Een principieel verschil tussen natuurlijke en kunstmatige methoden
Vanuit de huisartsenpraktijk
Vaak wordt gezegd, en ook zelf heb ik dat vaak gezegd, dat het principieel niet uitmaakt of men bijvoorbeeld de pil gebruikt of aan periodieke onthouding doet. In beide gevallen grijpt de mens immers in in zijn eigen voortplanting, hetzelfde doel wordt nagestreefd, zij het langs andere wegen.
Vaak wordt gezegd, en ook zelf heb ik dat vaak gezegd, dat het principieel niet uitmaakt of men bijvoorbeeld de pil gebruikt of aan periodieke onthouding doet. In beide gevallen grijpt de mens immers in in zijn eigen voortplanting, hetzelfde doel wordt nagestreefd, zij het langs andere wegen.
Men komt dan in de discussie op het kardinale punt, of de mens sexualiteit en voortplanting mag loskoppelen. Tegenstanders daarvan zeggen dan: 'Wat God samengevoegd heeft, schelde de mens niet'. Voorstanders zeggen dat God aan de sexualiteit op zich al zoveel waarde heeft gegeven, dat het ook zonder de mogelijkheid van voortplanting een duidelijke funktie heeft, denk maar, zo zeggen ze, aan de onvruchtbaren of aan de periode na de overgang bij de vrouw.
Hoewel ik me lange tijd thuis heb gevoeld bij het laatste standpunt, voelde ik me er in de loop der tijd toch niet tevreden mee, mede vanuit de praktijk van alle dag.
Allereerst wat de onvruchtbaren betreft, de echtparen die, mogelijk na medisch onderzoek, weten dat de kinderzegen voor hen niet is weggelegd: Al hebben de doktoren gezegd dat het onmogelijk is om kinderen te krijgen, toch blijven ze - terecht - hopen op een wonder. De sexualiteit is bij hen geenszins ontkoppeld van de voortplanting, ze blijven hopen. Het is zelfs zo, dat als de vrouw bij de overgang voor het eerst over tijd raakt, de hoop vaak nog niet vervlogen is en ze de urine voor een zwangerschapstest bij de dokter brengt.
Als men wat nuchterder is en zich snel verzoent met de onvruchtbaarheid, dan nog zou ik willen zeggen dat dan het standpunt van de tegenstander van ontkoppeling van sexualiteit en voortplanting niet bestreden wordt: God heeft in hun geval dit niet samengevoegd, dus de mens hoeft het ook niet te scheiden. Hetzelfde kan gezegd worden over het sexuele leven na de overgang, de tijd dat God de ontkoppeling Zelf heeft laten plaatsvinden.
De onvruchtbaren en de vrouwen na de overgang worden dus ten onrechte ten tonele gevoerd om de sexualiteit sec zijn zin te geven. Wat God niet samengevoegd heeft, hoeven wij immers niet te scheiden, en daarmee krijgen de tegenstanders geen ongelijk.
Ik geloof ook dat zij met hun aangevoerde bijbeltekst gelijk hebben, zij het dan dat zij op hun beurt weer in de fout gaan met de enige uitleg en toepassing die ze aan de tekst geven: Gods water over Gods akker laten lopen.
Dat zou ook kunnen komen door een verkeerd woordgebruik in dezen. Te spreken van sexualiteit en voortplanting, is dat wel juist? In het woord voortplanting zit al iets van het 'nageslacht', van een 'kind'. Wordt door het in één zin noemen van sexualiteit en voortplanting niet de indruk gewekt, dat bij iedere coïtus aan (het verwekken van) een kind gedacht zou moeten worden?
Heeft God deze twee zaken zo aan elkaar gekoppeld? Ik dacht het niet, want dan zou het vast een scheppingsgegeven zijn, dat bij iedere coïtus een eisprong hoorde, geïnduceerd of niet. En zo is het niet. En daarom is het zuiverder om voortaan niet meer te spreken over koppeling van sexualiteit en voortplanting, maar over de scheppingsrelatie tussen sexualiteit en vruchtbaarheid.
God heeft de mens niet zo geschapen, dat elke geslachtsgemeenschap een bevruchting tengevolge heeft. Die periode beslaat per maand vanuit de mens bezien, inclusief veiligheidsmarges ongeveer een week, vanuit God bezien hooguit 3 dagen. God heeft de mensen een ordelijke vruchtbaarheidscyclus gegeven, met niet een continue vruchtbaarheid, maar met vruchtbare en onvruchtbare dagen. En het sexuele leven vindt, als het goed is, niet 'cyclisch' plaats, maar met een gezonde regelmaat.
Zó synchroon is ook niet de relatie, die God ons in de Schepping gegeven heeft tussen sexualiteit en voortplanting, beter gezegd sexualiteit en vruchtbaarheid.
Dé (causale) relatie is natuurlijk, dat de mens zich alleen kan voortplanten, als er sprake is van vruchtbaarheid én als er sprake is van sexuele gemeenschap. Een andere weg is er in de Schepping niet, zó heeft God deze zaken aan elkaar verbonden en dan nog op een bijzonder gereguleerde wijze. Nu wij deze wijze van samenvoeging mogen weten, krijgt de tekst: 'Wat God samengevoegd heeft, scheide de mens niet', toch een andere klank.
Bij periodieke onthouding tasten we de Scheppingsrelatie tussen sexualiteit en vruchtbaarheid niet aan, we laten die voluit bestaan. We tasten niet aan, we grijpen niet in, maar laten wat na, we houden juist rekening met de Scheppingsrelatie. We ontkoppelen dus niets, we scheiden niets, maar we respecteren de manier waarop God de vruchtbaarheid, en daarin de voortplanting aan ons geschonken heeft.
Kortom: Het is een verkeerd uitgangspunt om te zeggen dat God sexualiteit en voortplanting aan elkaar gekoppeld heeft, zoals bijvoorbeeld een lokomotief en een wagon aan elkaar gekoppeld zijn. Als de één gaat bewegen, moet de ander meebewegen. Dat is zelfs een wat simplistische voorstelling van zaken.
De scheppingsrelatie tussen sexualiteit en voortplanting is even complexer. Om het beeld van de trein vast te houden: de voortplanting is niet een aangekoppelde wagon, maar de trein zelf, die bestaat uit de lokomotief (sexualiteit) en een wagon (de vruchtbaarheid). Volgens een vaste 'dienstregeling' koppelt God zelf lokomotief en wagon, vast en los. Dat is Zijn voorzienig bestel.
De lokomotief mag rijden met én zonder wagon, hij mag evengoed in beide gevallen stilstaan. Dat is 's mensen verantwoordelijkheid. En daarmee heeft de menselijke verantwoordelijkheid nog niet het laatste woord, want ook al laat hij het gekoppelde treinstel rijden, dan nog bepaalt God of er 'passagiers' in komen, m.a.w. de kinderzegen is geen automatisch gevolg, maar een gave die alleen de Schepper kan geven. Het is ook hier niet degene die plant, noch degene die nat maakt, maar God die de wasdom geeft.
Zo ligt de verantwoordelijkheid van de mens ingebed in Gods voorzienigheid. Hij heeft alles gemaakt, de trein, zowel de lokomotief als de wagon, de dienstregeling, én de passagiers, de mens maakt niets, hij heeft de taak er verantwoord mee om te gaan. Het lijkt een nietige functie, maar is een zeer verantwoordelijke taak. Het is omgaan met duur materiaal. Fatalisme kan leiden tot stilstand óf tot het negeren van veiligheidssignalen of halteplaatsen. Eigengereidheid tot desastreuze ontsporingen.
Waarom moet dit alles weer geschreven worden? Begin ik niet in herhaling tè vervallen? Qua inhoud lijkt het misschien zo, maar toch moest ik het na diverse reakties op de eerste artikelen nog eens anders benaderen. Die artikelen waren meer een praktische benadering, die wel tot dezelfde conclusie leidden, maar dan via praktische (medische, psychologische, ethische) wegen. Dan reageren diverse lezers, en die werpen je dan van de praktijk terug naar de bijbelse principes. Er werd dan nogal eens teruggegrepen naar wat wijlen ds. G. Boer in zijn boek 'Ik ben de Alpha' geschreven heeft. In het hoofdstuk 'Wat doen wij er mee in deze tijd? ' heeft ds. G. Boer inderdaad ernstig geworsteld met de relatie tussen sexualiteit en voortplanting, zonder dat hij er naar mijn gevoelen helemaal uitgekomen is. Hij stond op het standpunt: 'Wat God samengevoegd heeft, scheide de mens niet', kwam toch tot het advies: (periodieke) onthouding, zij het ook weer langs andere wegen dan ik ben gegaan.
Daarom rekende ik het tot mijn taak, een wat minder praktische, maar meer principiële benadering op paier te stellen, gefundeerd op Gods Woord en op Gods Scheppingsgegevens, zoals mij die vanuit m'n eigen wetenschappelijke discipline bekend zijn geworden. Zo ben ik dan gekomen tot niet alleen een praktisch verschil tussen de natuurlijke en de kunstmatige methoden, maar ook tot een principieel verschil. In tegenstelling tot de kunstmatige methode tast de natuurlijke methode de Scheppingsrelatie tussen sexualiteit en vruchtbaarheid niet aan. Of, om in de terminologie te spreken, ze ontkoppelt niet, maar stemt juist het ene op het andere af.
Keur ik daarmee elk gebruik van een kunstmatig anticonceptief middel af, jazelfs ja, zelfs grond van het in vorige artikelen geschrevene) elke vorm van kunstmatigheid?
Neen, en nog eens: neen! Het aantonen van een principieel verschil tussen deze of gene ontwikkeling, maatschappelijk of wetenschappelijk, wil geenszins zeggen dat daarmee de mindere methode of ontwikkeling voor altijd en iedereen is afgekeurd.
Als ik alle kunstmatige, middelen in de geneeskunde zou afkeuren, kon ik als dokter wel inpakken, ik zou geen recept meer durven schrijven.
Waar ik wel bezwaar tegen heb, is het voorschrijven van recepten aan gezonde mensen. Gezonde mensen moeten geen (kunstmatige) geneesmiddelen slikken om zich op de been te houden, als dat door een gezonde en evenwichtige levenswandel ook mogelijk is. Er zijn ook mensen, die patiënt worden, door innerlijke stoornissen en ziekten, of door ondragelijke krachten van buiten (stress, relatiestoornissen, enz.) zodat zij niet zonder geneesmiddelen kunnen. En dan mogen ze dankbaar zijn dat die bestaan, zij het dat ze kunstmatig van aard zijn. De aard van het middel of de methode is dan ook niet het criterium, maar de situatie, waarin ze toegepast worden.
Tot op heden heb ik over de ongestoorde, gezonde situatie gesproken. De volgende keer, aan de hand van meerdere reakties, over de gestoorde situatie.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 juni 1980
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 juni 1980
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's