In de ruimte
Ik zal wandelen in de ruimte, omdat ik Uw bevelen gezocht heb. (Psalm 119 : 45)
'Wandelen in de ruimte.'
We willen allemaal graag de ruimte om ons heen hebben. We moeten ons kunnen bewegen. We willen armslag hebben. Ruimte om te leven.
Want er is niets zo erg, als bekneld zitten, ingesloten zijn, geen ruimte hebben om te ademen.
Er zijn soms omstandigheden, die je vreselijk beklemmen, omdat je geen uitkomst ziet.
Een zeer geliefd familielid is heel ernstig ziek. Je weet niet, waar je het moet zoeken.
Of: je verliest iemand van wie je zoveel hield: je ziet haast niet hoe je verder moet.
Of: geestelijk: je voelt je opgesloten, omdat je iets verstaat van wat de dichter van ps. 116 onder woorden brengt: 'ik lag gekneld in banden van de dood, daar de angst der hel mij alle troost deed missen'.
Wat heb je het dan benauwd!
Maar wat moet het dan heerlijk zijn, eigenlijk een soort bevrijding, als je mag staan in de ruimte, leven in de ruimte, gaan in de.ruimte. Of, om het te zeggen weer met de dichter van psalm 116: God heeft mij verlost, Hij heeft mijn ziel gered, mijn tranen willen drogen, daarom zal ik wandelen in het vrolijk levenslicht.
'Wandelen in de ruimte.' Je vindt dit vaak in de Bijbel. Psalm 4 zingt: God heeft in angst mij hulp beschoren en mij doen gaan in ruime sporen. En in Psalm 31: Gij deed met vaste schreden Mij in de ruimte treden. En in Psalm 118: Ik werd benauwd aan alle zijden, maar God verhoorde mij in het lijden en deed mij in de ruimte gaan. De Heere maakt ruimte waar wij het niet zien. Hij maakt het mogelijk om verder te gaan, ook als wij diep bedroefd voor de onmogelijkheid staan.
'Wandelen in de ruimte.' Adam had in het Paradijs de ruimte met God, maar moest wel leven naar het gebod van God.
Dat voelde hij als een enge band. Hij wilde zijn eigen ruimte en vrijheid. Het is in de gevallen mens van vandaag niet anders. De mens zoekt de ruimte los van God, die het allerhoogst en eeuwig goed is. Dat is de 'los van-God-beweging'.
Uiteindelijk komt dat er op neer, dat men de kerk en God niet meer nodig heeft. De mens denkt dat hij wel goed kan leven en geloven zonder de Heere. Men propageert ook, dat men niet precies hoeft te lopen in het spoor van de ouders. Men wil vrij zijn en de ruimte hebben voor zijn eigen leven. De Heere Jezus vertelt het verhaal van een jongen, die ook de ruimte zocht: hij ging het huis van zijn vader uit naar de vreemde en zocht daar de ruimte voor zijn eigen leven.
Maar dat bracht toch geen geluk. Toen het geld op was, toen kwam de leegte. Of nog erger: toen voelde hij zich als een 'lam in de ruimte'. (Dit beeld gebruikt God van Israël in het boek Hosea.) Een lam voelt zich helemaal niet zo gelukkig, zonder moeder-schaap, in de open ruime vlakte.
Daar ontbreekt het dit lam aan alles: aan de moeder-warmte, moeder-melk, het krijgt last van honger en kou etc.
Het is hulpeloos, troosteloos, eenzaam, hongerig, een verloren schaap, de verloren zoon. En dat door eigen schuld.
Zo zijn wij buiten het paradijs terecht gekomen.
De mens is vandaag wel groot in kennen en kunnen, in verstand en in techniek. Maar in wezen is de mens niet gelukkig. Wel de welvaart, maar niet het welzijn.
Men zit met de angstige vraag: waar gaat het naar toe? Men heeft geen rust, en voelt zich niet tevreden.
We zijn als een lam, bedreigd aan alle kanten. Daar heeft de dichter van psalm 119 ook iets van gekend. Want we horen hem aan het eind van de psalm zeggen: gelijk een schaap heb ik gedwaald in het rond, dat onbedacht zijn herder heeft verloren.
'Ik zal wandelen in de ruimte.'
Als de dichter dat zo zegt, dan bedoelt hij dat niet als een levensdevies, op de manier van: Ik zal je eens laten zien, wat wandelen in de ruimte is. Hij bedoelt het ook niet als een gelofte: 'Ik zweer u, dat ik zal wandelen in de ruimte'.
Maar hij ziet het anders, namelijk als gevolg van het werk van Gods Woord en Geest, die levend maakt. En ook als een verhoring van het gebed: 'maak mij levend naar Uw Woord'. De vraag is: wat is dat wandelen in de ruimte? Het klinkt misschien heel vreemd voor u, maar wandelen in de ruimte is gaan op het smalle pad, op de smalle weg.
Een mens, die tot ruimte komt, komt dan op de smalle weg en gaat door de enge poort. Hij leeft nauw met de Heere en met het Woord, maar dat is de weg, die tot het leven leidt. Vandaag zeggen mensen: er is geen weg, er is geen toekomst, er is geen doel, geen bestemming, waar het leven naar toe gaat.
Maar de Heere Jezus zegt: er is wel een weg, maar die is smal. Want er is maar één God, één Naam, één geloof, één waarheid. Er is maar één manier om echt gelukkig te worden. En de Heiland getuigt van Zichzelf: Ik ben de Weg. De brede weg geeft wel ruimte (als je dat tenminste ruimte wilt noemen), maar geeft geen echt geluk. Dan moet je op de smalle weg zijn gezet. Je kunt wel struikelen op die weg, maar Gods kind valt er nooit af. Christus zei: niemand zal ze uit Mijn hand rukken. Die weg is zo smal, dat je niks er op kunt meenemen om het einde te bereiken. Onze tekst luidt berijmd:
Ik stap vol moeds op ruime baan.
Maar het is lang niet altijd zo vol moed en opgewekt. Wat wordt er geestelijk veel getobd. Wat gaan er velen worstelend, strijdend, kruipend op die weg.
Soms staan ze stil. Of vragen zich af: is het wel goed met me?
'Ik ellendig mens.'
Maar de Heere weet, dat we klein van moed zijn en vaak struikelen. Maar dan lees ik in mijn bijbeltje: richt weer op de trage handen en de slappe knieën. Verder: 'Zeg tegen de kinderen Israels, dat zij voorttrekken'.
De dichter zegt, dat hij wandelen zal in de ruimte, omdat hij Gods bevelen heeft gezocht.
Dat zoeken is er, als je geleerd hebt om Gods verbond en woorden als je schatten gade te slaan.
God zal dan zelf je leidsman wezen en leren hoe je wandelen moet. Dat zijn gelukkige mensen! Daarom begint de dichter van deze psalm met te zeggen: welgelukzalig d.w.z. het gelukkigste zijn die mensen, die ongeveinsd des Heeren wet betrachten.
Welzalig die bij dagen en bij nachten Gods wil bepeinst en Hem als het hoogste goed van harte zoekt met ingespannen krachten.
God zoeken: Zijn bevelen zoeken, altijd zoeken. Het blijft een zoeken, ook na ontvangen genade. Want je komt er nooit mee klaar om er achter te komen, wat de Heere bedoelt en wat Hij wil.
Je komt er uiteindelijk ook verlegen mee te zitten, want hoe meer een mens door Gods Geest leert om Gods gebod te zoeken, hoe meer hij zal zien zijn eigen tekort.
Maar door het wondere werk van de Heilige Geest word je in de ruimte steeds meer gebonden aan Gods Naam, Gods wil, Gods Koninkrijk, Gods dag, en vooral ook aan Christus. Je krijgt Hem steeds meer nodig.
En in die ruimte van de liefde en de genade van Christus ervaar je uiteindelijk: het is helemaal niet zo'n enge, benauwde zaak. Paulus zegt, dat Gods Kerk staat in de vrijheid, waarmee Christus vrijmaakte.
En als het leven hier op aarde, met zijn strijd en aanvechting, benauwd aan alle zijden, al een gaan in de ruimte is, hoe ruim zal het dan zijn in de hemel, als we altijd bij de Heere mogen zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juli 1980
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juli 1980
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's