De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Verbi divini minister (3)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Verbi divini minister (3)

13 minuten leestijd

Over de roeping, die wij als dienaren des Woords in de kerk der vaderen te vervullen hebben, schreef ik al iets in het eerste artikel. Ik zou dat nu nog wat nader willen toespitsen en zeggen, dat die roeping hoofdzakelijk en vooral ligt in het uitdragen van de boodschap van vrije genade naar het getuigenis van de Schrift en overeenkomstig de belijdenis der Reformatie. De prediking is het hart van de zaak.

In het vorige artikel onder bovenstaande titel schreef ik over de vele problemen, die het ambt van dienaar des Woords in de Nederlandse Hervormde Kerk om zich heen heeft. En twee vragen waren het vooral, die in dat artikel nadrukkelijk gesteld werden, nl.: Waar ligt onze roeping in de Nederlandse Hervormde Kerk? En: Wat maakt in feite het gereformeerd karakter van onze beweging (G. B.) uit?

Het Woord zal het doen

Over de roeping, die wij als dienaren des Woords in de kerk der vaderen te vervullen hebben, schreef ik al iets in het eerste artikel. Ik zou dat nu nog wat nader willen toespitsen en zeggen, dat die roeping hoofdzakelijk en vooral ligt in het uitdragen van de boodschap van vrije genade naar het getuigenis van de Schrift en overeenkomstig de belijdenis der Reformatie. De prediking is het hart van de zaak. De nood van de kerk is de nood der prediking, zo is vaak gezegd. En als dan ook de kerk weer gezond zou mogen worden, dan wordt ze het, omdat het Woord ondanks alle verval, ondanks alle dwaalleer, ondanks o zo veel, dat de toets van Gods Woord niet kan doorstaan, een geweldig machtsbereik heeft. Het werkt in de stilte, als het zaad, dat in de aarde valt, dat regen, hagel en storrn wind moet verduren, maar dat niettemin toch gaat groeien. Zo bezig te zijn met het Woord, zonder ophef of opsmuk, het in alle eenvoud en trouw te zaaien, dat is ons geboden door de Heere van de Kerk. En laat er dan o zo veel zijn, dat we verdragen moeten, omdat we het niet kunnen verbeteren, wij verdragen het om der wille van het Woord en de onfeilbare beloften, die de Heere aan dit eenvoudige en getrouwe bezig zijn met het Woord heeft verbonden. 'Het zal niet ledig tot Hem wederkeren. Daar kan iedere dienaar des Woords fiducie in hebben.

Teren op de belofte

Het Woord als een zwaard des Geestes, al wordt het door velen ontkracht, laat het om met Kohlbrugge te spreken maar 'rumoeren'. Als God ons ruimte geeft (en een hart en een mond) om onverkort het Evangelie van genade voor de grootste der zondaren te brengen, wie zijn wij dan, dat wij deze opdracht en grote genade van God om een heraut van oordeel en genade te zijn, zouden weerstaan? Zolang als wij in deze ruimte kunnen staan en arbeiden, zolang geloven we immers in de werkelijkheid en waarachtigheid van Gods beloften. En zolang geloven wij ook, dat er beloften zijn voor onze kerk, hoezeer deze aan de waarheid Gods ook ontzonken zijn. Zolang ook gaan wij met de vader aller gelovigen, Abraham, op pad. Hij had niet meer dan de belofte. Het kind der belofte bezat hij nog niet, zelfs niet, toen hij allang overgrootvader had kunnen zijn. Maar hij 'achtte Hem getrouw. Die het beloofd had'. Ik zou hier ook Elia kunnen noemen. Wat had hij bv. op de berg Karmel meer dan het geloof in de belofte Gods met betrekking tot Israël? Alle feiten logen erom, om zo te zeggen. Maar het geloof in Gods trouwverbond met Zijn volk maakte die man sterk tegen een overmacht van Baaipriesters en valse profeten, tegen de overmacht van de goddeloze Achab en de duivelse Izebel. Welnu, dat geloof in de trouw Gods met betrekking ook tot de kerk der vaderen kan ons sterk maken op de moeilijkste posten in die kerk. Die kerk behoort tenslotte niet toe aan mensen, ook niet aan de dwaalleer (vreemden, die de erfenis verteren). Zij behoort de Heere Christus toe en Zijn waarheid. Op deze koninklijke (geloofs)weg hebben wij als dienaren des Woords te wandelen, zelf gefundeerd in de Schriften, zelf gedurig op de knieën worstelend om het volk, dat aan onze zorgen is toevertrouwd. Als we aan dit front strijden, laten we ons ook minder gemakkelijk verleiden om van bijzaken hoofdzaken te maken.

Als we b.v. van het al of niet rhythmisch zingen van de psalmen een kenteken van de waarheid maken, strijden we op een front, waar we beter ons kruit niet konden verschieten. We zijn dan bezig met het maken van zg. sjibboleths.

De nieuwe psalmberijming - niet 'lichtelijk' (helpen) veroordelen

Een ander punt wil ik noemen, een punt, dat veel gevoeliger ligt, nl. dat van de nieuwe psalmberijming. De bezwaren daartegen zijn bekend. En de gemeenten van Gereformeerde Bondsstruktuur zijn in het algemeen gebleven bij de oude berijming. Daar ligt dan ook onze voorkeur. Het is indertijd ook een zaak geweest van bewuste keuze. Maar betekent dat nu, dat een predikant, die in een gemeente, waar al lang de nieuwe berijming is ingevoerd, uit de nieuwe berijming laat zingen, daarmee opeens voor ons onaanvaardbaar wordt of omgekeerd, dat een gemeente, waar gezongen wordt uit de nieuwe berijming voor een predikant, die bij de oude is gebleven, onaanvaardbaar is? Of betekent het, dat een predikant, die een aantal jaren in een gemeente heeft gediend, waar hij uit de nieuwe berijming liet zingen, onaanvaardbaar is in een gemeente, waar men bij de oude berijming bleef? Men weet, dat deze en andere zaken o zo gemakkelijk in ons kerkelijk leven gaan funktioneren als sjibboleths. Men meet er iemands gereformeerd-zijn aan. Men plaatst er iemand gemakkelijk mee in de verdachte hoek. Maar vraagt de situatie, waarin zo'n predikant werkzaam is geworden, niet om begrip? En kunnen onze kerkeraden er niet inkomen, dat een predikant zijn roeping om het Woord te bedienen in een gemeente, waar uit de nieuwe berijming wordt gezongen, zo zwaar laat wegen, dat hij meent om die nieuwe berijming niet te mogen wegblijven? Men wake ertegen om zulke zaken als sjibboleths te hanteren. Men wake ook tegen het venijn van de kwaadsprekerij. Hoe vlot worden soms onze kandidaten en predikanten 'onverhoord' geoordeeld en 'hoe lichtelijk helpt men elkaar op dit punt veroordelen' ('verdoemen' staat er eigenlijk in antwoord 112 van onze Heidelberger). Zijn wij en zijn onze kerkeraden dan niet meer bij machte om te horen, of een predikant of kandidaat een gereformeerd man is (gebleven), ook wanneer hij (soms jarenlang) zich terwille van een situatie in een gemeente, die nu eenmaal zo gegroeid was, enige vrijheid in liturgische aangelegenheden heeft ver­ oorloofd en dat terwille van de voortgang van de gereformeerde prediking?

Deze gereformeerde prediking, waarin Gods vrije genade mag worden geroemd, zit ons immers bijzonder hoog. Zij vooral is het nobele middel, waarmee we de kerk wensen te dienen. En niemand kan het ons euvel duiden, als wij gedreven door 'het medelijden met haar gruis' (Ps. 102 : 15), de boodschap van vrije genade overal daar wensen te brengen, waar wij ertoe geroepen worden. Al te lang hebben vele gemeenten in onze vaderlandse kerk gezucht onder het juk van een wettische modernistische prediking, waar het hart van de gereformeerde religie uit was weggesneden. Ik noem dat het diensthuis van Egypte, met de dwingende eis: Maakt tichelstenen, maakt tichelstenen...' 'maar zie, men heeft geen stro...'

Het vrije lied in de eredienst

Nu zal iemand misschien willen tegenwerpen, dat liturgische aangelegenheden toch niet slechts middelmatige zaken zijn. Niet alleen de gereformeerde prediking, maar ook de liturgie van Dordt is door de Gereformeerde Bond altijd nogal hoog opgevat. En dat laatste betekent dan toch in ieder geval, dat wij in de eredienst ons onthouden van het zingen van het vrije lied. Moeten wij onze bezwaren tegen het zingen van het vrije lied in de eredienst dan verder ook maar vergeten, wanneer wij geroepen worden om te gaan dienen in een gemeente, waar sinds jaar en dag uit het nieuwe liedboek der kerken wordt gezongen, omdat ons nu eenmaal de gereformeerde prediking boven alles gaat?

Een Dordtse ‘dam’

Een enkel woord over deze zaak. Men weet, dat de Gereformeerde Bond steeds ook inzake de liturgische opstelling nauwe aansluiting heeft gezocht bij de uitspraken, die hierover zijn gedaan op de bekende Dordtse Synode (1618-'19). Dat is ook in de Statuten van de Gereformeerde Bond verwoord. En de leden houden elkaar daar ook aan. In de Post-acta van de Synode van Dordt (uitgave Donner-van den Hoorn, blz. 939) lezen we: 'In de kerken zullen alleen de 150 Psalmen Davids, de 10 geboden, het Gebed des Heeren, de Artikelen des Geloofs, de Lofzangen van Maria, van Zacharias en van Simeon gezongen worden; het gezang 'O, God, Die onse Vader bist, enz.' wordt in de vrijheid, van de kerken gelaten, dat zij hetzelve gebruiken of niet, zoals zij goed vinden. De rest van de gezangen zal men uit de kerken weren en zo er misschien enige alreeds in de kerken zijn ingevoerd, zullen die. op de gevoeglijkste wijze nagelaten worden'.

De Synode van Middelburg (1581)

Met deze bepaling van Dordt is indertijd het aantal vrije liederen in de bundels van de zg. Souterliedekens heel sterk ingedamd. Dat Dordt er niettemin toch enkele van heeft gehandhaafd, zal samenhangen met het meest ingeburgerde gebruik van die 'gezangen'. Deze zg. enige gezangen van Dordt zijn dan ook bepaald niet bedoeld als aanzet om naast de Psalmen ook andere vrije liederen in de kerkdiensten te zingen. Ze zijn veel meer een dam van Dordt te noemen. Men heeft er het zingen van het vrije lied heel sterk door ingedamd. Reeds op de Synode van Middelburg (1581) was bij de toestemming, die aan Overijssel was verleend 'om enige Psalmen Davids tot 12 of meer toe bijzonder te drukken en daarbij enige oosterse uitgelezen gezangen te doen', de uitdrukkelijke verklaring gegeven 'om als hoe de boeren aldaer te gewennen tot gebruick der Psalmen Davids'.

Symbool van het alleenrecht van de Schrift

Deze uitspraken van Dordt en van Middelburg hebben ongetwijfeld te maken met het gereformeerde beginsel van het 'alleenrecht van de Schrift'. Het zingen van de psalmen, enkel psalmen is daarvan een stevig symbool. En alszodanig is het hogelijk te waarderen. 'Wij kunnen', heeft Calvijn eens gezegd 'de Heere niets beters toezingen dan Zijn eigen Woord'. En ook al zijn er in de wereld reformatorische kerken, waarin het gereformeerd erfgoed is bewaard en tegelijk het zingen van het vrije lied (denk aan de hymns in Engels sprekende kerken) niet als een probleem ervaren wordt, wij voor ons menen, dat we met ons ; staan in de traditie van Dordt een veilige weg gaan en daarom hebben wij een duidelijke voorkeur voor de Psalmen. Hoe onveilig de weg kan worden, heeft de geschiedenis van de vele liedbundels in de Nederlandse Hervormde Kerk sedert 1805 bewezen. Het was een opgaan, blinken en verzinken. En via de prachtigste melodieën kwamen ook de ketterijen binnen, gingen op, blonken en... werden vervangen door steeds nieuwere, al kan dat uiteraard niet gezegd worden van elk gezang. De commissie, die de eerste gezangbundel in 1805 aandiende (onder wie Schutte en Van den Berg) beweerde vrolijk, dat 'geen andere gezangen waren opgenomen dan die in overeenstemming waren met de belijdenis van de Nederlandse Hervormde Kerk, uitgedrukt in haar formulieren en dat de bundel van groot nut kon zijn voor de zuiverheid van de leer, midden in de stroom van velerlei gevaarlijke nieuwigheden'. Ja en dat moest dan zeker ook gelden van het volgende gezang uit die bundel: 'Mijn God, wat ooit in mij verdoov', dat ik altijd aan U geloov', aan deugd en eeuwig leven.' Riekt dat naar de geest des tijds of niet? Die geest des tijds is trouwens ook merkbaar in de Psalmberijming van 1776, waaraan genoemde heren eveneens hadden meegewerkt. Maar in een Psalmberijming loopt het nu eenmaal minder gemakkelijk de spuigaten uit.

Genoeg hierover. Wie zich in de kwestie nader verdiepen wil, leze o.a. het boek van J.H. Gunning JHzn. (De gezangenkwestie in de N.H. Kerk, 1910) en zijn discussie met De Lind van Wijngaarden hierover (in de brochure 'Pro-Contra'). Verder: 'Gezangen' (102 Schriftgezangen), door ir. G. B. Smit. Duidelijk is in ieder geval, dat het uitsluitend zingen van Psalmen een zaak is van dat beginsel, dat in Dordt de boventoon voerde, nl. dat van het alleenrecht van de Schrift. Alszodanig is deze zaak geen marginale. En alszodanig mag het ook gerust meedoen als kenteken van onze gereformeerde instelling, die zich oriënteert aan Dordt.

Allesbeslissend ‘kenteken’?

Toch moeten we ook hier oppassen, dat we van dit kenteken niet het allesbeslissende maken. Zo goed als het ook altijd hoogst gevaarlijk is om uit het geheel van 'kentekenen der genade' er één uit te halen en dat tot het allesbeslissende, te maken, zo goed lopen we ook hier gevaar om de leuze 'uitsluitend Psalmen' zo hoog in het vaandel te schrijven, dat de buitenwacht haast niet anders kan dan ons slechts daarop te beoordelen en ons daarmee dan vaak ook als buitenissigen te veroordelen. Het kenteken 'alleen de Psalmen' mag er wezen, maar dan in het geheel van kentekenen van de Gereformeerde identiteit. En dan hoort het bij ons gereformeerde karakter. Maar het hoort er stellig op een andere wijze bij dan bv. de gereformeerde prediking. Laat ons het zingen van uitsluitend Psalmen op een behoorlijke wijze relateren aan het hart van ons beginsel. Dat betekent enerzijds, dat we er het belang van inzien. Het betekent anderzijds, dat we het niet op de spits drijven en derhalve ook dat we er begrip voor opbrengen, dat een predikant terwille van een situatie in een gemeente, waar het 'gezang' bij de gebruikelijke liturgische orde hoort, wel eens minder accent moet geven aan zijn liturgische instelling a la Dordt, minder dan hem lief is. Daarmee wordt hij bepaald niet op stel en sprong een ongereformeerd man. Het maakt nog al wat verschil, of iemand een concessie doet per confessie (m.a.w. omdat hij in feite de bezwaren tegen het vrije lied allang niet meer deelt) of dat hij vanuit een gereformeerde instelling en met een onverdacht gereformeerd karakter zich het zingen van een vrij lied in de eredienst 'veroorlooft'. Nog anders gezegd: het betekent niet, dat wij ons bezwaar tegen het zingen van het vrije lied in de eredienst net zo lang relati-veren, totdat het tot nul gereduceerd is. Het betekent wel, dat wij het relateren a) aan het hart van ons beginsel en b) aan de situatie, waarin de kerk en een bepaalde gemeente op een gegeven moment verkeren. Denk aan de bepaling van de Middelburgse Synode (1581). 'Om alsoe de boeren aldaer te gewennen tot gebruick der Psalmen Davids'.

Gewisheid van een roeping des Heeren

Of om het tenslotte nog wat praktischer toe te spitsen: als een predikant of kandidaat tot de heilige dienst beroepen wordt in een gemeente, waar van hem gevraagd wordt om zijn liturgische instelling (a la Dordt) minder te accentueren, moet hij dan om het laatste maar besluiten, dat die roeping niet van God is? Overdenken we nog maar eens, wat artikel 31 van onze Nederlandse Geloofsbelijdenis zegt met betrekking tot de ambtsdragers van de kerk: 'Een iegelijk moet zich wel wachten door onbehoorlijke middelen zich in te dringen, maar is schuldig de tijd te verwachten, dat hij van God beroepen wordt, opdat hij getuigenis hebbe van zijn beroeping, om van haar verzekerd en gewis te zijn, dat zij van de Heere is. En aangaande de dienaren des Woords, in wat plaats dat zij zijn, zo hebben zij eenzelfde macht en autoriteit, zijnde altegader dienaars van Jezus Christus, de enige algemene Bisschop en het enige Hoofd der kerk. Daarenboven opdat de heilige ordinantie Gods niet geschonden worde of in verachting kome, zo zeggen wij, dat een ieder de dienaars des Woords en de ouderlingen der kerk in bijzondere achting behoort te hebben om des werks wil, dat zij doen en in vrede met hen te zijn, zonder murmurering, twist of tweedracht, zo veel mogelijk is.'

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 juli 1980

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Verbi divini minister (3)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 juli 1980

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's