Het wonder van Antiochië (2)
(Handelingen 11 : 20-26)
'En het gerucht van hen kwam tot de oren der gemeente, die te Jeruzalem was, en zij zonden Barnabas uit, dat hij het land doorging tot Antiochië toe; dewelke daar gekomen zijnde, en de genade Gods ziende, werd verblijd. ..' (Hand. 11 : 22-23a)
Er is nieuws in Jeruzalem. Kerknieuws! Van de tweede pagina, zeg maar. Voor de gemeente in Jeruzalem is het echter terstond vóórpagina-nieuws. En dat met vette kop en letters.
Nieuws uit Antiochië. Als een gerucht, een bericht is het doorverteld. Daar zorgt de verhoogde Christus voor. Zijn gerucht ging al zo vaak uit. En nu gaat het weer uit.
We lopen niet zo gauw op een gerucht. Maar in dit gerucht is de Heilige Geest present. En zo dan komt het nieuws van Antiochië naar Jeruzalem. 'Tot de oren van de gemeente'.
Voorwaar, geen nieuws 'het ene oor in, het andere oor uit'. Dat kan ook niet. Als de Geest werkzaam is, gaat met het oor het hart ook open. Zelfs wijd open. En ook gewillig, toegenegen open. Het gerucht, bericht spreekt immers opnieuw van 'grote werken van God'.
Versteld staan ze nog van het voorval met Cornelius. Hoe duidelijk heeft Petrus ze dat verteld. Toegegeven, hij moest het hele verhaal breeduit in ronde woorden weergeven. Maar ze namen het. En van harte! Want zij verheerlijkten God. Die God, Die ook de heidenen de bekering ten leven gaf. Wat een mijlpaal!
Maar nu ineens blijkt Christus hen mijlenver vóór te zijn. Letterlijk genomen zo'n vijfhonderd kilometer voor. Van Jeruzalem naar Antiochië.
Antiochië! Daar hoort een mens toch van op. Zo'n heidense stad. Zeker, Jeruzalem was ook niet alles. En dat van Cornelius in Caesarea was spontaan aanvaard. Maar wie denkt nu aan Antiochië!
Wel. God denkt er aan. Christus laat 't oog er op vallen. Want het welbehagen van Zijn Va der volvoert Hij. En dat welbehagen is: tóch Antiochië.
Tóch! Hebt u dat ook al eens in verwondering gefluisterd? Dus tóch, terwijl ik zelf nog wel dacht...
Gelukkig, als we dat eerst voor onszelf hebben gefluisterd. Zélf tot geloof komen, zélf behouden worden is nog altijd het grootste wonder. Zélf, verdronken in de zonde, het Christus toefluisteren in diepe geloofsverwondering: 'Dus tóch... ook ik? !'
Ja, zeg het maar: dat is gelukkig. En in méér dan één opzicht. Daar zou veel op te noemen zijn. Wie komt hier klaar, raakt uitgesproken over Christus' rijkdom, de alles omvattende zaligheid in Hem!
Maar het verwonderd fluisteren voor onszelf: 'Dus tóch...' draagt vrucht in dit éne opzicht ook: 't kan voortaan voor ieder ander! Wie dan ook maar. En waar dan ook maar! In gezin en geslacht; in de gemeente, in de straat en de buurt.
Hoe genezend voor onze kleine gedachten van de Heere. En van Zijn genade. Christus heeft lange armen, die vér kunnen reiken. En doorboorde handen, die door Zijn Geest oprapen, wat bij ons afgeschreven was.
Antiochië. Dus tóch! Wat geeft dat een vreugde in de gemeente te Jeruzalem. En gemeenschap. Dat is nog zo.
Onbekend maakt onbemind. Maar niet in het koninkrijk van God. We behoeven elkaar niet te kennen om 'het goede nieuws', 'kerknieuws' met blijdschap te horen. Innerlijke, stille blijdschap: God doet geboren worden in Sion!
Eén begeerte stuwt in de gemeente van Jeruzalem op: daar móet iemand heen!
Waarom? Kijken de gezichten bedenkelijk: je weet toch maar nooit? Wat visitatie kan geen kwaad? Maar geeft de tekst ons het recht om die kant uit te denken? Ik dacht van niet.
Is hier niet veel meer het willen delen in de vreugde door een afvaardiging uit Jeruzalem? Het willen steunen van de jonge gemeente, in Antiochië ontstaan? Het ze daar willen laten weten: de Heere heeft grote dingen bij u gedaan, en dus zijn wij verblijd!
De vraag is: wie gaat er? Petrus? Petrus-Cornelius; Petrus-Antiochië; dat ligt wel zo in de lijn. Zou 't waar zijn? God bestuurt het anders, beschikt het anders. Beter dus, want Hij is God.
't Wordt Barnabas. Dat past. Een man van Cyprus, grieks sprekend, bekend ook met Antiochië's wereld. Een bindende figuur, vooral lettend op hoofdzaken, zonder afgeleid te worden door bijzaken. De man, die ook Paulus, de verdachte en gevreesde, had binnengeleid in de gemeente te Jeruzalem.
Barnabas! Een Leviet. Maar de Heere heeft geen Levieten meer nodig. Die dienst heeft afgedaan sinds Golgotha en Pasen. Hij mag als apostel gaan. En met een heerlijke bijnaam, hem gegeven: Zoon der vertroosting. Ja, echt een figuur om uitgezonden te worden naar een jonge gemeente, waar de prille genade ontluikt.
Zoon der vertroosting! Voor zulke figuren zorgde de Heere, en zorgt Hij nog. Kent u ze, zoekt u ze? Zitten jonge mensen aan hun voeten? Herinneren we ze uit onze jeugd? Zou u 't zelf misschien kunnen zijn? Een beetje maar? Schreeuwt onze tijd niet om zielszorg...?
Barnabas gaat. En: ... de reis van vijfhonderd kilometer loont de moeite! Door 't weerzien misschien van vroegere Jeruzalemmers als Pinksterkinderen? Ach ja, hoe dat verkwikt! Wie zou 't ontkennen. Ontmoet u ze ook wel hier en daar? In lange tijd elkaar niet gezien; maar de Heere Dezelfde gebleven...
Maar vooral: Barnabas, daar gekomen zijnde, en '... de genade Gods ziende, werd verblijd...' Daar moet u niet overheen lezen. De genade Gods ziende!
Wat wordt genade spoedig gewoon. Het wónder is er dan uit. Wij zien het niet meer... We slaan aan 't redeneren: natuurlijic, rijic is het gebeuren in Antiochië. We zullen 't niet ontkennen.
Maar dan de Pinksterdag in Jeruzalem! En wat daarna volgde. Toen drieduizend werden tot vijfduizend. Bij de laatste tweeduizend hoorde Barnabas.
Jeruzalem! Pinksteren! Dat moet een mens meegemaakt hebben! Dat was toch nog wat anders. Wie dat heeft meegemaakt, is niet meer ondersteboven van Antiochië...
Ach, dan zien we 'de genade Gods' niet meer. Dat gevaar is dodelijk. En... brengt ons zelf weer in zo grote duisternis. Hoe ver zijn we dan van het 'zoon der vertroosting'. Onbruikbaar geworden, en last! Voor de Heere, én voor Zijn kinderen.
Aldus niet Barnabas! Hij zag het. Wat? De genade van God. En dat beloont zich: hij werd verblijd! Wie genade ziet, ziet Christus verheerlijkt. Taxeert Hem, en Zijn wonderlijk, onuitsprekelijk werk door de Heilige Geest. En het werk van de Vader.
Dat wil zeggen: nieuw werk. Altijd nieuw! Dan wijkt de gewenning, is er enkel mee-delen in het wonder, in de vreugde. Daar zorgt Christus voor.
Dat leidt tot enkel aanbidding. Bij de duizenden. Ook bij de éne, die ons stil zijn hartsgeheim, 't geheim van de genade, toevertrouwt.
En dus: ook in Antiochië, waar 'enige mannen' Barnabas heenleiden naar 'een groot getal, dat geloofde'.
Hoe mag de zoon der vertroosting daar zijn ruime, warme hart aan ophalen!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 juni 1980
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 juni 1980
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's