Herwaardering van de levensbeschouwing
Hulpverlening en geloof
Georganiseerd helpen
Sinds de mens er is, is er ook sprake van hulpverlening. Nog maar kort na zijn volmaakte schepping verviel de mens tot een hulpbehoevend wezen. Je zou kunnen zeggen dat hulpverlening er is bij de 'gratie' van ons zondige zijn. Maar ten diepste stamt die hulp niet af van het verkeerde, het kwade, maar van de algoede God die in bewogenheid omziet naar mensen in nood.
Door Zijn genade leerden mensen andere mensen te helpen. In deze tijd vraag je je wel eens af hoe dat nu eigenlijk zit. Helpen is voor velen een kwestie van 'beroepsmatig helpen' geworden. De gedachte dat 'ik', gewoon burger, kerkmens, buurman enz. de ander zou kunnen of moeten helpen is voor velen een absurde gedachte. 'Daar zijn toch de instanties voor' is dan het antwoord. En daarmee wordt dan gedacht aan allerlei hulpverleningsorganisaties als sociale diensten, instellingen voor maatschappelijk werk, gezinsverzorging, bejaardenhulp en ga zo maar door.
Het helpen is georganiseerd. Dat heeft zijn goede zijde: georganiseerd helpen betekent vaak beter helpen. Maar het heeft ook zijn kwade kant: de spontaniteit van het 'gewone' helpen is er door in de knel gekomen.
Die organisatie van de hulpverlening is niet van vandaag of gisteren. In ons land begon dit organiseren al eeuwen geleden. Zowel de kerk als de overheid hielden zich er mee bezig. Zo groeide er een situatie die leidde tot een goed georganiseerd hulpaanbod in ons land. Wij mogen wat dat betreft niet klagen. Onze sociale voorzieningen, ook op dit gebied, zijn uniek in de wereld.
De democratische verworvenheden in ons land zijn een garantie geweest om de dienstverlening zó te kunnen organiseren, dat ieder op de door hem gewenste wijze geholpen kon worden. Er waren hulpverleningsorganisaties op humanistische basis, op rooms-katholieke basis, vanuit de protestants-christelijke grondslagen.
In de 'Waarheidsvriend' van najaar 1977 gaf ik reeds een uitvoerig overzicht over het ontstaan van deze 'zuilen'.
Het subsidiebeleid van de overheid, de leegloop der kerken, de toename in het beroepsmatig denken en handelen; het zijn allemaal bijdragen geweest tot de z.g. ontzuiling in de maatschappelijke dienstverlening. De situatie is op dit moment in ons land zo dat ongeveer tachtig procent van het aantal instellingen op het gebied van maatschappelijke dienstverlening (gezinsverzorging en maatschappelijk werk) opereert op wat men noemt 'algemene basis'.
De zuilen zijn in de jaren zestig en zeventig afgebroken en in hoofdzaak in Zuid-Holland en Gelderland komen nog wat concentraties van protestants-christelijke organisaties op dit gebied voor.
Ondanks dit proces van 'verweredlijking' is toch de hulpverlening aan de naaste in nood gewoon doorgegaan. Georganiseerd doorgegaan.
Wat veranderde er?
Je kunt je afvragen of die overgang van levensbeschouwelijke naar (al dan niet 'gevulde') algemene instellingen ook gevolgen heeft gehad voor de inhoud van de hulpverlening. Ik meen van wel, en ook de rapporten over levensbeschouwing en maatschappelijke dienstverlening geven een overzicht over de ontwikkelingen op dit gebied.
De levensbeschouwelijke organisaties van vroeger wisten zich voor een groot deel sterk verwant aan de kerken. Doorgaans waren ze confessioneel gebonden en kwam de levensbeschouwing tot uiting in de statuten, de samenstelling van het bestuur, de gebondenheid van werkers aan de kerk.
Kortom, levensbeschouwing was een zaak van de kerken. Het hoorde thuis binnen de muren van confessionaliteit, kerkelijkheid, godsdienstigheid.
We zijn ons hopelijk al te zeer bewust, dat die situatie thans niet meer reëel is. De kerken lopen meer en meer leeg. De vraag doemt zelfs op hoe die kerk er op dit moment eigenlijk wel uitziet. Kenmerkt de kerk zich door een groot aantal jongeren? Door ouderen? Hoe 'grijs' is de kerk inmiddels geworden? En wie zie je nog in de kerk? Onderzoeken hebben al uitgewezen dat de grote 'middenmoot' in de kerken niet gezocht moet worden onder Jan Modaal uit fabriek, bouwnijverheid of haven. Evenmin is die te vinden bij de intellectuelen, maar veel meer onder de agrarische plattelanders en het zogenoemde 'middenstandsmilieu'.
Gezien vanuit de geschiedenis zou je nu kunnen concluderen dat de levensbeschouwelijke waarden en normen zich dan ook nog maar beperken tot de laatstgenoemde categorieën en ze afgedaan hebben voor de overige bevolkingsgroepen.
Vermoedelijk heeft deze gedachte ook langzamerhand post gevat in de kringen van de maatschappelijke dienstverlening. Dat kon ook gemakkelijk gebeuren, want veel sociale academies leverden werkers af die geleerd hadden dat je maar niet moest ingaan op vragen rond de levensovertuiging van de cliënt. Dat was ten eerste niet het gebied van de professionele hulpverlener en ten tweede zouden die vragen ook niet meer zo belangrijk zijn.
Levensbeschouwelijke vragen werden min of meer tot achterhaald gebied verklaard. Dat betekent dat ze in veel gevallen bij de cliënt werden ontkend. De hulpverlener deed net of die vragen er niet waren, en voor zover hij er met zijn neus op gedrukt werd, wist hij er geen weg mee.
Onder meer vanuit deze ontwikkeling verrezen er weer enkele specifiek levensbeschouwelijke sociale academies, zoals die te Ede, Zwolle en Kampen.
Ondertussen is het echter een feit gebleven dat een groot deel van de bevolking zich niet meer verbonden weet en wil weten aan een kerk. Een feit is ook - en dat blijkt maar al te vaak in de hulpverlening - dat die kerk in een slechte reuk staat. Dat er bij velen een behoorlijke agressie aanwezig is tegen 'hun' kerk zoals zij die in het verleden nog hebben meegemaakt. Mét de kerk hebben ze gepoogd ook de levensbeschouwing overboord te gooien.
Jazeker, er is wat veranderd! De cliënt werd min of meer anti-levensbeschouwelijk of anders-levensbeschouwelijk. En ook de hulpverlener paste zich in dit proces op bijna 'natuurlijke' wijze aan: hulpverlening heeft niets - zo heette het - te maken met levensbeschouwing. Althans échte professionele hulpverlening niet. Dit werk heeft geen kerkelijke binding meer. Niet de levensbeschouwing speelt een rol maar het 'welzijn'.
Een ontdekking
Bij allerlei maatschappelijke ontwikkelingen is de 'reactie' een vrij normaal gegeven. Zo kon ook de reactie op de deconfessionalisering, de ontzuiling enz. niet uitblijven. Een teken daarvan zijn de rapporten over maatschappelijke dienstverlening en levensbeschouwing.
De ondertitel van één der rapporten is: 'Restauratie of emancipatie? ' Hiermee wil dus gezegd zijn of men weer terug moet naar de levensbeschouwelijke organisaties van voorheen, 'de zuilen', of dat de levensbeschouwing op andere, meer eigener wijze, een plaats dient te hebben in de dienstverlening. In ieder geval komt men tot de conclusie datje in de hulpverlening aan de cliënt niet om de levensbeschouwing heen kunt en ook niet er om heen mag.
Dat is nogal wat in een wereld die wij voor ontkerstend houden. Uit de rapporten valt de conclusie te trekken dat men het met de 'verzuilde organisatie' niet meer zo ziet zitten. Ik denk ook dat dit een reëel gegeven is. Natuurlijk, er zijn nog christelijke organisaties en we mogen er dankbaar voor zijn. Maar de tendens is duidelijk merkbaar dat ze eerder afnemen dan toenemen. Alleen in de rechterflank van de gereformeerde gezindte zien we nog wat nieuwe initiatieven om te komen tot 'eigen' hulpverleningsorganisaties. De vraag is echter of dit in wezen niet een achterhaalde zaak is en men wellicht te zeer vertrouwt op vastgelegde regels in de statuten van die organisatie.
De rapporten wijzen dus niet de weg aan van herstel van de christelijke organisatie. Maar wel wordt erkend dat de hulpvragers, de cliënten, ondanks hun aversie tegen kerk, confessie en godsdienstigheid, werken en leven vanuit normen en waarden die ontleend zijn aan kerk, confessie en godsdienstigheid. Ook wordt erkend dat je als professionele hulpverlener niet om de vragen op dit gebied heen kunt. Je mag er niet omheen.
Om tot die ontdekking en conclusie te komen moet je als hulpverlener ervaren hebben waar de cliënt ten diepste mee zit.
Langzamerhand beginnen hulpverleners dat te ontdekken. Zij ontdekken dat levensbeschouwing blijft, doorwerkt en dat je er niet omheen kunt. Ontdekt wordt ook dat levensbeschouwing méér is dan kerk, confessie of godsdienst. Dat het er mee samenhangt maar dat levensbeschouwing eigenlijk alles te maken heeft met je mens-zijn.
In de genoemde rapporten gaat men zelfs verder door levensbeschouwing te definiëren als 'visie op het leven', de persoonlijke wijze waarop mensen tegen het leven aankijken. Of nog anders gezegd: levensbeschouwing heeft te maken met heel het gebied van zingeving aan het leven, inclusief de normen en waarden. Levensbeschouwing is een menselijke behoefte.
Uit deze omschrijvingen blijkt overduidelijk dat men levensbeschouwelijke vragen niet wil beperken tot geloofsvragen. Het omvat meer, het heeft te maken met het ervaren en waarnemen van de werkelijkheid, met de zin van het leven.
Vanuit een christelijke visie gezien heeft echter ook de werkelijkheid, de zin van mijn leven alles te maken met mijn 'geloof'.
In ieder geval is het een verheugend gegeven dat hulpverleners weer aandacht gaan schenken aan de levensbeschouwing in hun helpen. Dat biedt ook perspectief voor wezenlijk christelijke hulpverlening. In het volgend artikel wil ik dan ook wat nader ingaan op de levensbeschouwelijke hulpvraag.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 augustus 1980
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 augustus 1980
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's