Verbi divini minister (2)
Na enkele inleidende opmerkingen over het ambt van dienaar des Woords en de voorbereiding daarop door de theologie-studie - in twee vorige artikelen - , ga ik nu enkele praktische problemen aansnijden, die betrekking hebben op onze ambtelijke roeping en plaats in de Nederlandse Hervormde Kerk. Daarbij komt dan ook ter sprake, waar de grenzen van die roeping liggen en binnen welke ruimte wij op een waardige wijze ambtelijk met een vrij geweten kunnen bezig zijn. Er dringt zich nl. aan de predikanten en kandidaten, die bewust in de Gereformeerde traditie wensen te staan, een aantal vragen op, waarmee mens tevoren niet, althans niet in die mate als nu, geconfronteerd werd.
Onze roeping en de grenzen daarvan in de N.H. Kerk
Na enkele inleidende opmerkingen over het ambt van dienaar des Woords en de voorbereiding daarop door de theologie-studie - in twee vorige artikelen - , ga ik nu enkele praktische problemen aansnijden, die betrekking hebben op onze ambtelijke roeping en plaats in de Nederlandse Hervormde Kerk. Daarbij komt dan ook ter sprake, waar de grenzen van die roeping liggen en binnen welke ruimte wij op een waardige wijze ambtelijk met een vrij geweten kunnen bezig zijn. Er dringt zich nl. aan de predikanten en kandidaten, die bewust in de Gereformeerde traditie wensen te staan, een aantal vragen op, waarmee mens tevoren niet, althans niet in die mate als nu, geconfronteerd werd.
Waar is het fundament van Schrift en belijdenis?
Ik wil dan nu eerst proberen die vragen onder woorden te brengen. In de eerste plaats is daar al sinds jaar en dag een situatie in de Nederlandse Hervormde Kerk, die het iedere dienaar des Woords, die gehouden is aan de belijdenis van die kerk, bepaald niet gemakkelijk maakt om in die kerk te dienen. In vele opzichten immers is de kerk der vaderen ontzonken aan de belijdenis. Weinig, soms helemaal niets blijkt er van een echte en hechte gemeenschap met de belijdenis der vaderen. Op menige kansel waait een remonstrantse wind van leer. En op menige kerkelijke vergadering funktioneert een beroep op de Schrift niet meer als het doorslaggevende, omdat bij vele ambtsdragers van de kerk de Bijbel geen volstrekt gezaghebbende en onfeilbare regel voorgeloof en leven meer is. De Schriftkritiek heeft het bestaan van de kerk tot diep in haar fundamenten aangetast.
Hoe is ’t onder ons?
Ik noem maar enkele dingen. Ik moet in ieder geval ook wijzen op het geweldige geestelijke verval en de morele ontworteling, waaraan vele leden van de kerk ten prooi zijn gevallen. 'De kerk schijnt haast tot niet gekomen te zijn.' Ook in gemeenten, die geslachtenlang ambtelijk bearbeid zijn door mannen, die de belijdenis in het hart geschreven hebben gekregen, is het lang niet alles goud, wat er blinkt. De kerkelijke meelevendheid is daar vaak het grootst. Maar is er altijd sprake van een opgewekt en daadwerkelijk leven van geloof en liefde? Of zijn ook daar niet velen verstrikt in de geest van het materialisme? Om dan maar te zwijgen over de geest van wetticisme, waardoor men om de kleinste dingen elkaar het leven bemoeilijkt. En om dan ook nog maar te zwijgen over de afval, ontkerkelijking, die ook daar voortgaat.
Er is veel meer te noemen. Ik doe dat niet. Ik wil alleen maar zeggen, dat het toch al zware ambt van dienaar des Woords extra verzwaard wordt, als het uitgeoefend moet worden in een kerk aJs de Nederlandse Hervormde, leder, die van God geroepen is om verbi divini minister te zijn in die kerk, moet rekenen op een dubbel aangevochten bestaan. Hij moet ook bereid zijn tot een gedurig kruisdragen. Hoevelen hebben aan die kerk geleden?
Een aangevochten, maar gezegend bestaan
Schrijf ik dit alles hier neer om het onze jonge mensen, die door hun theologische studie bezig zijn zich voor te bereiden om het predikambt in de Nederlandse Hervormde Kerk van die weg af te manen? In geen enkel opzicht. Ik zou zelfs willen zeggen, dat er duidelijke kentekenen zijn, dat onze goede God dat zg. aangevochten bestaan in de kerk der vaderen niet ongezegend heeft gelaten. Hoevaak hebben zij, die eenvoudig en manmoedig tegelijk op hun posten in de kerk opkwamen voor het alleenrecht van de Schrift en hoevaak hebben zij, die hartelijk leefden uit en getuigden van de belijdenis van de kerk, niet ervaren, dat God telkens weer ruimte maakte? Zij hebben niet voor stoelen of banken gepreekt. Zij hebben bij alle tegenkanting vaak de gunst des Heeren ondervonden in hun ambtelijke arbeid. Zij hebben niet zelden het gemeentelijk leven zien opbloeien.
De vraag naar een gereformeerde prediking neemt toe
Ja het is zelfs ook zo, dat over de breedte van heel de kerk gezien, de vraag naar een bijbelse gereformeerde prediking bepaald is toegenomen. In hoeveel streken van ons vaderland is mede door de schuld van de vrijzinnigheid het kerkelijk leven in het verleden zo goed als weggespoeld, zodat er haast alleen oude kerkgebouwen bleven staan als monumenten van een rijk verleden'? Kan dat ook een oordeel Gods zijn? Maar is het dan ook niet een wonder van diezelfde God, dat daar, juist daar in onze dagen weer dringend gevraagd wordt om een Schriftgebonden en belijdenisgetrouwe prediking'? Toen ik vorig jaar door de kop van Groningen reed om enkele van onze predikanten en studenten te bezoeken, kwam ik ook langs Ulrum. Hier was het dus, dat ds. Hendrik de Cock zijn strijd streed in de dertiger jaren van de vorige eeuw. Hier begon het in die jaren; de vervreemding van de kerk der vaderen, die velen buiten die kerk zou brengen in de beweging van de afscheiding en die de slagaders van het hervormde gemeentelijke leven in die noordelijke streek haast zou dichtknijpen. Ja en toch is door een onverdiende genade de vraag naar bijbelse confessioneel-gebonden prediking ook daar niet weggestorven. Integendeel, steeds weer worden predikanten en theologische kandidaten, van wie bekend is, dat zij de gereformeerde belijdenis liefhebben, gevraagd om hier te komen werken.
De vrouw in het ambt; liturgische problemen
Daarmee is echter wel een aantal problemen gegeven, die ik voor de duidelijkheid hier opsom. Ik schreef zojuist, dat het nergens in de Nederlandse Hervormde Kerk zo'n eenvoudige zaak is om te dienen in het ambt van dienaar des Woords. Maar zeker niet gemakkelijker wordt het, wanneer wij geroepen worden om te gaan dienen in een gemeente, waar de vrijzinnige prediking in het verleden (korter of langer geleden) zijn sporen heeft getrokken. Die sporen zijn in vele gevallen bepaald niet weggewist. Daar komt nog iets bij. De vraag naar een 'rechtse' prediking komt vaak van de kant van gemeenten, die de laatste tijd geleid zijn door predikanten en voorgangers, die in meerdere of mindere mate zich aan de belijdenis wensten te houden, maar die b.v. de bijbelse bezxyaren tegen de vrouw in het ambt niet deelden en die liturgisch op een ander spoor zaten (het vrije lied, nieuwe liedboek) dan zij, die in dezen in de traditie van Dordt wensen te staan.
Met andere woorden: als een predikant of kandidaat, die lid is van de Gereformeerde Bond een beroep krijgt naar een gemeente als zojuist genoemd, dan komt deze onmiddellijk voor de vraag te staan, of hij naar eer en geweten in zo'n gemeente dienen kan, hoewel hij bereid moet zijn de vrouw in het ambt te aanvaarden en hoewel hij bereid moet zijn om liturgisch een andere weg te gaan dan de weg, die de Gereformeerde Bond steeds heeft bewandeld. Zijn deze dingen zo zwaarwegend, dat hij een roeping naar zo'n gemeente daarom maar moet laten afweten'? Of is de roep om een Schriftgebonden en belijdenisgetrouwe prediking zo zwaarwegend, dat het andere ter diskussie kan staan of althans niet in die mate meetelt, dat het onoverkomelijk moet heten?
Waar blijven wij?
De ervaring van de laatste tijd leert, dat het in het bijzonder de pas afgestudeerde theologische studenten zijn, die één en andermaal met deze problematiek te maken krijgen. Wat hen betreft is het probleem minder groot, wanneer zij bij het beroepbaar worden één of meer beroepen krijgen van de kant van gemeenten, die gerekend wensen te worden tot de Gereformeerde Bond. Maar het aantal predikantsvakatures in die gemeenten wordt met de dag kleiner. Op dit moment zijn er nog ongeveer 30, waarvan op zijn best 10 tot 15 in kandidaatsgemeenten. En dat terwijl er alleen al in dit jaar ruim twintig theologische kandidaten zijn, die uitzien naar een beroep van de kant van een gemeente, die de Gereformeerde Bondsrichting is toegedaan. En dat terwijl er in de komende vijfjaren zeker niet meer dan ongeveer 25 predikanten (G.B.) met emeritaat zullen gaan en dus een vakature achterlaten. Daarmee is dan het probleem van het zg. kandidatenoverschot gegeven.
Het ligt dan ook voor de hand, dat het juist de kandidaten zijn, die niet direkt een beroep krijgen na de beëindiging van hun studie, die nogal eens de vraag te verwerken krijgen om een beroep te overwegen naar een gemeente, die op allerlei punten op een ander spoor zit dan een 'gevestigde' Gereformeerde Bondsgemeente.
Wat maakt het gereformeerd karakter van de G.B. uit?
Het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond heeft zich gedurende de laatste jaren vaak op deze en aanverwante punten bezonnen. Daarbij kwam steeds als belangrijkste en meest centrale vraag naar voren, waar onze roeping ligt in de Nederlandse Hervormde Kerk. Wat beweegt ons om hier te zijn en te blijven? Maar ook: Wat maakt in feite het gereformeerd karakter van onze beweging uit? Moet en zal ons de zaak van de gereformeerde prediking zo zwaar wegen, dat wij er al het andere om verduren? Als onze bezwaren tegen de vrouw in het ambt, indertijd met klem en ernst naar voren gebracht, niet uit de lucht gegrepen zijn, maar integendeel uit de Schrift geput, wegen ze dan toch minder zwaar, wanneer we in een situatie terechtkomen, zoals boven aangegeven? Zijn we misschien wat die bezwaren betreft, toch niet ontkomen aan het bekende slijtageproces (25% van de ambtsdragers van de Nederlandse Hervormde Kerk zijn vrouwlijke ambtsdragers). Op de duur went alles. En dan móet het maar. Als er in een gemeente nu eenmaal vrouwelijke ambtsdragers zijn (en de vrouw in de kerkeraad is dan moeilijk meer weg te denken), moeten we er dan om der wille van de mogelijkheden voor de gereformeerde prediking maar vrede mee hebben? Dat betekent dan ook, dat we op zijn tijd geroepen worden om vrouwelijke ambtsdragers in het ambt te bevestigen.
Wat maakt in feite het gereformeerd karakter van onze beweging uit? Heeft de liturgische vormgeving van de eredienst a la Dordt daar ook wezenlijk mee te maken? Iedereen weet, dat een predikant, die geen gezang laat zingen, daarom nog niet gereformeerd behoeft te zijn. En iedereen weet ook, dat de gereformeerde beweging breder is dan de Gereformeerde Bond. Toch hangt de liturgische opstelling van de Gereformeerde Bond niet maar in de lucht. Er staat ook nog het één en ander over in de Statuten. Het heeft dus kennelijk met ons beginsel te maken. In welk opzicht dan en in welke mate?
In een volgend artikel wil ik proberen op deze praktische vragen in te gaan. En ik geef u daarin dan tegelijk de hoofdlijnen door van een stuk bezinning en beleid van het Hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond. De situatie vraagt daarom. En de vragen, zojuist onder woorden gebracht, zijn in elk geval geen vragen, waar ieder voor zich maaruit moet zien te komen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 juni 1980
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 juni 1980
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's