De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

14 minuten leestijd

Over schrijvers, lezers en normen

In Koers van 20 juni gaat de heer E. Hofman in op de literaire normen en de waardering van taalvormen in de gereformeerde gezindte. Hofman constateert dat het de lezer doorgaans om de inhoud gaat en dat datgene wat met de verwoording te maken heeft weinig aandacht krijgt als het maar voldoet aan de meest elementaire eisen van algemeen beschaafd Nederlands. Zelfs deze norm heeft, zo zegt Hofman in sommige van onze kringen geen absoluut gezag. Het blijft wat vaag wat de schrijver precies met 'onze' kringen bedoelt, maar niettemin blijven zijn uiteenzettingen de moeite van het overwegen waard. Hofman schrijft kritisch ten aanzien van de literatuurwaardering binnen de door hem bedoelde kringen:

Het komt voor dat er boeken, artikelen e.d. verschijnen, waarin het wemelt van de kromme zinnen en spelfouten. Toch schroomt men niet om ze te publiceren. Ik geloof dat dit voortkomt uit een zekere onverschilligheid ten opzichte van 'uiterlijke' verschijnselen als goed verzorgde taal-en stijlvormen. Met een gerust geweten durft men standpunten te verkondigen als: Wat betekenen nu eigenlijk zaken als taalgebruik, grammatica en spelling. Als de inhoud maar goed is! En vooral als het geschrift eenvoudige geestelijke ervaringen bevat, hoort men al gauw beweren, dat men voor zo'n boekje met al die zogenaamde fouten graag een geschrift dat keurig verzorgd is uitgegeven, maar waarvan de inhoud verderfelijk is, cadeau geeft. In deze kringen wordt iets dat als fout aangemerkt moet worden maar al te vaak getolereerd, goedgepraat of zelfs als kenmerk van het ware gekoesterd. Waar dit het geval is, heeft het mijns inziens te maken met een achterop geraakte kulturele ontwikkeling, waardoor onze ligging ten opzichte van de grote kulturele verkeersaders erg ongunstig is geworden. De controle van een erkend kultuurcentrum is weggevallen. Er zijn geen vreemde ogen meer die dwingen, er is niemand meer die opmerkingen maakt. Deze toestand is te vergelijken met die in een gezin, waarin men hard werkt, moe thuis komt en als het eten gaar is maar gauw even de pannen op tafel zet, zonder eerst een tafellaken te spreiden of behoorlijk te dekken. Als men weet dat er iemand komt eten, wordt de tafel netjes in gereedheid gebracht, de messeleggers komen er aan te pas en er verschijnen glanzende dekschalen om het geheel een stijlvol aanzien te geven.

Maar er zijn in onze kringen schrijvers, krantjes en uitgevers die nooit eens netjes de tafel dekken en altijd maar met de pannen op het kale zeiltje komen, omdat er nooit meer iemand verschijnt die graag wil meeëten. De aandacht voor stijl is verwaarloosd. Men rommelt maar wat aan.

Nu moet men dit niet verkeerd begrijpen. Er zijn wel degelijk 'lompe, plompe Galileeërs', die geen pen kunnen voeren, maar wier vreze Gods ver uitsteekt boven die van beschaafde mensen die de schrijfkunst goed meester zijn.

Wij moeten echter wel bedenken, dat wanneer wij grote waarde hechten aan het geloof dat ons van de vaderen is overgeleverd en het ook voor anderen van groot belang achten, dat wij het dan in ieder geval in aantrekkelijke en correcte vormen naar buiten moeten brengen. Dat is het minste wat wij doen kunnen. Onze produkten mogen niet al op het eerste gezicht de lachlust, de ergernis of spotzucht opwekken vanwege de onverzorgde taal een stijlvormen waarin ze geschreven zijn. Onze werken moeten zonder bezwaar onder het oog van desnoods de hele wereld kunnen komen. Wij moeten onze tafel altijd zo dekken, dat iedereen die binnenloopt zo mee zou kunnen eten, zonder dat wij ons voor onszelf behoefden te schamen. Als we er geen rekening meer mee houden dat ook anderen ons werk onder ogen kunnen krijgen, houdt dit in, dat we de grote massa al hebben afgeschreven. En dat is toch geen blijk van onze liefde tot de naaste, die ook voor ons plicht is.

Hofman pleit voor goede lezers die meer doen dan zonder meer 'ja' of 'nee' zeggen op wat een schrijver produceert. De goede lezer is de critucus van de schrijver. Een goede criticus helpt de schrijver door zijn opbouwende kritiek in de uitvoering van zijn taak. Stellig signaleert de schrijver hier iets wat aandacht verdient. Naar ik meen heeft jaren geleden wijlen ds. Bartlema al er voor gepleit om aandacht te geven aan de vorm van preken, artikelen enz. Bartlema verdedigde dit, als mijn herinnering me niet bedriegt, met het argument dat wie schrijft over de inhoud van Gods Woord of in de prediking dat Woord van God verkondigt, het aan deze unieke Boodschap verplicht is aandacht te schenken aan taalgebruik, woordkeus enz. Te denken valt ook aan het feit dat destijds Wielenga aandacht vroeg voor de schoonheid van de Heilige Schrift. Hofman noemt daarnaast de indruk die dit alles op de buitenstaander moet maken. Zijn pleidooi laat zich verstaan. Wie meent juist vanuit de reformatorische traditie een boodschap te hebben voor de moderne mens, moet voorkomen dat deze mens onnodig geërgerd wordt door slordig of slecht taalgebruik.

Hofman schrijft voorts in zijn artikel over de verhouding van het protestants-christelijk milieu tot de kuituur. Er zijn er, zegt hij, onder ons die regelmatig naar de pen grijpen, maar er ontstaat geen grote kunst.

Het is of het hart er uit gesnoeid is, zodat niet het beheerste, groeikrachtige talent zich ontwikkelt, maar een dikke bos uitlopers, waarvan er geen enkele tot grootse bloei komt. Mijns inziens is het manco niet aan het geloof, het christendom te wijten. Het geloof is onder andere een zaak van het hart. Het lokt voortdurend getuigenissen uit, die ook wat visie en taalgebruik betreft opmerkelijk kunnen zijn. Het gebrek zit veel eerder in ons protestants-christelijk milieu. In zekere zin hebben wij dat milieu vervuild, zodat er geen echte christelijke kunst kan gedijen. In de negentiende eeuw is er een ontwikkeling ingezet, die in de twintigste eeuw heeft doorgewerkt. Er heeft eilandvorming plaats gehad. Er zijn in kerkelijk opzicht kleine gehelen samengeklonterd, wat opsluiting in eigen kring inhield en afsluiting voor anderen. Dat heeft geleid tot een rampzalige beperking van de horizon. Voor een vruchtbaar kultureel klimaat moet de kerkelijke ruimte samenvallen met de geografische afmetingen van het land. Het hele land met het hele volk dat erin leeft vormt ons kulturele gebouw.

Deze ruimte is de laatste eeuw echter langdurig afgeschermd geweest door de kerkelijke muren die erin werden opgetrokken. Daarom komen wij in kultureel opzicht niet meer aan de grote nationale en internationale problemen toe. Voor straf blijven wij in overjarig estheticisme hangen en is onze christelijke literatuur inhoudelijk te eenzijdig evangeliserend en de vorm te traditioneel. Onze geest zit gevangen in het isolement en kan zich niet op de verte richten.

Ik denk dat deze dingen belangrijk zijn, wanneer wij zoeken naar een verklaring voor ons kultureel manco. En dan bedoel ik die kultuur die een vrucht is van het geloof, en die op te vatten is als een reeks merktekens, die de weg waarlangs het christendom in deze tijd zich bewoog, markeren.

Natuurlijk zit er in al die verschillende kerken veel goeds. Ieder heeft wel iets waarop speciaal dat kerkverband trots kan zijn. Toch ben ik van mening, dat een kerkelijke verdeeldheid die gepaard gaat met zulk een diep kultureel verval, alleen daarom al niet goed kan zijn.

Zowel de schrijver als de lezer zullen naar grotere kerkelijke en daardoor ook geestelijke ruimte moeten streven. Alleen dan zullen we het niveau kunnen bereiken, waarvan de reformatie de mogelijkheden in zich draagt.

Over de relatie tussen christelijk geloof en kultuur zal het laatste woord nog wel niet gezegd zijn. Niettemin is het goed dat dit veel omvattende vraagstuk aandacht krijgt. Kultuurverheerlijking kan niet bestreden worden door kultuurarmoede.

***

Berlijn 1936 - Moskou 1980

De twee steden en de twee jaartallen die in dit opschrift genoemd worden hebben betrekking op de Olympische spelen. Zoals u weet is er in de laatste maanden in vele landen een felle discussie aan de gang inzake het al of niet deelnemen aan de Olympische spelen in verband met het feit dat deze gehouden worden in Moskou waar de mensenrechten op flagrante wijze geschonden worden. Voorstanders van de spelen wijzen er op dat men sport en politiek moet scheiden, terwijl de tegenstanders terecht opmerken dat dit een vorm van struisvogelpolitiek is die niet te verdedigen is. Graag wijst men dan op 1936, toen in Berlijn de spelen gehouden werden en deze door Hitler propagandistisch uitgebuit werden. Prof. dr. J. Verkuyl schreef hierover in een interessant artikel in het Geref. Weekblad van 19 april. Het artikel is dus wel enkele maanden oud, maar de zaak blijft belangwekkend genoeg. Verkuyl wijst erop hoe de Belijdende Kerk twee maanden voor het begin van de spelen haar eerste protest tegen allerlei maatregelen van het Hitler-regiem liet horen.

Op 5 augustus 1936 hield Dietrich Bonhoeffer in de Petri-kerk in Berlijn een voordracht om de binnenstromende gasten voor de Olympiade in duidelijke woorden te vertellen, wat er in Duitsland aan de hand was en om hen te waarschuwen. Hij vertelde o.a. dat hij een affiche gezien had in de straten met deze woorden:

'Na de Olympiade maken we de B.K. (Belijdende Kerk) tot marmelade; dan smijten we, de Joden eruit! En is het met de B.K. uit!'

Twee weken voor het begin van de Olympiade had de Belijdende Kerk reeds een waarschuwing geplaatst in Britse, Zwitserse en Amerikaanse bladen om te vertellen wat zich aan schending van mensenrechten voltrok in Hitlers Derde Rijk!

Voorzover ik begrepen heb, is op het Bonhoeffersymposium, dat na de Paasdagen in Oxford werd gehouden (Trouw, 14 april 1980), met geen woord gerept over dit indrukwekkende protest van Bonhoeffer as. Dat zou een aktualisering van Bonhoeffer hebben betekend in verband met de Olympiade van '80, die wellicht meer ad rem was dan wat nu te berde werd gebracht volgens dat verslag in Trouw.

Intussen - en dat is leerzaam en veelzeggend - trokken de Olympiade-gangers zich in het algemeen niets aan van de waarschuwing van de 'Bekennende Kirche'. De voorzitter van het internationale olympische comité, Avery Brundage, deelde mee overal rondgereisd te hebben in 1935 in Hitler-Duitsland en niets te hebben bespeurd van discriminatie van Joden of van welke groep ook. Frank Buchman, een enthousiast Olympiade-ganger, de man van de 'Morele Herbewapening', deelde in New York mee dat hij God dankte voor een man als Adolf Hitler in de strijd tégen de Antichrist.

Delegaties uit 52 landen brachten, met uitzondering van de Britten, de olympische groet met opgeheven rechterhand aan de dictator Hitler bij de opening van de spelen. De enige delegatie die toen ontbrak was de Russische.

Terecht is erop gewezen dat Berlijn 1936 duidelijk liet zien hoe een dergelijk sportgebeuren door een dictator propagandistisch uitgebuit wordt. De Olympiade van 1936 moedigde Hitler aan zijn afschuwelijke plannen met groter brutaliteit door te zetten en zijn macht te verstevigen.

En nu Moskou 1980? Verkuyl schrijft daarover:

'In Moskou hebben we te doen met een macht die reeds tientallen jaren een geconsolideerde wereldmacht is en die in alle grote internationale vraagstukken als gesprekspartner fungeert. De vergelijking met Berlijn 1936 gaat dus niet in alle opzichten op.

Maar daarmee is de zaak waarom het gaat in dit artikel niet afgedaan. Het charter van het Olympic Committee spreekt van de taak om 'een betere en meer vreedzame wereld te helpen bevorderen' en over de 'verspreiding van de olympische principes over de hele wereld'.

In het licht van die hoge idealen rijzen er ook nu ernstige moeilijkheden.

Tussen Sovjet-Rusland en de Atlantische Wereld is namelijk op 1 aug. 1975 de slotakte van Helsinki getekend. In die slotakte staat dat de partners de verplichting op zich nemen tot eerbiediging van de rechten van de mens en van de fundamentele vrijheden, met inbegrip van de vrijheid van denken, geweten, godsdienst en overtuiging, evenals de gelijkheid van recht en het zelfbeschikkingsrecht der volken, waaruit voortvloeit dat alle volken te allen tijde het recht hebben om in volledige vrijheid, wanneer en zoals zij dat wensen een binnenlandse of buitenlandse status te bepalen zonder inmenging van buiten en om een politieke, economische, sociale en culturele ontwikkeling naar eigen goeddunken voort te zetten.

Wie moeite nam te luisteren naar de stemmen van de Russische dissidenten, die onder leiding van mr. Max van der Stoel zich in 't congres één voor één uitten en wie verder volgt wat in Rusland gebeurt, kan geen andere conclusie trekken dan dat de werkelijkheid in de Sovjetunie vloekt met de hoge idealen van het Olympic Charter en van de slotakte van Helsinki. De inval in Afghanistan is een brute schending van alles wat in de slotakte van Helsinki aanvaard werd.

De verwijdering van dissidenten uit Moskou ('Moskou is nu al schoongeveegd'), de totale opruiming van de Helsinki-groepen in Rusland, de likwidatie van de groepen die zich met de mensenrechten bezighouden, de verbanning van Sacharow, de gevangenname van de russische-orthodoxe priesters Dmtri Dudko en Gleb Jakunin, de onderdrukking van de Joodse gemeenschap, enz, enz., deze feiten kunnen en mogen niet verzwegen worden. En deze feiten maken de deelname aan de Olympiade 1980 zeer problematisch. Ik ben het met prof. Samkalden geheel eens dat het internationale Olympische comité reeds lang had moeten zorgen voor een organisatie die het mogelijk maakte op de onvermijdelijke aanrakingsvlakken met de internationale politiek passende antwoorden te vinden. En heeft dat comité niet zelf het risico geschapen dat initiatieven tot het boycotten van de spelen de enige mogelijkheid zijn, waarmee verontwaardiging over het gedrag van 't land dat de spelen organiseert, internationaal tot uitdrukking kan worden gebracht?

Toen ik prof. Samkalden vroeg of dat betekende dat hij voor een boycot is van deze spelen, beantwoordde hij die vraag bevestigend.

Ik geloof dat wij dat standpunt, dat ook door drs. Van Tijn werd verdedigd, moeten steunen. Deelname aan de Olympische spelen van Moskou zal ongetwijfeld in Moskou uitgelegd worden als een aanvaarding van de grove schending van de mensenrechten in Rusland en van het knechten van het volk van Afghanistan.

Niet-deelname aan deze spelen zal bij de aanhangers van het Sovjetregiem kritische bezinning wakker roepen en voor de dissidenten en vervolgden een teken van solidariteit zijn.

Dat het bij deelname aan de spelen mogelijk zal zijn om in Moskou nog blijk te geven van protest tegen de schending van mensenrechten is volgens insiders uit Rusland zelf een illusie en het voeden van deze illusie is in feite een steun aan de facade. Niet-deelname, boycot van deze spelen is een uiting van geweldloos protest en steunt op de lange duur de wereldvrede meer!

Ik heb daarom geen instemming betuigd met 't betoog van dr. Albert van den Heuvel, die een strategie volgens twee sporen bepleitte: voor 't geval van boycot en voor 't geval van deelname aan de spelen. Ik denk dat boycot het enige verantwoorde standpunt is.'

Men kan overigens nog meer vragen stellen. Ik denk aan het feit dat sommigen die nu deelname bepleiten, destijds zich fel keerden tegen deelname van Zuid-Afrika aan de spelen voor gehandicapten. Over selectieve verontwaardiging gesproken.

Voorts moeten we zeggen: Het is niet alleen Rusland of Zuid-Afrika. Ook in allerlei Latijns-Amerikaanse landen worden mensenrechten met voeten getreden. Verder rijst de vraag of een doelstelling als 'een betere en meer vreedzame wereld te helpen bevorderen' niet een door en door humanistische geest ademt, waarmee een christen onmogelijk kan meegaan. En dan het sportgebeuren zelf. M.i. zijn hier uit ethisch oogpunt allerlei vragen te stellen. Wat heeft de recordjacht waar tientallen jonge mensen aan opgeofferd worden, waar in ander verband kapitalen mee gemoeid zijn, nog te maken met gezonde sportbeoefening? Sport kan stellig een nuttige functie hebben. Ook het wedstrijdelement kan daartoe bijdragen. Maar de sportverruwing, de geld-business en de sportverheerlijking zijn zaken die op zich al wel de vraag doen stellen: Voldoet een gebeuren als de Olympische spelen nog aan de stellig hoge idealen die de initiatiefnemer destijds leidden? Een ethiek van de sport zou wel eens onthullende dingen aan het licht kunnen brengen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 juli 1980

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 juli 1980

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's