De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De grondtalen van de Bijbel (2)

Bekijk het origineel

De grondtalen van de Bijbel (2)

De Heilige Schrift

8 minuten leestijd

Theologische doordenkingWanneer de belijdenis van het geïnspireerde karakter van het bijbelwoord het principiële en omlijnde uitgangspunt vormt van onze bezinning op de Heilige Schrift - dan sluit dat een aparte aandacht voor de menselijke factor van deze Schriften niet uit. Er is de primaire auteur, de Geest, Die Zijn eigen taal spreekt. De taal van de grote daden Gods, een taal die door de gelovigen onmiddellijk herkend wordt als de taal van Gods majesteit, genade en liefde. Maar er zijn ook de secundaire auteurs, dat wil zeggen de menselijke bijbelschrijvers die 'met huid en haar' door de Geest in dienst zijn genomen - als mensen van hun eigen tijd en met hun eigen cultuur en niet in het minst met de rijkdom én de beperking van hun eigen taal. Het zal duidelijk zijn dat de aparte aandapht voor de grondtalen van de Bijbel wel móet leiden tot een diepgaande doordenking van de aard van het Schriftgezag. God spreekt menselijke taal. Hij laat Zijn openbaring klinken binnen de ruimte én de engte, binnen de mogelijkheden én de grenzen van puur menselijke talen als Hebreeuws, Grieks en Aramees. Enerzijds komt in deze grondtalen de bijzondere schoonheid van de Bijbel tot uitdrukking, anderzijds is er juist op dit punt te spreken van de 'dienstknechtsgestalte' van de Heilige Schrift.

Theologische doordenking

Wanneer de belijdenis van het geïnspireerde karakter van het bijbelwoord het principiële en omlijnde uitgangspunt vormt van onze bezinning op de Heilige Schrift - dan sluit dat een aparte aandacht voor de menselijke factor van deze Schriften niet uit. Er is de primaire auteur, de Geest, Die Zijn eigen taal spreekt. De taal van de grote daden Gods, een taal die door de gelovigen onmiddellijk herkend wordt als de taal van Gods majesteit, genade en liefde. Maar er zijn ook de secundaire auteurs, dat wil zeggen de menselijke bijbelschrijvers die 'met huid en haar' door de Geest in dienst zijn genomen - als mensen van hun eigen tijd en met hun eigen cultuur en niet in het minst met de rijkdom én de beperking van hun eigen taal. Het zal duidelijk zijn dat de aparte aandapht voor de grondtalen van de Bijbel wel móet leiden tot een diepgaande doordenking van de aard van het Schriftgezag. God spreekt menselijke taal. Hij laat Zijn openbaring klinken binnen de ruimte én de engte, binnen de mogelijkheden én de grenzen van puur menselijke talen als Hebreeuws, Grieks en Aramees. Enerzijds komt in deze grondtalen de bijzondere schoonheid van de Bijbel tot uitdrukking, anderzijds is er juist op dit punt te spreken van de 'dienstknechtsgestalte' van de Heilige Schrift.

Schoonheid

B. Wielenga schreef een bekend geworden werk onder de titel 'De Bijbel als boek van schoonheid'. Hij gaat onder andere in op de taal-en klankschoonheid van de Bijbel in de oorspronkelijke talen.

Enkele sprekende citaten mogen hier volgen ter aanduiding van de essentie van zijn betoog. 'Bij zijn intocht in het beloofde land erfde Israël een dialect, dat niet te vergelijken was met één van de grote wereldtalen, opdat het door de Geest Gods, en in zijn heilige verbondsomgang met God, die taal hervormen en opbouwen zou tot de taal van het Woord van God. En dat heeft Israël gedaan. Door zijn geestelijke bevoorrechting en verrijking boven alle volken der wereld, is Israël in staat gesteld het Hebreeuws te verheffen en te bezielen tot een prachtig orgaan der openbaring Gods. Niet alleen in de tempel, maar ook in de taal van Israël verschijnt de volkomenheid der schoonheid blinkende.'

Het Hebreeuws is dus geworden tot wat het is door de Godsopenbaring die in deze taal geschiedde. Het is naar de stijl van Gods verkiezing dat zo'n verachtelijk dialekt wordt uitverkoren om taalkundig draagster van Zijn levende woorden te zijn. Maar dan mag ook beklemtoond worden dat de HEERE alles wat Hij gebruikt, veredelt en verheft. Wat Hij in dienst neemt, wordt daardoor op hoger plan gebracht. Een dergelijke waarneming kan ook gedaan wordeh met het oog op het nieuwtestamentisch Grieks. Maar dan wel met een opmerkelijk onderscheid. De Geest wilde im­ mers niet het kunstzinnige en fijnzinnige klassieke Grieks gebruiken - doch juist de sterk vereenvoudigde en vergroofde koinètaal.

'Vergelijking met het Hebreeuws doet ons zien een sprekend verschil. Het Hebreeuws was de oertaal van een klein, afgezonderd volkje, dat generlei directe taak had voor de wereldcultuur, en dus aan Israël niet anders kon overleveren, dan het ruwe erts, waaruit het verkoren volk zelf het taaigoud moest smeden om de geestestempel des bijbels te sieren.

Het Grieks was de wereldtaal, door een volk, dat in kunstzinnigheid en taalvermogen Israël overtrof, voortgebracht, gestyleerd en opgevoerd tot een graad van schoonheidsvolkomenheid, als wellicht nooit, noch vóór, noch na die tijd, door enig ander taalscheppend volk is bereikt... Om het Hebreeuws tot bijbeltaal te maken heeft Gods volk die, in zichzelf sobere, taal moeten verheffen en verrijken. Om het weelderige Grieks aan te passen aan de eenvoud van het 'dwaze' kruisevangelie, moest deze taal eerst worden versoberd en gegeneraliseerd, dienstbaar gemaakt aan het doel: een blijde boodschap te zijn voor alle creaturen!'

Toch is het niet zo dat Wielenga twee geheel tegengestelde bewegingen wil tekenen, die eenvoudig op de noemer te brengen zouden zijn van verheffing van het Hebreeuws en versobering van het Grieks. Immers, hij onderstreept tegelijkertijd dat er wat gebeurde met die eenvoudige volkstaal toen deze in dienst werd genomen voor de Godsopenbaring.

'Gelijk de Heilige Geest het Hebreeuws der Kanaanieten vergeestelijkt en verheven heeft tot 'het Woord Gods', zo heeft Hij ook het profane Grieks geadeld tot instrument van de eeuwige waarheid. Het nieuwtestamentisch Grieks vertoont daardoor 'een geheel nieuw literatuur-type, ontstaan op de bodem van het Christendom' (Bouma). En het zou verwonderlijk, ja onnatuurlijk, geweest zijn, indien de Geest Gods niet tevens aan die eigen taalvorm een eigen geestelijke schoonheid had gegeven... Omdat de vorm volstrekt onderworpen is aan de inhoud, en deze inhoud op zichzelf het meest ontroerende en verbazingwekkende, het meest heilige en waarachtige is, wat ooit in een boek werd neergéschreven, moest ook het Nieuwe Testament in zijn onopgesmukte stijlkleed het fijngevoelend hart, de geestelijk vatbare zinnen, strelen.' Wanneer we deze breedvoerige citaten van Wielenga op ons in laten werken, lijkt het haast of er een innerlijke tegenstrijdigheid ligt in zijn betoog. Het Grieks werd eerst onder de leiding van Gods voorzienigheid (en op het terrein van de algemene genade) versoberd om zo voertuig te kunnen zijn van het eenvoudige kruisevangelie. Maar vervolgens werd het nieuwtestamentisch Grieks door inspiratie van de Heilige Geest opgeheven tot een bijzonder niveau. Een andere schijnbare tegenstrijdig­ heid is: begonnen wordt met het bestaan van aparte heilige talen te ontkennen, Hebreeuws en Grieks blijken inderdaad heel gewone, menselijke en zelfs volkse talen te zijn. Maar dan toch weer wordt de term 'bijbeltaal' gehanteerd als aanduiding van een taaieigen en taalgebruik dat gestempeld en doortrokken i$ door de inhoud van Gods openbaring!

Spanningsveld

Naar mijn inzicht is hier echter niet zozeer van tegenstrijdigheden sprake als wel van een spanningsveld. Het belang van Wielenga's boek (de eerste druk verscheen overigens reeds in 1925) is dat het ons er toe leidt óók in esthetische catagorieën over de openbaring te spreken, met andere woorden om de Bijbel niet alleen als Boek van waarheid, maar ook als Boek van schoonheid te waarderen. We mogen niet na de 'ontdekking' van de pure menselijkheid van de grondtalen van de weeromstuit vervallen in een ontkenning van het eigen karakter dat de Heilige Schrift draagt tot in het taaigewaad toe, omdat de vorm nu eenmaal nooit slechts iets uiterlijks is, maar vanuit de inhoud wordt bepaald. Zouden we niet te kort doen aan het werk van de Heilige Geest wanneer we de ogen sluiten voor deze eenvoudige en onopgesmukte schoonheid van de Bijbeltaal? Deze overwegingen hebben ook konsekwenties voor het vertalen van de Bijbel. Er is de laatste tijd een groot aantal modernere en modernste, populaire en populariserende bijbelvertalingen op de markt gebracht. Het zou onjuist zijn daarover uitsluitend negatief te spreken. Vanuit de voortgaande bestudering van de grondtalen zal er telkens nieuw licht kunnen vallen op moeilijke en duistere tekstgedeelten. Ook kan er moeilijk principieel bezwaar worden gemaakt tegen het verlangen een eigentijdse bijbelvertaling te geven, zodat de mens van vandaag in het verstaan van Gods boodschap de barrière van een verouderd taalgebruik niet op zijn weg vindt. Maar dat neemt niet weg dat we juist wanneer we dergelijke vertalingen eens doorbladeren des te meer gelukkig zijn met onze aloude Staten-Vertaling, allereerst wel vanwege het daarin gehanteerde gereformeerde vertaalprincipe dat in alles zo dicht mogelijke aansluiting zoekt bij de grondtekst en een letterlijke overzetting wil zijn in plaats van een min of meer vrije parafrase (omschrijving). Maar in de tweede plaats omdat de Staten-Vertaling in de Nederlandse taal een ontwikkeling op gang bracht welke vanuit de verte parallel loopt met de verheffing van het Hebreeuws en Grieks tot Bijbeltaal, taal die gestempeld is door de Geest-doorademde boodschap. Wielenga zegt daarvan: 'Wij hebben reeds over de schoonheidswaarde van onze Statenvertaling gesproken. De mannen die dit grootse werk schiepen, toonden niet alleen te bezitten een eerbiedwekkende wetenschappelijke wijsheid en geestelijk verstand van de Waarheid, maar ook een bewonderenswaardig taalgevoel en taalvermogen. Sommige gedeelten van de Schrift, voornamelijk in de Psalmen en profetieën, zijn zó innig en welluidend verdietst, dat ze wel nimmer door enige taalkunstenaar... zullen worden overtroffen.' Dat het telkens weer afstemmen van de Staten-Vertaling op de ontwikkelingen van de Nederlandse taal alleen maar een goede zaak is (en het werk van de commissie-Tukker die een editie 1977 van de S.V. uitgaf is toe te juichen), behoeft in het licht van het bovenstaande geen betoog en heeft alles te maken met het geschetste spanningsveld.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 augustus 1980

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De grondtalen van de Bijbel (2)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 augustus 1980

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's