die juist dit jaar haar eeuwfeest viert. Zij is zo ongeveer geworden het tegendeel van wat de oprichters voor ogen stond - de uitzonderingen daargelaten.
Ook wordt ons volk meer en meer verscheurd door tegenstellingen van politieke en ethische aard. En het wil er niet aan, dat wij allen voor de noodzaak staan in ons bestedingspatroon een stapje terug te doen.
Maar lijkt déze tijd niet of in veel opzichten veel op die, waarin de massa's moesten zoet gehouden worden met brood en spelen? Vult dan maar voor brood in: loon, hoger loon en sociale uitkeringen; en voor spelen: de sport, met haar uitwassen en het moderne amusement.
3. Het wordt nu tijd, dat wij ons wenden tot de geestelijke en kerkelijke situatie.
Daarbij beperk ik mij tot die in Nederland in het algemeen en die in onze kerk in het bijzonder. De Nederlandse situatie is immers veelszins een spiegel van die in de wereld. Een in het oog vallend verschil is daarbij wellicht de eigen weg die de Rooms-Katholieke Kerk in Nederland gaat, hoewel die na de jongste bisschoppensynode wellicht toch meer naar die van de wereldkerk van Rome zal worden toegebogen - in zoverre dat nog gelukken wil. Maar wat nemen wij waar, wanneer wij zien naar de protestantse kerken in ons land? Me dunkt dat wij wat kerkformaties betreft een viertal lijnen kunnen ontdekken. Daar zijn de Nederlandse Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken, ter enerzijde daarnaast enkele kleine kerkgemeenschappen van overwegend vrijzinnige signatuur, ter anderer zijde een menigte kerkformaties, die alle gereformeerd heten en tenslotte nog diverse vrije groeperingen, die niet zelden onder de verzamelnaam 'evangelisch' worden aangetroffen. Geestelijk gezien vormen de grenzen tussen deze kerkgemeenschappen en groeperingen evenwel volstrekt geen grenzen. De theplogische denkwijzen en de wijzen van geestelijk leven gaan daar dwars door heen. Van de kleine vrijzinnige kerkformaties en de vrije groepen geldt dit maar in geringe mate. Maar des te sterker van al die kerken die de gereformeerde belijdenisgeschriften tot hun belijdenis hebben. In de kleinere kerkgemeenschappen van gereformeerde signatuur geldt dit maar in zeer beperkte mate. Maar ook daar woelen, deels ondergronds, deels bovengronds verschillen, die het karakter kunnen krijgen van een geschil, dat op scheuring uitloopt. Vaak zijn en waren deze nauw verbonden met een bepaalde persoon. Een ieder, die enigermate in de geschiedenis van de Nederlandse kerken van de laatste 60 jaar thuis is, weet dit. Maar het is volstrekt niet ondenkbaar, dat in de nabij, e toekomst zulke conflicten weer zullen leiden tot nieuwe afsplitsingen, welk verschijnsel wordt vergemakkelijkt door de overtuiging dat een plaatselijke gemeente welhaast autonoom is.
Geestesstromingen
Afgedacht dus van deze kleinere controversen meen ik in hoofdzaak een viertal geestesstromingen te kunnen ontwaren, die in onze eigen kerk de meeste ontplooiingskansen hebben. Daar zijn in de eerste plaats de oud-vrijzinnigen of modernen. Lange tijd hebben zij een belangrijke plaats in onze kerk ingenomen. Mede ten gevolge daarvan zijn Afscheiding en Doleantie ontstaan. Thans is hun invloed maar gering meer. Een logisch gevolg van het feit dat zij de kerk eigenlijk niet zo belangrijk vonden is, dat zeer velen van hen onkerkelijk zijn geworden.
Daar zijn vervolgens degenen voor wie 30 jaar geleden de karakteristiek 'midden-orthodox' werd uitgedacht. Daarbinnen zijn allerlei schakeringen, sommigen staan dicht bij de Bijbel, anderen vullen bijbelse woorden en begrippen met een vrijzinnige of puur eigentijdse inhoud. Uit hen zijn ook de zogeheten kritische gem, eenten voortgekomen, al dragen deze vaak een 'oecumenisch' karakter. Misschien is de aanduiding 'midden-orthodox' langzamerhand versleten en gaat het veel meer om een stroming voor welke het eigentijdse levensgevoel normatief is. En dit wordt dan vanuit de Bijbel enigszins bijgekleurd of met een religieus sausje overgoten.
Dan zijn daar degenen, die in sterke mate zijn aangesproken door de opwekkingsbewegingen. Soms, maar lang niet altijd verlaten zij hun kerk. Vaak proberen zij in hun eigen kerk en gemeente bezig te zijn. Gebedskringen en - genezing, een bepaalde Israëltheologie, een van de belijdenis afwijkende visie op de Doop zijn voor hen in de regel karakteristiek.
En tenslotte zijn daar dan degenen, die zich willen blijven oriënteren op de Bijbel én de confessie, zoals wij deze voor een belangrijk deel verenigd vinden in de Confessionele Vereniging, de vrienden van Kohlbrugge en de Gereformeerde Bond.
Hoe staan wij?
Deze grove, al te grove en dus zeer onvolledige schets meende ik te moeten bieden eer ik kom tot de vraag: hoe staan wij? En vergunt u mij dan dat ik dit laatste aanvul tot: hoe staan wij in de Nederlandse Hervormde Kerk, hoe staan wij dus als gereformeerde mensen in onze kerk.
Laten wij dan maar onmiddellijk bedenken, dat onze kerk sinds de Hervorming nooit een puur gereformeerde kerk is geweest. Daar is van meetaf de invloed geweest van de humanisten, de geestelijke nazaten van Erasmus en Coornhert. Daar is de strijd geweest tussen de Arminianen en Gomaristen, tussen Voetianen en Coccejanen, rekkelijken en preciezen. Ook in de 18e eeuw is allerlei strijd telkens weer opgelaaid.
Het is dan ook niet minder dan een wonder, dat na de aderlating van zo veel gereformeerden in de 19e eeuw, er steeds een gereformeerd element in onze kerk is achter gebleven. Een deel daarvan (ik zeg met nadruk: een deel) wordt door de Gereformeerde Bond omvat. En nu verkeren wij in de zonderlinge situatie, dat in de gescheiden kerken wel wordt gezegd: jullie bent niet gereformeerd, want anders verlieten jullie de Hervormde Kerk wel. Jullie doen veel te veel concessies, met name op het punt van de kerkelijke tucht.
En in onze eigen kerk wordt soms wel gezegd: jullie bent eigenlijk niet hervormd, jullie houden veel te veel vast aan de belijdenis en staan veel te weinig open voor de vragen van deze tijd en zijn veel te kritisch tegenover bijv. de synode, haar besluiten en publicaties.
Hervormd en gereformeerd
Daar staan wij dan. Wij willen hervormd zijn. Van harte. Wij willen gereformeerd zijn. Van harte. Hoe moet dat dan? Hoe kan dat dan? Nu zijn wij inderdaad gewend het werk van de synode en haar raden, alsmede de overheersende theologie kritisch, zeer kritisch te volgen. Dat valt natuurlijk ook niet mee voor hen die dat geldt. En wij zeggen, dat wij onze kerk niettemin zeer liefhebben. Want wat hebben wij niet aan haar te danken! Ook klagen wij erover, dat er naar ons nauwelijks geluisterd wordt. De honden blaffen wel, maar de karavaan trekt voort. Zo is er een stuk verdriet, een stuk lijden aan de kerk, omdat daar voor welhaast elke mening plaats is, iedereen daar zijn zegje mag doen zonder dat er een grens is. Mede als zulk een grens is onze confessie bedoeld. Haar grensfunctie is natuurlijk niet de enige, maar is wel één van haar functies. De nood van onze kerk is, dat zij al verder van haar belijdenis vervreemdt. En dat, nadat er in en na de tweede wereldoorlog toch hoopvolle tendensen waren. Het ontgaat mij niet, dat ook toen vanwege de Gereformeerde Bond kritische geluiden werden gehoord, met name ook waar het de nieuwe kerkorde gold. Inzonderheid leefden sterke bezwaren tegen de apostolaatstheologie en de prioriteit, die gegeven werd aan de inhoud van art. 8 ten opzichte van art. 10 van de kerkorde. Voorts behoef ik maar te herinneren aan de discussies over de woorden 'in gemeenschap met' en 'overeenkomstig de belijdenis der vaderen'. Maar dit alles neemt niet weg, dat wij na 30 jaar moeten zeggen, dat het confessionele element in de kerk toen sterker was dan nu. Wie, om twee voorbeelden te noemen, de inhoud van de bekende Postilles van het Boekencentrum uit de eerste jaren vergelijkt met die van de laatste jaren en ditzelfde doet met het officiële orgaan voor ambtsdragers 'Woord en dienst' bespeurt het grote onderscheid. En dit is er over de hele linie. Zo sterk is de invloed van de moderne hermeneutische methoden dat wij als kerk bezig zijn de Bijbel kwijt te raken. Ieder kan in hem lezen en eruit halen' wat hem goeddunkt. En dus ook laten staan wat hem niet zint. Het is zover gekomen, dat het beroep op de Heilige Schrift niet meer functioneert. De kerk stoort zich in haar praxis niet aan haar belijdenis en veelszins ook niet aan de Heilige Schrift. Bepaalde theologieën en ideologieën overheersen haar. De Schrift is niet meer gezaghebbend Woord van God. Alleen voor zover het te pas komt of men meent dat het te pas komt kan men zeggen: zó staat geschreven, zó zegt de Heere. Voor de rest overheerst de theologie van het 'ik dacht...'.
Nood
In deze nood verkeert de kerk, verkeren dus ook wij. Is het wonder, dat er een uittocht uit de kerk plaats vindt, omdat de mensen al die menselijke meningen beu worden, het in en uitpraten moe worden, omdat zij naar de kerk kwamen om een woord te horen dat nu eens iets anders is dan de mening van de dag of het inzicht van theoloog X of dominee Y? Een woord, van Godswege, dat hun hart raakt, hen aanspreekt, bemoedigt en vertroost in de wirwar van het moderne leven, de uitzichtloosheid van deze barre tijd?
Liefde en trouw
Maar hoe moeten wij, die de belijdenis liefhebben, dan staan in zulk een verwaterde situatie?
Het komt mij voor, dat ik het antwoord op deze vraag kan comprimeren tot een tweetal noties.
In de eerste plaats, dat wij deze kerk, die onze kerk is, liefhebben en blijven liefhebben. In de tweede plaats, dat wij, méér dan wij gewend en bereid zijn te doen, ook de hand in eigen boezem steken. Op deze beide zaken wil ik nog wat nader ingaan.
De verleiding is groot om de kerk in haar vervallen situatie maar te laten voor wat zij is en 'te vluchten in de Bond'. Daarbij ook alles te kraken wat niet 'bonds' is. Ons wordt wel verweten dat wij een kerk in de kerk zijn: Dat willen wij niet. Maar wij moeten het er ook zo min mogelijk naar maken. Maar daar voeg ik onmiddellijk aan toe: wanneer de kerk in haar ambtelijke vergaderingen en organen op zó veel punten verstek laat gaan en wanneer zij zó veel onbijbelse leringen en praktijken duldt of zelfs bevordert, daar móéten wij wel. Daar kunnen wij niet anders, omdat wij ervan overtuigd zijn, dat het Woord Gods ook nu, ook voor de mens van de tachtiger jaren van de 20e eeuw onverkort van kracht is en onverkort aan hem moet worden doorgegeven. Ook voor de mens van de tachtiger jaren van de 20e eeuw is er geen andere weg tót God, dan de weg van God, die zondaren wast en reinigt in het bloed van Christus, op Golgotha gestort. Ook nu zal alle menselijke vroomheid en activisme, bv. op maatschappelijk en politiek gebied, ontmaskerd moeten worden als ten enenmale ontoereikend, omdat wij alleen behouden worden door de toegerekende gerechtigheid van Christus.
Wanneer wij dan zien, dat in de kerk vele verkeerde antwoorden gegeven worden op levensvragen of zelfs de levensvragen niet meer aan de orde komen, dan moge ons dat wel met verdriet vervullen.
Maar laten wij dan des te trouwer zijn, ook in onze aanwezigheid op de ambtelijke vergaderingen van de kerk, ook in het bekleden van soms moeilijke posten daar. En laten wij ook, veel meer dan, naar het mij voorkomt, geschiedt, de kerkorde naleven, omdat zij ondanks de bezwaren die haar aankleven, vele goede, gereformeerde elementen bevat en wij, bij het niet naleven van haar, de wanorde alleen maar vergroten.
Kritisch naar binnen
Nu kom ik tot het tweede. En dat ligt - ik ben het mij bewust - gevoeliger, omdat het ons zelf aangaat. Maar steken wij wel voldoende de hand in eigen boezem? Ik bedoel er dit mee: zijn wij voor wat onze eigen gelederen betreft niet vaak te onkritisch waar wij kritisch moesten zijn en te kritisch waar wij mild moesten zijn? Hier zou veel te noemen zijn, maar ik moet mij tot enkele, mogelijk wat willekeurig gekozen zaken beperken.
Ik denk aan een toenemende polarisatie, óók in onze gelederen. Het komt meer en meer voor, dat enkele gemeenteleden buiten de kerkeraad om een samenkomst beleggen, waarvoor men allicht een voorganger weet te vinden. Weet men dan wel wat men doet? In menig geval is dit een scheuring maken in de gemeente, met verdachtmaking van de eigen predikant.
Ik denk ook aan de onzorgvuldigheden bij beroepingswerk. Hoe vaak gaat het niet zo, dat vele kerkeraden op één candidaat of predikant 'afstuiven', terwijl anderen totaal vergeten worden. Is hier niet veel werelds gedoe bij?
Ik denk aan het lichtvaardig veroordelen van predikanten op bijkomstigheden. Wie bv. een beroep aanvaardt naar een gemeente in het noorden van het land is bij velen wel bijna afgeschreven. Is dat niet ontzettend?
En wat de prediking aangaat, ontspringt die steeds aan de tintelende levende bron van het Woord Gods; wordt die geboren uit een luisteren daarnaar, gaat dat Woord eerst door ons zelf heen - of gaat dat ook wat routinematig toe en komen wij de gemeente in haar verlangen naar klanken en cliché's tegemoet?
Dienen wij geen zorg te hebben met betrekking tot vormendienst, verstening, krampachtigheid? Geen zorg t.a.v. de overdracht aan de jongeren, van wie er ook bij ons heel wat ontglippen? Geen zorg ook, omdat de tere godsvrucht in onze gemeenten ook maar weinig gevonden wordt?
Moeten wij niet bevreesd zijn voor zelfvoldaanheid en voortdurend bidden, dat de Heere ons ootmoedig en klein maakt en houdt. Het is niet goed, wanneer wij heimelijk menen, dat bij ons alles nog wel goed is en het overal anders niet deugt. Het is toch niet alles goud wat er blinkt?
Zeker, wij mogen geworteld zijn in de dingen die zekerheid hebben, omdat het goddelijk Woord ze betuigt. Liefhebben het geloof dat in de belijdenis vertolkt is. Maar tegelijk dienen wij bereid te zijn tot het gesprek met 'anderen' én bescheiden omdat wat wij bezitten mogen ook maar gegeven, van Godswege cadeau gegeven is.
Ontdekkend
Wij staan ontdekkende preken voor. En dat is goed. Dat is nodig. Maar wie aan zichzelf ontdekt is, kan toch moeilijk hoog van de toren blazen? Laten wij, bij alle kritiek, onszelf niet sparen. Laat bij alle kritiek de liefde en bewogenheid de ondertoon zijn en de boventoon hebben.
Wanneer wij werkelijk klein gemaakt zijn voor God, dan kunnen wij ons toch niet groot voor de mensen voordoen? Verliezen wij nu iets wezenlijks wanneer wij laten blijken, dat wij geestelijk ook maar arme mensen zijn waar van Gods kant alles bij moet?
Zó hoop ik, dat er in het geheel van de kerk nog wat andere, betere, bijbelser kenmerken, waaraan men 'de Bond' herkent, geboren worden dan het feit dat wij bv. geen gezangen in de eredienst zingen.
Waar staan wij en hoe?
Hoe staan wij: in een gespannen, een ondergaande wereld, met luchten, die van onheilen zwanger zijn; in een land, dat al meer de Heere verlaat (en wie God verlaat heeft smart op smart te vrezen)? Deze dingen gaan ook óns aan.
Waar staan wij? In een kerk, in de praktijk zonder belijdenis en waar ieder de Schrift kan uideggen naar eigen goeddunken.
Ook wij gaan onder Gods gerichten door. En toch mogen wij hoop koesteren. Omdat de Heere Jezus komt! En als wij getrouw zijn aan Gods Woord en opdracht wil Hij ons misschien nog gebruiken, opdat wij tot zegen zijn in onze kerk en voor de gereformeerde gezindte, waarmee wij ons eveneens verbonden weten en waarvoor wij mogelijk a.h.w. een brugfunctie zouden kunnen vervullen. Zegene de Beere zijn kerk, zegene Hij allen die van Christus zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 juni 1980
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 juni 1980
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's