‘Overpeinzingen van een pelgrim’
Derde boek van ds. J. T. Doornenbal
In korte tijd zijn drie boeken verschenen met pennevruchten van de in 1975 overleden Oenerpastor ds. J. T. Doornenbal. Het derde, dat dezer dagen is uitgekomen en - evenals de vorige twee - stukken uit de Harderwijker kerkbode bevat, draagt de toepasselijke titel 'Overpeinzingen van een pelgrim'.
Ds. P. Koeman, de huidige predikant van Oene, typeert in het voorwoord van deze bundel ds. Doornenbal als:
Dienaar van het Woord, ... ondanks alle aanvechting geworden en gebleven.
Een dienaar van Jezus Christus, met al zijn zorgen en zonden, met inzinkingen kampend als de meesten onbekend is gebleven...
En natuurmens, die zo ontzaglijk veel heeft gehouden van Gods schepping, van alle jaargetijden en niet te vergeten van het Veluwse land(schap).
Een cultuurmens... Hij kende... de vertwijfeling met hen die al schrijvend, dichtend en modellerend bezig waren in en met een gebroken en geschonden leven op aarde.
Deze 'man van formaat' zegt ds. Koeman was met dit alles 'toch een uitgesproken vreemdeling op aarde', en intussen 'zeer gehecht aan allen die de Naam van God ootmoedig vreesden'.
Hoe hij als pastor was blijkt uit het volgende:
'Aan de gemeente van Gene was en bleef hij zeer gehecht, alsmede aan zijn medebroeders in de kerkeraad. Hij werd gewaardeerd, bemind en omringd met ontroerende trouw en zorg in gezonde en zieke dagen. Nog altijd is hij als voorganger in ere! Zelf heeft hij met zijn kudde - van Godswege hem toevertrouwd - geleefd in alle omstandigheden, soms in de moeilijkste en vreemdste situaties. Hij was de vertrouwensman, als een vader voor velen. En wat kende hij zij n volkje goed, meer dan zij zelf wisten!"
Ten aanzien van de laatste jaren zegt ds. Koeman:
'De laatste levensfase is niet gemakkelijk geweest..
Zijn sterke lichaam en geest werden gesloopt. In die periode heb ik hem mogen begeleiden op weg naar het einde hier op aarde en het gezegende vervolg in de hemel. Samen hebben wij onze Meester en Heiland gebeden om genade, om uitkomst. Samen gedankt voor menigvuldige verlossing en de doorbraak in zekerheid:
'maar na de dood is het leven mij bereid God neemt mij op in Zijn heerlijkheid!'
In alle lijden rees hoog voor zijn verdonkerend oog de Man van smarten, de Heere der heerlijkheid. En over het laatste werd de lichtglans van Openbaring 7 gelegd.
Aan zijn hopend verlangen heeft God om Jezus' wil voldaan. Op 16 april A.D. 1975 werd ds. Doornenbal bevorderd tot dienst in heerlijkheid. 'Die heimwee hebben, komen thuis.' Dat is ook voor hem waargemaakt. Maar: door U, door U alleen om het eeuwig welbehagen! Op kosten van het lam Gods!'
Herinnering
Ds. H. W. Riphagen uit Westbroek, zelf afkomstig uit Oene, laat aan het eind van dit boek een 'persoonlijke herinnering' aan zijn vroegere leermeester boven komen:
'Daarbij is één herinnering, die zich letterlijk heeft vastgehecht in het geheugen: de flits der her-kenning! Samen zaten wij in de studeerkamer, terwijl van buiten de schemering - als was het een voorbode van de naderende dood - langzaam binnendrong. In die bijzondere sfeer speelde zich onze laatste 'werkelijke' ontmoeting af. Dit blijft een onvergetelijk gebeuren vanwege de openheid. Hij vertelde van zijn leven, zijn vrienden, de teleurstelling van het leven en het ambt. Veel vertelde hij over zijn vriend Achterberg; zijn vriend, die geen zoon had. Het is dan ook ds. Doornenbal geweest, die mij geholpen heeft deze dichter te leren verstaan en mij ertoe aanspoorde om zijn werk verder te bestuderen, zoals een Utrechts leermeester mij had gevraagd.
Hier waren twee zoekers naar de volmaaktheid; het land achter de horizon van het leven. Zo bond hen evenzeer de toekomst als het verleden; de geboortegrond, waar, zoals Achterberg dichtte als in Eben Haëzer, godsdienst zwaar tegen de hanebalken hing. Hun eigen beleving van het mysterie van het leven. Twee zoekers naar het woord, eigenlijk hét Woord, al deden zij het op een verschillende wijze. Twee zoekers naar de diepste roerselen van de ziel. Daar waar het zo intens donker kan zijn, als was het een grafkelder:
'Wij zijn een duister fenomeen,
zolang niet in ons rijst,
het licht van de Heilige Geest.'
Achterberg
Zij grepen naar dat, wat op deze aarde nooit te grijpen is, maar wat eenmaal werkelijkheid wordt; eenmaal voorbij de laatste stad.'
Tóch theologie
Mevrouw S. van Dijk, jarenlang huisgenote van ds. Doornenbal laat tenslotte weten waarom Doornenbal, ondanks zijn liefde voor litteratuur - bij alle afkeer die hij had van 'de schoolstudie' - tóch koos voor de studie in de theologie:
'Dat hij ondanks deze voorkeur toch de theologie heeft gekozen, vond zijn oorzaak in de sterk ontwakende belangstelling voor het geestelijk leven en vooral de liefde tot de kerk. Religieus en kerkelijk was hij vanaf zijn kinderjaren altijd geweest, maar in die jaren verkreeg de kerk een steeds grotere plaats in zijn leven. Zo heeft hij het gewaagd met de theologie, zonder al te veel verwachting. De studie lag hem niet. Hij vond haar saai en vervelend en ook in die tijd verdiepte hij zich in van alles en nog wat. Het bleef alles half, de belangstelling verdeeld, al deed hij op tijd zijn examens. Intussen bracht zijn studie wel diepe en bange conflicten in zijn leven teweeg (zoals dat bij veel theologische studenten het geval is) maar bij hem, door de bepaalde struktuur van zijn gemoedsleven bijzonder versterkt werd. Opgevoed in een gematigd rechtzinnige omgeving waarvan de begrippen hem eigen waren geworden, maar die nu geconfronteerd werden met de resultaten van de theologie en van de natuurwetenschap. Alles wat tot hiertoe vast had gestaan ging ondersteboven en dat bracht zeer veel verwarring en zielestrijd met zich mee. Hij heeft die strijd zoveel mogelijk eerlijk trachten te strijden. Zich niet onttrokken aan wat anders was, dan hij gewend was. Hij bezocht zelfs de lezingen van de vrijzinnige prof. Van Mourik Broekman en de redicale moderne en kritische prof. Van de Berg Eysingha, en hun ideeën hebben blijvend een plaats in zijn theologische gedachten wereld verkregen. Daarnaast was er echter de invloed van de oude, rechtzinnige leer van de Herv. Kerk, zoals die aan de academie vertegenwoordigd werd door prof. Hugo Visscher, wiens persoonlijkheid hem allerminst lag, maar wiens gedachtenwereld toch niet naliet een stempel op zijn theologische ontwikkeling te drukken. Die conflicten echter, die deze tegenstrijdige beschouwingen opriepen in zijn toch al gespleten zieleleven, hebben zijn studiejaren zeer verduisterd en allerminst gelukkig gemaakt.
Hetgeen echter de richting van zijn latere ambtelijke loopbaan bepaald heeft, is niet de theologie als zodanig geweest en minder nog een vaste lijn in het denken, maar de aanraking in zijn studententijd met het vrome volk, dat de beginselen niet slechts beleed maar beleefde. Er zijn in de Kerk der eeuwen en ook in de Herv. Kerk altijd twee richtingen geweest: de strengrechtzinnigen (dat waren in de oude Joodse kerk de Farizeeën) - die vasthouden aan de oude leer met alle ernst, die belijden en er voor ijveren, maar er ook in verstarren. Aan de andere kant zijn er de vrijzinnigen (de Sadduceeën vanouds) die het niet zo nauw nemen in leer en wandel, van de oude begrippen weinig moeten hebben, en het al mooi vinden als ze nog aan God geloven en deugdzaam leven. Maar daarnaast is er altijd een volk geweest, dat in het midden van alle kerkelijke verwording en verstarring, het geestelijke leven zelf beleefde, dat in nood en zielsellende uitzag naar verlossing en leerde hopen op God en in Christus het Leven vond.
Zulk een volk leerde hij kennen in zijn crisisjaren en terstond heeft het de liefde van zijn hart gehad en vanaf die tijd gehouden. Hun noden en hun klachten verstond hij - naar 'hun blijdschap en vertroosting waarin zij leefden of waarop ze hoopten, zag hij uit, en met hen begeerde hij te leven en te sterven. Uiteraard is dit geestelijk leven verbonden met de rechtzinnige leer der kerk. In haar belijdenis en in de geschriften der vaderen vinden zij hun leven vertolkt en verklaard. De leer van het eeuwig welbehagen Gods in mensen, Zijn vrije Genade voor zondaren, die verzoening met Hem door het werk van Christus, het werk van de Heilige Geest in het hart van zondaren, is hun leven. En zo is het gebeurd dat hij destijds en in zijn prediking van later jaren de rechtzinnige leer der kerk heeft aanvaard, al was het zó, dat de innerlijke conflicten en onzekerheden bleven voortbestaan.'
Om méé te peinzen
Dit derde boek van en over ds. Doornenbal is als de eerste twee: ernstig én curieus; terzijde van het drukke levensgewoel én midden in het culturele leven; mediterend én genietend van het gulle, volle leven; wetend van nood én gewagend van uitredding; eerbied voor God en het Zijne én vol spot om eigen en anderer gewichtigheid; thuis bij de eenvoudige vromen én bij - zeg - aristocraten. Maar altijd vol van het ene: heimwee naar God en Zijn Rijk van de vrede.
Een eigen-aardig man, die zeggen mocht en kon wat hij wilde zeggen en daarbij hoogstens de opmerking teweeg bracht: 'Zo'n Doornenbal toch'.
We zullen dit derde boek van hem hier niet bespreken. Daarvoor leent het zich niet. Het boek laat zich slechts lezen, om met Doornenbal mee te peinzen over de eeuwige heerlijkheid, maar ook om met hem mee te toornen om wat Gods Schepping wordt aangedaan, om wat de kerk er van maakt in haar belijden en beleven van datgene wat van de vaderen is overgeleverd, en om mee te zingen in het lied van de verlosten.
We laten hier enkele heel verschillende passages volgen, die typerend zijn voor dit boek, liever die kenmerkend zijn voor wat ds. Doornenbal in zijn moeitevolle leven heeft willen zeggen en doorgeven.
'Weduwe Brouwer'
Als de - bekende - weduwe Brouwer te Genemuiden is overleden (27 okt. 1956) schrijft ds. Doornenbal:
'Daar kwam bij, dat zij een diep verborgen leven kende met veel gebed en worsteling aan Gods troon voor Kerk en gemeente. Zij had de Kerk der vaderen hartelijk lief en bleef haar trouw ook toen anderen haar verlieten. Wel was ze niet blind voor haar verval maar ze mocht geloven, ook in de moeilijkste tijden, dat de Heere nog Zijn wonderen doen zou en, wat haar zelf betreft, dat Hij machtig was haar leven te onderhouden, zoals van Daniël en zijn vrienden, bij water en het gezaaide even zo goed als bij de kostelijke stukken van des Konings tafel. En in dat vertrouwen is zij niet beschaamd. Zij mocht de wederopbloei der gemeente weer beleven en met vreugde en getrouwheid zelf opgaan onder de bediening. Tegenover haar vrienden die haar trouw aan de Hervormde Kerk vaak kwalijk namen, wist zij haar houding wel te verdedigen, want zij stak haar mening nooit onder stoelen of banken en in scherpte en klaarheid van formulering kwam zij niets te kort. Nog hoor ik haar zeggen: 'Wij hebben geen reden om te roemen in onze Kerk zoals anderen, maar onze roem is in de Koning der Kerk zelf'. En daarin heeft zij stand gehouden tot het einde. In het leven der genade was zij diep ingeleid en geoefend boven velen, meer en meer ontdekt aan haar eigen bestaan en in de rijkdom van het verlossingswerk van Christus. Ik herinner mij hoe zij verhaalde van een Hemel vaartsdag waarop zij een blik ontvangen had op de heerlijkheid van de verhoogde Christus en Zijn bediening aan 's Vaders rechterhand als vrucht van hemelvaart. Daarvan te spreken en daarin te roemen was haar lust en leven. Zij begeerde Christus te kennen en de kracht van Zijn Opstanding en, vergetende hetgeen achter is, zich uit te strekken naar hetgeen vóór is, om in Hem gevonden te worden, niet hebbende haar eigen gerechtigheid, maar de Zijne. Daaraan heeft haar geestelijk leven grote kracht ontleend en dit gevoegd bij de vastheid van haar karakter en haar grote gaven, door het genadeleven gelouterd, heeft haar gemaakt tot een vrouw die een moeder was in Israël en voor zeer velen is ze tot zegen geweest. Talloze predikanten, ook professoren, en vrienden uit alle kerken hebben haar bezocht en haar horen spreken. Haar huis en hart stonden open voor allen en zij had een grote liefde voor de mensen en een aangename manier van omgaan met oud en jong en een klaarheid van gedachten en uitdrukking als weinigen. Daarbij kon zij ook wel scherp zijn soms, want zij ontzag niemand en had een afkeer van vromigheid en tevens bezat zij een zeldzame mensenkennis. Nooit bouwde zij haar vrienden op in hun gevoelsleven maar wees altijd op de noodzakelijkheid van verzoening met God drieënig. Niet altijd zal dat aangenaam geweest zijn voor mensen die graag wat wilden zijn met hun geestelijke stand, maar zij bleef recht door zee gaan en ontzag vriend noch vijand. In dit alles is ze klein in zichzelf gebleven en dat meer en meer geworden.' Gij toch, Gij zijt hun roen, de kracht van hunne kracht. Uw vrije gunst alleen wordt d'ere toegebracht', daarin was haar geestelijke ligging uitgedrukt. En zo bleef het tot het einde. Nog maar enkele weken geleden was ik bij haar met een vriend, eigenlijk geheel onverwacht, want het het was ons plan niet geweest voor die avond. Het was de laatste maal! Ze was nog dezelfde als altijd in rechtheid van gestalte en zakelijkheid van spreken en uiterlijk maar heel weinig veranderd in al de jaren waarin ik haar gekend heb. Toch wist ze haar einde nabij en zag er in rust en onderwerping naar uit en met een blij vooruitzicht van eenmaal, van alles ontslagen, op volmaakte wijze God groot te mogen maken. Zij heeft thans haar wens verkregen. En haar begrafenis is in alles een vreugdedag geweest. Het was stralend najaarsweer. De zon scheen helder en de wind was stil. Een grote stoet volgde de baar vanaf de Kerk naar de dodenakker. Het was een vorstelijke uitvaart, geheel in de stijl van de dode, eenvoudig en waardig. De witte mutsen over de gouden kap der Genemuider vrouwen staken licht en helder af tegen al het zwarte rouwgoed van de velen die van heinde en ver gekomen waren, en het geheel vormde een merkwaardige en onvergetelijke aanblik. Een diepe vrede lag over de dodenakker uitgebreid. Het graf is op het mooiste plekje geheel achteraan in een hoek en in de schaduw van een esdoorn. De zon straalde en een grote duivenvlucht vloog aldoor boven rond, boven onze hoofden.
Drie predikanten, ds. Bout van Utrecht, ds. Cirkel van Woudenberg, beiden oud-predikant van Genemuiden en ds. Van Kooten, de tegenwoordige predikant, alsmede ouderling Van der Meulen van IJsselmuiden voerden het woord, allen eensgeestes, eerlijk en uit het hart gegrepen. Het werk Gods in de ontslapene werd geprezen zonder één woord te veel of te weinig, en wij allen hebben in een drietal psalmverzen de lof des Heeren en het geluk van Gods volk bezingen mogen. Alles was geheel in de geest van de gestorvene, de Heere heeft ook hierin genade en ere willen geven, en ons hart is erin verblijd geweest. Het is een onvergetelijke en rijk gezegende begrafenisdag geweest.'
Humor
Ernst en humor lagen voor ds. Doornenbal dicht bij elkaar:
'Ik heb de indruk, dat de mensen in deze streek veel meer zin voor humor hebben dan in andere streken waar ik gewoond heb. En de Oener taal geeft er nog zijn aparte bekoring aan. Okke Jager schrijft dat de Bijbel er vol van is. In elk geval is het leven er vol van. En onze oud-burgemeester, die in zijn toespraken zo verbijsterend geestig kon zijn, dat ik in een officiële vergadering waarbij het woord voert, soms bijna onder de tafel moet kruipen van het lachen, zei onlangs, dat hij geen zin in het leven ontdekken kon, als er niet een portie onzin bij kwam. Humor is ook een zegen en wat kan ze een mens goed doen temidden van alle diepzinnigheid en gewichtigheid, waar het leven zo ijselijk vol van is. En juist de spontane opwellingen zijn vaak zo onbetaalbaar. Een werkelijk verbluffend staaltje van spontane humor in de gemeente hoorde ik vorige week en ik kan het de lezers onmogelijk onthouden. Ik preekte 's zondagsmiddags over Zondag 41 van de Catechismus het 7e gebod. Dat is zo ongeveer de enige dienst waarin bijna niemand slaapt. Ik betoogde in alle ernst, dat Adam zijn huisvrouw in de slaap had verkregen en dat het huwelijksformulier zegt, dat het heden ten dage nog ongeveer zo toegaat, waarom de man, die tot zijn jaren gekomen is, zich maar niet al te bezorgd moet maken over de vraag hoe hij aan een vrouw moet komen. Op dat ogenblik fluisterde de ene jonge broeder in de kerk de ander toe, in 't onvervalst Oener dialect: 'Dan muj' margevrog maor es um oe hên vuul'n'.
Hoe die ander nog één woord van de preek heeft kunnen horen, is mij een raadsel.'
Desillusie
Een gereformeerde dominee was gedesillusioneerd na een preek van de Oener pastor:
'Als je zelf denkt, dat 't goed geweest is, is 't lang niet zeker, dat een ander het ook vindt. Ik was bij uitzondering eens een beetje gelukkig na de morgendienst op de dankdag. Maar toen ik nog maar twee stappen buiten de kerk gezet had, kreeg ik de volle laag van een gereformeerde dominee, die onder mijn gehoor geweest was. 'Wat een teleurstelling, collega, nu ben ik hier gekomen en ik verwachtte van u een schitterende schriftverklaring, en nu zo'n preek!'
Merkwaardigerwijs ben ik niet zo lang geleden door een dominee van dezelfde kerk heftig aangevallen om wat ik ergens geschreven had, vooral omdat ik geen 'schitterende karaktertekening' gegeven had van bepaalde figuren uit de Heilige Schrift. Ze schijnen daar bijzonder op schittering gesteld te zijn. Het ongeluk wil, dat ik nooit erg schitterend geweest ben, in geen enkel opzicht, al zou ik het misschien wel graag geweest zijn. Maar ik geloof toch werkelijk niet, dat ik 'schitterende' dingen zou willen zeggen over Gods Woord of over de heiligen uit dat Woord, al zou ik het kunnen. Maar ik zei al, dat ik het niet kan. Ik heb die gaven niet, wij zijn er ook niet in opgeleid, en ik heb ook niet de pretentie gehad, dat ik een goed theoloog ben of zelfs maar een goeie dominee. Maar waarom moet dat een teleurstelling zijn. Je moet dit eenvoudig niet verwachten. Ieder is aangenaam in wat hij heeft en niet in wat hij niet heeft. Ik ben maar een gewone dominee op een boerendorpje achter op de Veuluwe, die elke zondag twee preken moet houden en op de dankdag nog twee extra. Ik ben bovendien een beetje oud en erg vermoeid en sta al zeventien jaar voor dezelfde mensen te preken. Dan schiet er niet veel schitterends meer over. Dan gaat het in een weg van afbraak en minder worden, en dat ga je ook wel goed vinden en je verwacht niet veel meer van het leven en jezelf. Maar laten anderen dan ook niets bijzonders van je verwachten, en zeker niet iets bijzonder schitterends. Daags na de dankdag had ik weer een christelijk-gereformeerde dominee bij me. Die wou ook al eens op een keer naar de kerk komen, om naar me te luisteren met de gedachte, dat hij heel wat te horen zou krijgen. Spaar de moeite, geachte collega, en zoek uw geluk maar rustig elders. Het is niets gedaan, en 't zal ook nooit wat worden. Ik ben al blij, dat ik nog een kleine kudde van getrouwen heb, die 't nemen willen zoals 't is, en mij dragen willen in al mijn zwakheden en gebreken, ook in mijn gebrek aan schittering, en voor wie dit allang geen teleurstelling meer is.'
Israël
'Ik vrees dat ik mij nooit erg gehouden heb aan de kerkelijke zondagen voor dit en voor dat en voor alles en nog wat. Maar zondag, de zondag voor Kerk en Israël, lag het toch wel voor de hand, dat wij het oude bondsvolk bijzonder betrokken in gebed en prediking. Het was immers wel een bijzondere omstandigheid, dat juist op deze zondag, in de middagdienst één van dat oude volk belijdenis mocht doen van het algemeen christeljjlc geloof en door het heilig Doopsel de Christelijke kerk werd Ingelijfd. Ik geloof wel dat hsi een goede en gezegende zondag geweest is voor de gemeente.
Dan komt er ook weer hoop voor de toekomst van het joodse volk. Het zijn ni^t de minsten van onze vaderen geweest, die de bekering van Israël hebben tegemoet gezien en er verlangend naar hebben uitgezien. En hun verwachting is toch gegrond in de beloften des Heeren en in het apostolisch getuigenis. De tekst voor de morgendienst was Hosea 3:5: Daarna zullen zich de kinderen Israels bekeren en zoeken den Heere hun God en David hun Koning, én zij zullen vrezende komen tot den Heere en tot Zijn goedheid, in het laatste der dagen.'
De Kerk der toekomst
'De Kerk der toekomst' zag ds. Doornenbal bij de invoering van de Nieuwe Psalmberijming als een Kerk waar de overbekende psalmregels (van de oude berijming) niet meer bekend zouden zijn:
'De proeve van een nieuwe psalmberijming is verschenen en ik heb haar voor een deel doorgelezen. Het nageslacht zal voortaan niet meer zingen:
'Gewis, hoe hoog de nood moog' gaan
God zal Zijn vijands kop verslaan,
Dien haar'gen schedel vellen.'
De regels waarmede zovelen getroost de doodsjordaan zijn doorgegaan:
'De Heer' heeft Zelf ons toegezeid:
'k Zal u met macht en wijs beleid
uit Basan weer doen komen.
U zullen, als op Mozes beê.
Wanneer uw pad loopt door de zee
geen golven overstromen',
zijn er niet meer bij.
Zoveel van die verzen, die we vroeger zongen, verdwijnen als oud en verouderd. Wat waren ze ons dierbaar, zo vreemd ze misschien zijn voor anderen. Ze leven in onze harten en ze zullen er blijven leven. Ik moet denken aan vroeger dagen, aan de pastorie van Woubrugge, waar we altijd weer zongen:
'Dan wordt gena van waarheid blij ontmoet...' en: 'Gij weet, o God, hoe 'k zwerven moet op aard...'.
En aan een onvergetelijke dag in de pastorie van Kesteren, met een gezelschap van vrienden, die nu allen al dood zijn, van Huizer vrouwen met hun grote witte mutsen, zingend zoals ik zelden heb horen zingen:
'Scheld met uw stem het wild gediert',
Dat in het riet zo weeld'rig tiert.
De stier-en kalverbenden...'
En verder:
'Dan moogt g' in zegepraal uw voet.
Ja uwer honden tong in 't bloed
Van elken vijand steken,
o, Grote God, geduchte Heer'
Uw gangen, zo vol roem en eer
Zijn aan Uw volk gebleken'.
En juichend bijna klonk het:
'Egypte zal met Morenland
Tot God verheffen hart en hand,
De God van onze vaad'ren'.
De kerk der toekomst zal zulke liederen niet meer zingen. De verzen, waarbij het voorgeslacht geleefd heeft en waarmee het gestorven is, zullen in de kerk van Nederland niet meer weerklinken dan alleen in gestroomlijnde vorm.
Nu, het doet er ook niet veel toe. De gemeente kan geen psalmen meer zingen als in de dagen van voorheen, omdat ze er niet meer bij leeft. En met die rare zangwijs van vandaag is het zelfs niet meer mogelijk ze te zingen. Nooit meer is er iets van ontroering bij. Nooit zie je iemand meer wegsmelten in tranen, zoals ik dat vroeger zo vaak heb gezien, als de liederen de beleving der harten vertolkten in droefheid en vreugde. Het kan immers niet meer!
Misschien kan Katwijk aan Zee het nog, Arnemuiden. En het is nog maar enkele jaren geleden dat ik aan het einde van een winteravonddienst in Elburg bijna de gehele gemeente in tranen zag bij Psalm 89 : 8:
'Gij toch, gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht' enz.
Maar het wordt minder en minder. Het kan zeker wel niet anders. Ik weet het niet! Wat oud is, is de verdwijning nabij. Dat geldt het oude volk en wellicht ook hun oude psalmen.
Alleen in enkele kleine kerkjes en gebouwtjes zullen ze nog een tijdlang voortleven. Tot ook dat voorbij is.
Onze tijd zal het nog wel duren. Een straks zeggen de engelen toch dat er geen tijd meer zijn zal. En dan wordt er een nieuw lied gezongen. Daar zullen ze allemaal in mee zingen, die hier ooit een psalm in waarheid gezongen hebben. Dan zullen ze allertiaal kunnen meekomen ook. Nog kort geleden schreef me een querulante broeder uit een of andere rare Evangelisatie: 'Zoals ze vandaag zingen van 't hijgend hert, der jacht ontkomen, kan ik er niet in mee: de één hijgt nog en de ander is al ontkomen!'
Stil maar broeder, ik weet het ook wel! Maar 't komt toch anders!'
Tot zover enkele momentopnamen uit dit boek van een singuliere dominee, die vrienden had van hot tot her, tot aan 'de einden der aarde'.
V. d. G.
N.a.v. ds. J. T. Doornenbal: Overpeinzingen van een pelgrim; uitgave De Banier, Utrecht, 319 pagina's.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 juni 1980
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 juni 1980
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's