De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Verbi divini minister (4)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Verbi divini minister (4)

12 minuten leestijd

In ons vorige artikel onder bovenstaande titel hebben we ons vooral bezig gehouden met de vraag naar onze liturgische stellingname. Nog een andere zaak, die ons hoog zit, moet ter sprake komen. Ik denk vooral aan de kwestie van de vrouw in het ambt.

De ‘vrouw in het ambt’ - een aanvaarde zaak?

Het komt nogal eens voor, dat predikanten en kandidaten, die gerekend wensen te worden tot de Gereformeerde Bond, beroepen worden in gemeenten, waar ook vrouwelijke ambtsdragers in de kerkeraad zitting hebben. Tot voor kort kwam dat in mindere mate voor. Het aantal predikantsvakatures in gemeenten, die zich rekenen bij de Gereformeerde Bond, was groot genoeg om de aanwas van kandidaten uit die kring op te vangen. Dat is snel aan het veranderen. Het aantal predikantsvakatures in zg. Gereformeerde Bondsgemeenten is nog op zijn hoogst 30, waarvan op zijn best 10 tot 15 in zg. kandidaatsgemeenten. Het aantal predikanten, dat in de komende 6 jaren met emeritaat zal gaan vanwege het bereiken van de 65-jarige leeftijd ligt rond de 25 (ook in dit geval Gereformeerde Bondspredikanten). En als we dan bedenken, dat alleen al dit jaar enkele tientallen kandidaten van Gereformeerde Bondsmodaliteit zich denkelijk beroepbaar zullen stellen, dan is het duidelijk, dat we van een komend overschot moeten spreken. Ik schreef deze dingen reeds in mijn eerste artikel.

Dat én het feit, dat de aanwas van confessionele kandidaten, die een Schriftgebonden en belijdenisgetrouwe prediking brengen, duidelijk de laatste tijd minder geworden is, maakt, dat in bepaalde gemeenten bij het beroepingswerk ook naar kandidaten en predikanten van de Gereformeerde Bond wordt uitgezien, waar men dat vroeger eigenlijk niet deed. En het wil dan nog wel eens voorkomen, dat zij, deze kandidaten en predikanten, dan ook opeens geconfronteerd worden met het probleem van de vrouw in het ambt, ook weer in sterker mate dan dat vroeger het geval was. Een beroep naar een gemeente, waar ook vrouwelijke ambtsdragers in de kerkeraad meewerken, stelt ons dan opnieuw in al zijn scherpte voor de vraag naar onze roeping in de Nederlandse Hervormde Kerk en de grenzen daarvan. Moeten wij terwille van die roeping het maar aanvaarden, dat in het verband van een eigen kerkeraad ook vrouwelijke leden zitting hebben? Hebben wij het al niet aanvaard, dat vrouwelijke ambtsdragers met ons zitting hebben in één en dezelfde 'centrale' kerkeraad, in één en dezelfde classis, enz (25% van het aantal ambtsdragers in de Nederlandse Hervormde Kerk is vrouwelijk). En aanvaarden sommigen van ons het al niet, dat zij naar de kansel gebracht worden door een vrouwelijke ouderling? Om des Woords wil. En omdat dat nu eenmaal de kosten zijn, die het hervormd-zijn met zich meebrengt misschien? Toen indertijd het besluit viel in onze Synode om ook vrouwen toe te laten tot de ambten, is enerzijds opgeroepen om de bezwaarden te ontzien, anderzijds is gezegd: Het went wel. Het bekende slijtageproces speelt immers ook een rol.

Waar staan we eigenlijk?

Laten we voorop stellen, dat de Gereformeerde Bond tot nu toe nooit gesproken heeft over een aanvaarden van de vrouw in het ambt. Integendeel, ook al is er naar hen, die indertijd met duidelijke Schriftbewijzen kwamen en die getuigden tegen de vrouw als ambtsdrager, niet gehoord noch minder naar hun woorden gedaan en al heeft dat de Gereformeerde Bond niet bewogen om zich afzijdig op te stellen van de kerk in haar ambtelijke vergaderingen, dat alles betekent niet, dat wij onze bijbelse bezwaren opeens ingeslikt hebben en van nu voortaan maar vergeten. Het is niet veilig iets tegen het geweten te doen, noch minder iets tegen duidelijke uitspraken van Gods Woord in te doen. Dat wij participeren in ambtelijke vergaderingen, waarin ook vrouwelijke ambtsdragers zitting hebben, hebben wij, met hoeveel pijn ook, leren zien als iets, dat niet tegen ons geweten en ook niet tegen Gods Woord ingaat. Maar wij kunnen onmogelijk zien, dat een predikant, die werkzaam is in een gemeente met een eigen kerkeraad met vrouwelijke ambtsdragers en die op zijn tijd dus ook geroepen wordt om vrouwelijke leden der gemeente in het ambt te bevestigen, niet tegen zijn geweten en tegen Gods Woord in zou handelen. Wij vegeteren in de Nederlandse Hervormde Kerk niet op kosten van de éne concessie na de andere. En wat Gods Woord ons verbiedt, dan kunnen we niet alleen niet slikken, dan kunnen wij ook nooit accepteren. Over de argumenten tegen de vrouw in het ambt spreek ik hier niet. Ook niet over het verval van de kerk bij de mannen (ligt hier ook niet een diepe wond van het kerkelijk leven? ). Het zou goed zijn, als ook de jongere predikanten en kandidaten, die al weer zoveel jaren na de aanvaarding van de vrouw in het ambt door onze kerk leven, zich nog eens op de hoogte stelden van wat hierover indertijd geschreven is door dr. H. Goedhart in zijn boekje: 'Een vrouw op de kansel? ' en door drs. C. van Sliedregt in: 'Vrouwen in de kerk'.

Er zijn grenzen

Wat ons dan te doen staat, als een kerkeraad, waarin ook vrouwelijke ambtsdragers zitting hebben, een predikant of kandidaat, die gerekend wensen te worden tot de Gereformeerde Bond, een beroep naar zijn gemeente in overweging geeft? Het eerste, dat we hier zeggen willen, is, dat Gods Woord en ons geweten, gescherpt aan dat Woord, ons grenzen stellen. In vele gevallen zal in een kerkeraad, waarin een vrouwelijke ambtsdrager haar intrede heeft gedaan, dé vrouw in het ambt niet meer weg te denken zijn. Zij kan voor het gevoel van velen niet slechts ambtelijk in de kerkeraad zitting hebben, maar zij hóórt er ook helemaal bij. En dat betekent dan in feite, dat er van een predikant of kandidaat, die door zo'n kerkeraad benaderd wordt voor een beroep, gevraagd wordt, dat hij zonder bezwaar ambtelijk wil samenwerken met vrouwelijke ambtsdragers óf dat hij althans zijn bezwaren tegen de vrouw in het ambt minder zwaar laat wegen en bereid is om er geen 'punt' van te maken. Welnu, zo'n kerkeraad zal moeten bedenken, dat hij van iemand, die gerekend wenst te worden tot de Gereformeerde Bond, vrijwel altijd iets onmogelijks vraagt. Hoe zwaar ons onze roeping om Gods Woord uit te dragen, overal waar dat kan en mag, ook weegt, ons geweten verbiedt ons een weg te gaan, waarop wij tegen dat Woord in zouden moeten handelen.

Een open gesprek

Nu ligt het niet overal gelijk. Er zijn ook situaties, waarin de zaak van de vrouw in het ambt bespreekbaar is. Er zijn ook kerkeraden, waarin de deelname van vrouwen aan ambtelijke arbeid in de kerkeraad, nog een open zaak is. O.i. zal deze zaak in zo'n geval altijd eerlijk doorgesproken moeten worden met en door de man, die men wenst te beroepen, zodat men wederkerig, weet, wat men aan elkaar heeft en men niet bij voorbaat een explosieve toestand schept, die vroeg of laat tot het grootste wanbegrip en tot wederzijdse vervreemding leidt. Men kan van een man, die om des Woords wil meent zijn stem te moeten verheffen tegen de vrouw in het ambt, ondermeer niet verwachten, dat hij om de twee jaar enkele vrouwelijke ambtsdragers in het ambt bevestigt in eigen gemeente.

Verbi divini minister zijn in de Nederlandse Hervormde Kerk is voorwaar geen eenvoudige zaak. Wij moeten hier gedurig tot aan de grens van het onmogelijke gaan. Tot aan ja, maar niet er over heen. Dat vrage niemand van ons. En dat zullen wij ook niet.

Waarom juist kandidaten?

Een zeer speciaal punt, dat nog even onze aandacht vraagt, is, dat het vooral pas afgestudeerden zijn, die met een problematiek als boven genoemd, te maken krijgen. Dat hangt dan onder meer samen met de vermindering van de vraag naar predikanten in de kring van gemeenten, die in het algemeen Gereformeerde Bondskandidaten beroepen (door vermindering van het aantal vakatures, zie boven).

Juist van deze pas-afgestudeerden echter geldt vrijwel altijd, dat zij in meer of mindere mate onwennig aankijken tegen de gemeente-arbeid in het algemeen. Zij moeten er nog in vele opzichten inkomen. Zij krijgen vooral in een eerste gemeente vaak nog heel wat nadere vorming. En wie kan dat verlangen naar die nadere vorming niet begrijpen? Een beroep naar een gemeente, waar zij dan bovendien nog eens geconfronteerd worden met een situatie als boven aangegeven (een andere liturgische vormgeving van de eredienst, vrouw in het ambt, enz.), maakt het dus onze kandidaten wel extra moeilijk. Naar ons inzicht moeten de kerkeraden daarmee rekenen. Zij moeten bedenken, dat zij een kandidaat, die b.v. maar één beroep zou ontvangen en dan met name naar een gemeente als boven omschreven, wel voor een bijzonder moeilijke keus zetten. Laat hem in elk geval de kans krijgen om duidelijk te maken, waar hij wenst te staan. En laat hij niet gedwongen worden om te gaan in een harnas, waarin hij zich niet bewegen kan.

De vraag blijft, of het niet meer voor de hand ligt, dat predikanten, die al wat langer in de kerk hebben gediend en aan wier gereformeerd gevoelen niet getwijfeld kan worden, meer in aanmerking komen voor een beroep naar bedoelde gemeenten dan kandidaten, die er wellicht vanuit een bepaalde noodsituatie aan moeten denken om zo'n beroep in overweging te nemen. En laten onze predikanten zich ook eens afvragen, of juist zij hier niet een roeping hebben. De vrees voor verlies van vertrouwen 'in eigen kring' is wel het laatste, waardoor wij ons zullen laten leiden. Iemand, die zich wat kwetsbaar opstelt, is daarmee nog niet een man zonder ruggegraat of inhoud. Het is goed, dat wij dat ook zeggen naar de kant van Gereformeerde Bondskerkeraden. Al te vlot immers wordt de twijfel aan iemands gereformeerde instelling soms gevoed, doordat men van hem weet te vertellen, dat hij dan toch maar een aantal jaren gediend heeft in een gemeente, waar hij zich bv. in liturgisch opzicht anders heeft opgesteld dan onder ons gebruikelijk en ook dan hij eigenlijk begeerde. Vergeten we niet, dat het vaak wat gemakkelijker is om te dienen in plaatsen, waar 'men der vromen tent hoort weergalmen' dan dat men uit het 'Samaria, waar God grote dingen deed' met Philippus wordt weggeroepen naar een 'weg van Jeruzalem naar Gaza, welke woest is'. Maar nogmaals, de vraag blijft klemmen, of God ons ook roepen kan op zulke wegen.

We gaan onze opmerkingen over de vraag, hoe wij op een Gode-waardige wijze in onze Nederlandse Hervormde Kerk kunnen dienen als verbi divini minister besluiten. Telkens kwam ook het probleem van het zg. kandidaten-overschot om de hoek kijken. Ten besluite dan nog enkele dingen daarover.

Ledig op de markt. Doktoraal-studie

Ten eerste: Laten onze theologische studenten, die zich van God geroepen weten om de kerk te gaan dienen, niet al te zeer gedreven worden door de vrees, dat zij straks misschien pas ter elfder ure aan het werk kunnen. Een beroep mag gezien worden als een bevestiging van onze roeping. Maar wanneer een beroep enige tijd uitblijft, kan men al te gemakkelijk toegeven aan de verzoeking om te denken, dat men niet geroepen is. Een beroep mag ook biddend worden ingewacht. En wannéér het wat uitblijft, behoeft men nog niet 'ledig op de markt' te staan, ganse dagen lang. Men doe dan, wat zijn hand vindt om te doen. Dat zal voor sommigen betekenen, dat zij doorstuderen en zich ijverig tot de doktoraalstudie wenden. Theologisch is er onder ons bepaald behoefte aan gekwalificeerde mensen, die de kerk en de theologie dienen met bijbels-gereformeerde inzichten. Wanneer men straks trouwens in een gemeente dient, zal een wat breder uitgebouwde studie zeker aan de opbouw van gemeente en kerk ten goede komen. Specialisatie op het terrein van het Oude Testament, de ethiek, de pastorale psychologie ; (om slechts enkele terreinen te noemen) bevelen we onze studenten graag aan. En het punt van de financiën, hoe zwaar het soms ook weegt, behoeft niet onoplosbaar te zijn. Het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond kan hier ook financiële steun verlenen.

Verruiming aantal pastorale posten

In de tweede plaats is er wat betreft het aantal predikantsplaatsen nog wel aan verruiming te denken. Naar ons inzicht kan in zeker 20 gemeenten gedacht worden aan de stichting van een nieuwe predikantsplaats (maar daarover wordt afzonderlijk in de Waarheidsvriend geschreven). Verder zijn er o.i. nog wel (weinig gebruikte) mogelijkheden voor intensievere pastorale bearbeiding in de sector van het bejaardenwerk, ziekenhuispastoraat, gehandicaptenzorg, enz. Vaak valt het pastoraat onder bejaarden en chronische zieken (tehuizen) tot nu toe vaak voor rekening van een toch al zo bezette pastor loci. Laten onze kerkeraden eens overwegen, of men (met gebruikmaking van mogelijkheden om ook een post 'pastoraat' op te voeren op de rekening en begroting van stichtingen voor zieken-en bejaardenzorg) hier niet wat meer pastorale posten kan creëren, die tegelijk ook wat verruiming in de 'werkgelegenheid' met zich meebrengen.

‘Wit om te oogsten’

In de derde plaats (niet in het minst): de velden zijn wit om te oogsten. Dat heeft ons niemand minder dan Jezus Christus gezegd. En dat is geen tijdgebonden uitspraak. Zijn de mogelijkheden voor de arbeid van de zending uitputtend onderzocht en benut? Uitwendige zending, inwendige zending?

Zichzelf blijven

En dan ten laatste (bedenke een ieder dat): God beware onze theologische kandidaten voor frustatiegevoelens en zeker ook voor een onheilige wedijver in gereformeerdheid. Als wij geloven, dat God ons roept en dat Hij wat voor ons te doen heeft in Zijn kerk, laat ons dan tegelijk geloven, dat de Heere ons gebruiken wil en ook alleen maar gebruiken kan... zoals we zijn. Dat is: met de gaven, die we hebben (ook zonder gaven, die een ander heeft en wij niet). Dat is: met een oprechte en vurige begeerte om 'anderen al de rechten van Gods mond met lust en liefde te vertellen'. Niemand behoeft dan zijn beste beentje voor te zetten. Het blijft altijd nog waar (dat is ook geen tijdgebonden uitspraak): Want indien tevoren de volvaardigheid des gemoeds daar is, zo is iemand aangenaam naar hetgeen hij heeft, niet naar hetgeen hij niet heeft' (2 Kor. 8 : 12).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 juli 1980

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Verbi divini minister (4)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 juli 1980

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's