De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De vraag achter de hulpvraag

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De vraag achter de hulpvraag

Hulpverlening en geloof (2)

9 minuten leestijd

De vier nietenIn het vorige artikel schetste ik in het kort de ontwikkeling van de levensbeschouwing in de hulpverlening. Na een bijna geheel negeren van de levensbeschouwing door de hulpverlener is er thans weer een ontwikkeling merkbaar, dat helpen alles met levensbeschouwing te maken heeft. Dat is een gelukkige ontwikkeling, hoewel de hulpverleners daar nu anders op in moeten spelen dan vroeger. Dat hangt samen met onze totaal veranderde maatschappij, waar de zekerheden van godsdienst en kerk voor een groot deel zijn weggevallen.

De vier ‘nieten’

In het vorige artikel schetste ik in het kort de ontwikkeling van de levensbeschouwing in de hulpverlening. Na een bijna geheel negeren van de levensbeschouwing door de hulpverlener is er thans weer een ontwikkeling merkbaar, dat helpen alles met levensbeschouwing te maken heeft. Dat is een gelukkige ontwikkeling, hoewel de hulpverleners daar nu anders op in moeten spelen dan vroeger. Dat hangt samen met onze totaal veranderde maatschappij, waar de zekerheden van godsdienst en kerk voor een groot deel zijn weggevallen.

Ik gaf reeds aan, dat levensbeschouwing breder wordt gezien dan voorheen. Er is min of meer algemeen-menselijke uitleg aan gegeven. Levensbeschouwing hoort bij je. Een mens kan niet zonder. Het is een behoefte. In de rapporten over levensbeschouwing in de maatschappelijke dienstverlening wordt ook nadrukkelijk aangegeven, wat levensbeschouwing niet is.

Was het voorheen zo dat je, als je aan levensbeschouwing dacht, ook dacht aan kerk, belijdenis. Bijbel, godsdienst, thans ligt dat wat anders. Het is niet meer zo gemakkelijk te duiden.

In de genoemde rapporten wórdt aangegeven dat levensbeschouwing:

1. Niet los verkrijgbaar is. Voor de hulpverlening betekent dit heel concreet dat je zomaar niet aan levensbeschouwelijke hulpvragen voorbij kunt gaan. Je kunt niet direct verwijzen naar een 'levensbeschouwelijke specialist' zoals predikant, ouderling, diaken. De levensbeschouwing in de hulpvraag is niet los te maken. Vormt één geheel.

2. Niet een segment is. Dit sluit geheel aan op het voorgaande. Een segment is volgens het woordenboek een deel van een cirkel. Levensbeschouwing is dat niet. In ieder geval niet een concreet te onderscheiden deel van het geheel. Levensbeschouwing is verweven in de roep om hulp van de cliënt.

3. Niet af te zonderen is. Ook dit is al min of meer aangegeven. In de hulpvraag zit altijd een levensbeschouwelijk element. De normen en waarden van de cliënt zijn er geheel mee verbonden. Die mag je dan ook niet lospellen en terzijde leggen, omdat die levensbeschouwing behoort tot de werkelijkheid van de hulpvrager. Het behoort tot de zin van zijn leven.

4. Niet te organiseren is. Het rapport stelt nl. dat als je in de dienstverlening de levensbeschouwing organiseert, je niet meer met de mens en zijn vragen bezig bent, maar veel meer de kerk, de godsdienst, de regels. De opstellers van de rapporten 'geloven' kennelijk niet meer in de levensbeschouwelijke organisatie.

Dat 'geloof' komt niet zomaar uit de lucht vallen. Onderzoekingen hebben uitgewezen, dat doorgaans de hulpverlening van specifiek rooms-katholieke of protestantschristelijke hulpverleningsorganisaties niet verschilt met die van 'algemene' of 'neutrale' zuilen.

Ik ben van mening, dat we deze negatieve formulering van de levensbeschouwing toch voor een groot deel serieus moeten nemen en moeten erkennen. Doen we dat niet, dan steken we als een struisvogel de kop in het zand en zullen we niet aansluiten op de hulpvraag van de cliënt, die leeft in een ontkerstende wereld. Of de doorsnee-hulpver-le(e)n(st)er hiermee uit de voeten kan, is een kwestie, die ik in een volgend artikel nog hoop aan te roeren. Ik wil nu aan de hand van concrete hulpvragen duidelijk maken, hoe diep die levensbeschouwelijke achterliggende vragen daarin geworteld zijn.

Enkele voorbeelden

De wat verlegen jongeman kwam tijdens het spreekuur schuchter met zijn hulpvraag. Hij woonde al geruime tijd samen met zijn vriendin, maar de huisvesting was klein en ongemakkelijk. Zou de maatschappelijk werkster misschien kunnen bemiddelen bij betere huisvesting?

De vraag van de cliënt is hier vrij concreet: Ik red het niet alleen bij de instanties, help me op zo'n manier dat onze huisvesting beter wordt. Misschien zijn er lezers onder ons, die de vraag wat anders bekijken en eerst zélf vragen gaan stellen in de zin van: 'Hier woont iemand samen, dit stel is niet gehuwd, als christenmaatschappelijk werker ga je dan toch niet in op zo'n vraag? '

Inderdaad kan hier voor de hulpverlener een drempel liggen als hij constateert dat een cliënt geholpen wil worden, die andere normen heeft dan de helper zelf. Op dit moment wil ik hier niet op de ethische kant van deze vraag ingaan, misschien komt dat verderop nog aan de orde.

Wat hier echter van direct belang is, is het feit, dat twee jonge mensen zich door de huisvesting in de knel voelen zitten. Althans zó wordt het probleem gebracht.

Als hulpverlener ga je daar dan ook op in. In de enkele gesprekken die volgen blijkt inderdaad die huisvesting niet zo best te zijn. Maar is dat de oorzaak van de knelsituatie? Nee, ten diepste blijkt er iets anders aan de hand te zijn. Het loopt niet zo lekker tussen die twee. Er zijn telkens storingen en het is alsof ze twee vreemden voor elkaar aan het worden zijn. Langzamerhand blijkt dat de jongeman een totaal andere kijk op het leven heeft dan zijn vriendin.

Hij is opgegroeid in een streng godsdienstige sekte, terwijl zij van huis uit wel eens in de rooms-katholieke kerk kwam. Na verloop van enkele weken blijkt het probleem van de huisvesting niet het knellende probleem te zijn, maar veel meer de zingeving aan het leven. Toen de maatschappelijk werkster dit ontdekt had, en ook blijk gaf daar dieper op in te willen gaan, bleek de jongeman met allerlei onverwerkte normen en waarden vanuit zijn sektarische opvoeding te zitten. Het ontbrak hem daarbij aan kennis, inzicht en gevoel voor de liefde zoals die tot uiting komt in 1 Cor. 13. Toen hij dit hoofdstuk samen met de maatschappelijk werkster las, ging er een totaal andere wereld voor hem open.

Met een gevoel van tegenzin ging elke morgen de bejaardenhelpster weer naar die lastige oude vrouw. Zij zat maar vanuit haar invalidewagentje te commanderen wat er die dag allemaal maar weer gepoetst, gewassen en geboend moest worden. Want dat was de hulpvraag hier. Mevrouw leed al jaren aan rheuma en kon zelf nauwelijks iets beginnen. Er waren al veel bejaardenhelpsters geweest en geen van hen had het er lang uitgehouden. De hulpbehoevende cliënt stelde zich op, alsof ze slavinnen kon drijven en ook de best gemotiveerde bejaardenhelpster kan daar niet tegen. Daar kwam nog bij, dat deze cliënt, die lichamelijk totaal van anderen afhankelijk was, een erg scherpe tong had. Toen ze hoorde dat haar bejaardenhelpster kerkelijk was, moest ze het voortaan ontgelden. De schimpscheuten op kerk, geloof en God waren niet van de lucht. Op zekere dag kwam er weer zo'n cynische opmerking: 'Geloof je nou echt, dat bij de opstanding alle botjes weer bij elkaar geveegd worden? Ben je nou echt zo naief? ' De helpster reageerde hier na enig zwijgen op met: 'Ja, ik geloof in de opstanding der doden, maar ook het eeuwige leven. Ik geloof dat omdat Christus is opgestaan'.

Door deze duidelijke belijdenis van de helpster veranderde de hele situatie. De cliënt ging minder 'sneren' en meer praten. Er ontstonden gesprekken. Er ontstond zelfs een vertrouwelijke relatie. En tenslotte bleek hoe deze rheumatische verkrampte oude vrouw worstelde met haar eigen toekomstvragen. Ze stond voor het einde van haar leven. En ten diepste was haar vraag of zij straks, na dit leven nog gepijnigd zou worden door haar rheuma. Of zij in het leven na de dood weer als een invalide zou moeten leven, onvolwaardig, eenzaam, verkrampt.

De bejaardenhelpster wist door haar houding van trouw en openheid deze vrouw zo te helpen, dat zij voor haar dood nog omstraald werd door de glanzende beloften van het Evangelie.

Jarenlang al zat hij als een eenzame thuis. Hij had contact gekregen met de maatschappelijk werker omdat hij wat financiële moeilijkheden had. Maar in dat contact kwam ook de eenzaamheid levensgroot naar voren. Zijn vrouw was al een tiental jaren geleden overleden. Hij praatte er liever niet over. Het was zelfmoord geweest.

Met zijn kinderen had hij alle contacten verbroken. Buren en kennissen keken ook al niet meer naar hem om. Hij zat daar alleen, was blijven steken in een niet verwerkt rouwproces.

Naar gelang de maatschappelijk werker en de cliënt elkaar in die paar contacten wat beter leerden kennen, werd hij ook wat opener. Op voorzichtige en bedekte wijze praatte hij over zijn vrouw, die toch zo goed voor hem was geweest. Een portret van haar ontbrak echter overal. Er was niets meer te zien in huis wat aan haar herinnerde. Toen de maatschappelijk werker uit belangstelling daar naar vroeg, kwam onder uit een lade het fotoalbum te voorschijn. En daarmee kwam het moment van doorbraak. Dat manifesteerde zich allereerst in lange huilbuien. En tussendoor kwam langzamerhand een levensverhaal tot uiting, waarin een man beladen met schuldgevoelens zichtbaar werd. Die heeft hij in dit contact met déze hulpverlener helemaal kunnen uiten. Gelukkig kende de maatschappelijk werker ook iets van de 'absolutie' na de biecht, wist hij ruimte te geven aan schuldbeleving, maar ook aan schuldvergeving.

Verstand en gevoel

Uit de drie, vrij kort beschreven, voorbeelden komt overduidelijk naar voren, dat in veel gevallen de eerste vraag van de hulpbehoevende cliënt niet de eigenlijke hulpvraag is. Daarnaast blijkt ook dat in geval van ogenschijnlijke 'gewone' of materiële vragen, mensen ten diepste behoefte hebben om antwoorden te krijgen op levensvragen, op levensbeschouwelijke vragen.

Om dit te kunnen onderscheiden zal de hulpverlener, of dat nu een gezinsverzorgster is, of een maatschappelijk werker, dan wel een predikant, moeten beschikken over inzicht, combinatievermogen, waarnemingsvermogen enz. Je hebt heel je hulpverlenersverstand, compleet met alles wat je op school en in de praktijk geleerd hebt, erbij nodig.

Maar, wanneer we alleen daar op vertrouwen, ga je met deze cliënten wel de mist in. Blijf je steken bij de eerste hulpvraag en kom je niet bij de vraag achter de vraag. Daarvoor is meer nodig. Naast al onze verstandelijke gaven is toch ook ons gevoel van enorm belang. In hulpverleningskringen noemt men dit het 'invoelen' van de cliënt. Er zal als het ware een vonk moeten overspringen om déze cliënt met die diepliggende vragen te kunnen begrijpen, met hem of haar mee te kunnen voelen en van daaruit ook verder te kunnen helpen.

Graag wil ik daar in het volgende deel nog wat dieper op ingaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 augustus 1980

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

De vraag achter de hulpvraag

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 augustus 1980

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's