De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Het beginsel van afscheiding getoetst (2)

Bekijk het origineel

Het beginsel van afscheiding getoetst (2)

Dr. H. B. Weyland voor Gereformeerde Oecumenische Synode

10 minuten leestijd

Twee weken geleden week hebben we een uitvoerig overzicht gegeven van het artikel van dr. H. B. Weyland in 'The Reformed Ecumenical Synod' over het principe van afscheiding.

Hij kwam tot de conclusie, dat met name Augustinus ervan uitging, dat veel kwaad in de kerk moest worden verdragen. Deze beriep zich daarbij op de gelijkenis van het onkruid tussen de tarwe (Matth. 13). Tot het eind van de tijd is de kerk pelgrimskerk. Verdraagzaamheid is zolang geboden.

Tegen deze achtergrond kwam dr. Weyland ook tot een beoordeling van de Nederlandse Geloofsbelijdenis, die enerzijds stelt, dat men zich moet afscheiden van degenen, die niet van de kerk zijn, terwijl men zich niet mag afscheiden van degenen, die van de kerk zijn. Hij meent dat artikel 27 van de NGB, waarmee de artikelen over de kerk inzetten, vooral de eenheid van ware gelovigen bedoelt en dat daarom ook de NGB het principe van afscheiding afwijst, ook al wordt gesproken over de merktekenen van de ware en de valse kerk. Zo bezien meent dr. Weyland, dat de vaderen van de vorige eeuw, met name met de afscheiding van 1834, voorbarig zijn geweest. De Hervormde Kerk in die dagen had niet moeten worden getoetst aan de merktekenen van de ware kerk maar aan die van de valse. In het laatste geval zou de conclusie hebben moeten zijn: 'toch niet vals dus in sommige opzichten waar.'

Aansprekend

We willen beginnen met te stellen, dat het artikel van dr. Weyland veel bevat, dat ons zeer aanspreekt. Eerder hebben we in deze kolommen uitvoerig Calvijn weergegeven tën aanzien van wat hij in zijn Institutie zegt over het bewaren van de eenheid en het mijden van scheuringen.' Calvijn spreekt over tarwekorrels, die in de kerk schuil gaan onder 'een groten hoop kafs' en wijst op de gemeenten te Corinthe en in Galatië om aan te geven, dat de Schrift ons niet voorgaat in het scheuren van de kerk en van de gemeente.

Dat dr. Weyland in dit verband ook wijst op wat de kerkvader Augustinus hierover naar voren heeft gebracht is uiterst waardevol. Zo óók wat hij opmerkt over wat de artikelen 27 tot 29 van de N.G.B, van meet af bedoelen, als ze de eenheid der kerk beogen: 'wij geloven en belijden een enige katholieke of alge­ mene kerk... niet gelegen, gebonden of bepaald in een zekere plaats, of aan zekere personen, maar (...) verspreid en verstrooid door de gehele wereld; nochtans tezamen gevoegd en verenigd (...) met hart en wil in éénzelfde Geest, door de kracht des geloofs.'

Als dr. Weyland dan de stelling in artikel 28, nl. dat men zich niet van haar, dat is van de kerk mag afscheiden, ziet tegen de achtergrond van artikel 27, waarin de katholiciteit van de kerk zozeer benadrukt wordt dan heeft hij daarin recht van spreken en heeft hij zeker ook kerkvaders als Augustinus en ook Calvijn aan zijn zijde.

De andere these, in artikel 28, namelijk dat men zich af moet scheiden van degenen die niet van de kerk zijn is soms al te gemakkelijk als kerkscheidend beginsel gehanteerd, waarbij het zicht op de artikelen 27 tot 29 in hun gehéél uit het oog verdween. In dit opzicht is dunkt me Weylands artikel een waardevolle correctie op met name de vrijgemaakt-gereformeerden, die de ware kerk bij zichzelf veronderstellen en van voortdurende reformatie (in de zin van afscheiding) hun beginsel hebben gemaakt, zich daarbij met name op deze zinsnede van art. 28 beroepend. Zijn artikel laat mijns inziens dan ook tussen de regels door telkens zien dat hij zich, als het gaat om de ware en valse kerk, ook telkens in gesprek begeeft met de vrijgemaakten.

Toch niet overtuigend

Dit gezegd hebbende moet het me toch van het hart, dat Weylands betoog ook weer niet overtuigend is. Het is op zich opmerkelijk, dat een geluid als dit komt uit de kring van hen, die ooit de Hervormde Kerk verlieten omdat deze valse kerk was geworden. Hoe vaak hebben de gereformeerden de hervormd-gereformeerden niet voorgehouden in het verleden, met name in de vooroorlogse jaren, dat zij breken moesten met de Nederlandse Hervormde Kerk, vanwege het ontbreken van de tucht? Dan is dit geluid van dr. Weyland, zijnde een nazaat van Kuyper (hij noemt zich overigens een zoon van de Afscheiding), bepaald opmerkelijk te noemen. Zijn geestelijk voorgeslacht stelt hij i^n feite in gebreke. De Afscheiding had niet moeten plaats vinden, is immers de conclusie waartoe hij komt.

Terzijde zij gezegd dat het óók opmerkelijk is, dat hij meer de Afscheiding van 1834 toetst aan de bij hem gerijpte visie, op grond van zijn 'bronnenstudie', dan dt Doleantie van 1886. Terwijl wij als hervormden toch eerlijk zullen moeten bekennen, dat de Afscheiding van 1834 méér op de debet-zijde van de vaderlandse kerk moet worden geschreven dan de Doleantie van 1886.

Als ik echter opmerk dat het artikel van dr. Weyland toch niet geheel overtuigend is dan zou ik dat aan de hand van drie punten willen duidelijk maken. In de eerste plaats: het uitgangspunt van dr. Weyland, t.w. de aansluiting van de Gereformeerde Kerken bij de Wereldraad van Kerken. In de tweede plaats de 'tolerante kerk', die hij bedoelt; en in de derde plaats - in direct verband met het tweede - de artikelen 27 tot 29 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis.

De Gereformeerde Kerken

Dr. Weyland heeft als uitgangspunt voor zijn beschouwingen genomen de vraag of de Gereformeerde Kerken, door aan te sluiten bij de Wereldraad van Kerken, niet een bondgenootschap met het ongeloof zijn aangegaan. Dat is op zich een riskant uitgangspunt. Gemakkelijk redeneert men vanuit zo'n uitgangspunt naar een bepaald standpunt tóé. De Gereformeerde Kerken zijn nu (eenmaal) oecumenisch geworden, staan bepaald ook niet achteraan als het gaat om de huidige ontwikkelingen in de theologie. Kerkvaders en ook de belijdenis worden - om zo te zeggen - dan nu te hulp geroepen als dekmantel voor eigen kerkelijke status-quo, de positie waarin men is komen te verkeren.

Toegegeven dat dr. Weyland dit artikel wel schrijven móést vanwege het feit dat de Gereformeerde Kerken behoren tot de Gereformeerde Oecumenische Synode, waar telkens ook de discussie opkomt of de Gereformeerde Kerken met b.v: hun aansluiting bij de Wereldraad van Kerken nog wel gereformeerd, in de zin van de belijdenis, zijn gebleven. Maar het blijft riskant om vanuit deze vraagstelling de zaak van de eenheid der kerk te benaderen.

Tolerante kerk

Belangrijker is evenwel de nadruk, die dr. Weyland legt op de tolerantie, de verdraagzaamheid. Hij komt tot een 'tolerante kerk'. Mèt Augustinus zegt hij, dat men veel kwaad in de kerk moet kunnen verdragen, omdat de kerk pelgrimerende kerk is en dat tot het eind van de tijd zal blijven. Daarin schuilt ongetwijfeld een waarheidselement. In de hele discussie om de ware en de valse kerk gaat het er in feite om, dat niet alles Israël is wat Israël héét, met alle consequenties van dien in leer en leven. Ook waar het beginsel van afscheiding het verst is doorgevoerd zal men er niet aan ontkomen, dat de kenmerken van de valse kerk ook daar aanwezig zijn; zo goed als kenmerken van de ware kerk daar aanwezig zijn, waar het beginsel van afscheiding ten principale is en wordt verworpen.

Maar een in-principe-tolerante kerk? Daarin verschillen we toch met dr. Weyland. Terecht heeft prof. dr. W. van 't Spijker in een reactie op Weyland's artikel in hetzelfde bulletin van de Gereformeerde Oecumenische Synode gesteld, dat in de beschouwingen van Weyland een tolerante kerk dan een kerk zou zijn, die toestaat, dat het evangelie wordt gepredikt alsook die toestaat dat een ander evangelie wordt gebracht. Hij acht dit principe van tolerantie onzuiver. Daarin ben ik het met hem eens. Prof. van 't Spijker plaatst zich - als christelijke gereformeerde - met zijn artikel duidelijker in de lijn van de afscheiding dan Weyland wil en ook dan hij van ons kan verwachten, maar op dit punt stem ik met van 't Spijker overeen. Hoezeer ook de belijdenis de spanning kent tussen het niet mógen afscheiden van de kerk en het zich moeten afscheiden van hen die niet van de kerk zijn, het begrip tolerante kerk kent de belijdenis niet. Hoezeer ook de apostel Paulus, ook wat de gemeenten van Cörinthe en Galatië betreft, de eenheid benadrukt, de dwaalleer tolereren doet hij niet. Daartegen toornt hij. Datzelfde doet Calvijn.

Nu zegt weliswaar dr. Weyland dat het getuigenis tegen de dwaalleer nodig is maar de pluriformiteit wordt om het anders te zeggen in de beschouwingen van dr. Weyland tot een dusdanig leidinggevend beginsel, dat heel uiteenlopende leringen toch onder dezelfde accolade van de ene kerk kunnen vallen.

Kerk met een belijdenis?

Dat brengt me op het derde punt. Tezeer mis ik in de beschouwingen van dr. Weyland, dat de kerk belijdende kerk moet zijn in de zin van de confessie. Weyland neemt zijn uitgangspunt in artikel 7 van de N.G.B., waaraan hij - met goed recht overigens - de andere artikelen, die over de kerk handelen, toetst. Maar de vraag blijft over hoe hij de overige artikelen van de geloofsbelijdenis, die handelen over de grote leerstukken van de kerk, ziet. Zijn die normatief voor het kerkelijk leven of zijn die het niet? Die vraag blijft onbeantwoord. Het zou ons liever zijn geweest wanneer dr. Weyland, bij zijn krachtdadig pleidooi tégen de separatie, een even krachtdadig pleidooi vóór het normatieve van de confessie zou hebben gevoegd. Dan was het spanningsvolle element van het niet mogen afscheiden en het ook moeten afscheiden, dat in de artikelen 27 tot 29 van de N.G.B, zo duidelijk aanwezig is, duidelijker uit de verf gekomen. Nu lijkt Weyland met zijn betoog toch te zoeken naar een grootst gemene deler voor de kerk van vandaag, naar een noemer waarop toch alle kerken, die in de huidige Wereldraad van Kerken bijeen zijn, kunnen worden gebracht.

Wanneer ik dit zo zeg, dan realiseer ik me zeer wel dit te zeggen als behorende tot een kerk, waar héél wat is en wordt getolereerd en waar het samen belijden op een heel ruime noemer staat. Maar het wordt dan ook gezegd vanuit een positie, nl. die van de Gereformeerde Bond in de Hervormde Kerk, waarin naast een niet-aflatende afwijzing van het beginsel van afscheiding een niet-aflatend pleidooi is gevoerd voor het recht der confessie. Een positie, die ons enerzijds kritisch doet staan tegenover de Wereldraad van Kerken. Een positie die ons anderzijds telkens weer de kritiek doet ontmoeten van hen, die menen dat gereformeerd zijn alleen buiten de Hervormde Kerk mogelijk is.

We komen er nooit helemaal uit

Intussen blijven we, als het gaat om de vraag van het kerk-zijn voor een onoplosbaar probleem staan, gezien de grote verdeeldheid der kerken. In elke kerk zijn er 'die van de kerk zijn'. In elke kerk zijn er óók, die niet van de kerk zijn. Dat probleem is met geen enkele scheiding ooit opgelost. Ook Jean de Labadie heeft met zijn kerk van louter wedergeborenen de oplossing niet gebracht. Ook dat vuur doofde. En de oude krakende kerk ging verder.

We staan vandaag voor de grote schuld en nood van de verdeeldheid. Velen, die tot het volk Gods behoren, gaan kerkelijk verschil­lende wegen, temidden van hen die tot de hypocrieten behoren. Het zal blijven kraken en scheuren tot de jongste dag, heeft prof. dr. J. Douma eens gezegd. Ik geloof dat dat waar is. Maar daar ligt tevens de nood van de kerk. En dat verhindert ons om op al te absolute wijze over de concrete plaats van de ware kerk vandaag te spreken. Het verhindert ons ook om al te absoluut over de plaats van de valse kerk vandaag te spreken. We zullen blijven zeggen, dat de kerk vandaag is 'verspreid en verstrooid door de gehele wereld'. Maar dat neemt de strijd om de, rechte leer niet weg. Ze sluit deze integendeel in.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juli 1980

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Het beginsel van afscheiding getoetst (2)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juli 1980

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's