De Reformatie en het Woord (1)
De Heilige Schrift
'Tegenover de gezegden van kerkvaders, mensen, engelen en duivels poneer ik: niet het oude gebruik, niet de menigte der mensen, maar het Woord, het Evangelie der eeuwige, enige majesteit. Hier sta ik, hier zit ik, hier blijf ik, hier roem ik, hier triomfeer ik, hier belach ik papisten, thomisten... en alle poorten der hel. Gods Woord boven alles! Deze goddelijke majesteit ondersteunt mij, zodat ik mij er niet om bekommer of er duizend Augustini, duizend Cypriani, duizend kerken tegenover mij staan. God kan niet dwalen noch bedriegen'. Dit Luther-parool is wel heel typerend voor het gebeuren der kerkhervorming in de 16e eeuw. Talloos is in die tijd gevarieerd op het thema van Ps. 56: In God zal ik het Woord prijzen.
'Tegenover de gezegden van kerkvaders, mensen, engelen en duivels poneer ik: niet het oude gebruik, niet de menigte der mensen, maar het Woord, het Evangelie der eeuwige, enige majesteit. Hier sta ik, hier zit ik, hier blijf ik, hier roem ik, hier triomfeer ik, hier belach ik papisten, thomisten... en alle poorten der hel. Gods Woord boven alles! Deze goddelijke majesteit ondersteunt mij, zodat ik mij er niet om bekommer of er duizend Augustini, duizend Cypriani, duizend kerken tegenover mij staan. God kan niet dwalen noch bedriegen'. Dit Luther-parool is wel heel typerend voor het gebeuren der kerkhervorming in de 16e eeuw. Talloos is in die tijd gevarieerd op het thema van Ps. 56: In God zal ik het Woord prijzen.
De Reformatie en het Woord horen bijeen als de beek en de bron. Uit de bron van het Woord welt de beek van de Reformatie. Deze orde is niet om te keren. Niet de Reformatie bracht het Woord voort, maar het Woord verwekte de Reformatie. Het zou kunnen zijn, dat dit eenvoudige besef toch nog te weinig leeft. Zijn we niet wat geneigd om bij het woord Reformatie eerst en vooral te denken aan namen en woorden van mensen - Luther voorop, en in zijn kielzog al die grote mannen van naam? Toch hebben wij dan de dokumenten niet mee. Het getuigenis dat ons van de reformatoren overgeleverd is, wijst in een heel andere richting. Het was hun grootheid, dat zij woorden spraken aan Hét Woord ontleend, en dat zij hun namen verloren hadden aan die Ene Naam. Niet zij hervormden het Woord maar het Woord her-vormde hen. Kerkhervorming kan per definitie nimmer een zaak van onderop zijn. Zij gaat niet van mensen uit en komt niet van mensen voort. Om de eenvoudige reden dat de kerk als-zodanig geen beweging van mensen is, maar planting des Heeren. En alleen de Landman zelf behoudt Zijn planting: snoeiend en bevruchtend.
De Reformatie is geen krachttoer van mensen - met welk een toewijding aan gebed en horigheid, offergezindheid en organisatie zij ook gepaard ging - maar krachtsontplooiing van de Heilige Geest, die vaardig werd over mensen en wakker bleek over Zijn Woord. Op zijn manier drukt Luther dit als volgt uit: Terwijl ik met Philippus (Melanchton) en Amsdorf van het Wittenbergse bier zat te drinken, is het Woord zelf aan het werk gegaan en zo is de slag gewonnen. 'Dat heeft gemaakt, dat het pausdom zo zwak geworden is, als nog nooit een keizer of vorst er afbreuk aan gedaan heeft. Ik heb niets gedaan, het Woord heeft het allemaal zelf teweeggebracht. Ik heb stilgezeten en het Woord laten handelen'.
Wat minder beeldrijk, maar even ondubbelzinnig schrijft Calvijn aan één van zijn opponenten - 't is Pierre Caroli - : 'Men houdt hier en daar de toestand van de kerk voor zo verdorven, dat men alle hoop op herstel heeft opgegeven. Maar wie zo denkt, weet niet dat het bij de vernieuwing van de kerk, om een werk van God gaat, dat van menselijke verwachting en hoop even weinig afhangt als de opstanding der doden of een ander wonder van dien aard. De mogelijkheid om hier te handelen stamt dus noch uit de geneigdheid van de mensen, noch uit de gunstige tijdsomstandig heden, maar hier geldt het om dwars door alle vertwijfeling heen te breken. De Heere wil dat Zijn Evangelie gepreekt wordt. Dit bevel willen wij gehoorgeven, en gaan waarheen Hij ons roept. Naar de vrucht te vragen is niet ons ambt'.
Het is genoegzaam bekend, dat Luther noch Calvijn zich op Gods handelen beriepen, om eigen handen af te kunnen trekken. Zij hebben niet nagelaten om hun leven - om met Calvijn te spreken - in hun handen op te offeren aan God en zij zijn beiden in de allesopvorderende dienst van hun Meester verteerd. Maar zij waren aktief in de allerradicaalste vorm van aktiviteit: in de passiviteit van de volstrekte overgave, voegzaamheid en volgzaamheid van het geloof. Heel hun levenskracht lag verscholen in de plooien van het Woord. Vandaar dat de ziel van hun arbeid ook was gelegen in de prediking. En dan: prediking niet als menselijke kunst of kunde, maar als gunst, gave en gebeuren van Godswege. Is het in dit verband niet tekenend, dat Calvijn, die toch zo attent was op de verantwoordelijkheid voor de zuiverheid van de leer, uiterst 'passieve' formuleringen durft te gebruiken, zoals deze: 'De kerk is niet maar het gezelschap dat de zuivere leer heeft, dat ook - , maar zij is veeleer de plaats waar de zuivere leer de mensen heeft in de prediking van het Evangelie'.
De verkondiging van het Evangelie is voor Calvijn dan ook de eigenlijke stuwkracht achter de zegetocht van de Reformatie. 'Dat de pausen met zulk een woede tegen de wederopgestane prediking van het Evangelie te keer gaan, al hun krachten tot de ondermijning daarvan aanspannen en alle koningen en vorsten tot gewelddadigheid ophitsen, heeft geen andere oorzaak dan deze: het komt omdat zij zien dat hun hele heerschappij neerzinkt en in elkaar stort zodra het Evangelie zich heeft doorgezet'.
Dit is het geheim van de reformatoren: niet wij overmeesteren het Woord en niet wij overrompelen, aan de hand van het Woord, kerk en wereld, maar het Woord zelf is meester en neemt ons onder handen en houdt ons bij de hand in zijn soevereine gang door de historie. In de prediking voltrekt zich de Geestelijke tegenwoordigheid en heerschappij van de verhoogde Christus.
Voordat wij ons - wat uitvoeriger-tot Calvijn wenden, wijzen wij eerst op een drietal facetten die karakteristiek zijn voor Luthers visie op ons thema.
LUTHER
Woord als levende stem
Bij Luther - overigens zou dit voor Calvijn ook wel eens meer het geval kunnen zijn dan men veronderstelt - leefde altijd heel sterk het besef dat Christus deze Woord-heerschappij meer mondeling dan schriftelijk uitoefent. Daarmee heeft hij geen degradatie van de geschreven Bijbel op het oog, maar wil hij onderstrepen dat de Bijbel Woord is, sprake, boodschap, roeping, stem. Gods Woord is veel meer dan de 'papi-eren', zakelijke overdracht van een waarheid. Het geschiedt en het schept! Het sticht gemeenschap tussen God en ons. Het is open-baring, onthulling van de levende God in aanzoek en, oproep, in naam geving aan ons adres en békendgeving van zijn eigen Naam.
Deze openbaring ligt in zoverre vast en is in zoverre gesloten, dat zij schriftelijk is gefixeerd in de Schriften. Maar dit vastliggen betekent geen stolling en stilstand, zodat wij eigenmachtig over Gods openbaring zouden kunnen beschikken. Veeleer andersom. De Schrift wil ter sprake komen en de Geest moet ter tale zijn, om over ons te beschikken en te regeren. Het Woord gaat zijn gang, Gods gang door de wereld. Het Evangelie is nieuwsbericht, zegt Luther, en moet gaan van mond tot mond. Want via mensenmond - die hangt aan Gods lippen in O.T. en N.T. - komt Gods Viva Vox (levende stem) tot klinken. 'Evangelion betekent niets anders dan prediking: het uitroepen van Gods genade en barmhartigheid, door de Heere Jezus Christus met Zijn dood verdiend en verworven. En dit is in wezen iets dat niet in boeken staat en in letters gevat kan worden, maar een mondelinge prediking, een levend woord en een stem, dié door de hele wereld klinkt, een boodschap die openlijk wordt uitgeroepen zodat men het overal kan horen'. Het is immers de aard van het Woord, dat het gehoord wil worden. 'Zie Christus niet met uw ogen, maar zet uw ogen in uw oren!' Daarom schroomt Luther niet om te stellen: Waar Gods Woord niet gepredikt wordt, is het maar beter dat men ook niet meer zingt of leest en in het geheel niet meer samenkomt. Want de kerk is 'een mondhuis, en geen penhuis'. Wat dit voor de prediking van het Evangelie betekent is duidelijk: 'Een prediker moet er zeker van zijn dat God uit zijn mond tot de gemeente spreekt. Zo niet, dan wordt het tijd dat op opstapt'.
Woord als geadresseerde boodschap
Dit zelfde boodschap-karakter kan Luther ook vanuit een andere gezichtshoek benaderen. Wij bedoelen Luthers schier onophoudelijke klem op de geadresseerdheid van het Woord. Het Woord is voor mij! 'Met dat Woord, dat mij aangaat mag ik het moedig wagen. Treft het mij niet, dan moet ik mij stil houden en afwachten'. Wij moeten dergelijke uitspraken niet te vaardig en eigengereid afdoen met subjectivisme of geestdrijverij. Luther laat zich bij deze overtuiging geenszins drijven op eigen geest, maar op Geest van het Woord. 'Het is alles Gods Woord, waar is het! Maar wat heb ik aan al dat gepraat over Gods Woord? Ik moet weten en erop letten tot wie het gesproken wordt'. En dit adresseren, dit persoonlijke thuisbezorgen, is geen vanzelfsprekendheid, maar wondere verrassing. Wij hebben het immers niet zelf voor het zeggen, maar Gods Geest! En Hij alleen zegt het ons 'te binnen'. 'Dan schrijft de Geest het Woord dat ons verkondigd wordt, innerlijk in het hart. Want die het horen krijgen van binnen een vlam, zodat hun hart zegt: Dat is waar, al zou ik er ook honderdmaal de dood om moeten lijden'.
Waar komt het dus opaan? 'Goed is alleen, aan Jezus' voeten te zitten en Gods Woord te horen. Zo wordt de ziel die aan het Woord hangt net zoals het Woord zelf: rein, wijs en heilig. Als ijzer in het vuur komt, wordt het rood en neemt de eigenschappen van het vuur aan. Evenzo wordt ook een zwarte kool rood in het vuur. Zo nu maakt ook het geloof, dat de ziel geheel verenigd raakt met het Woord. Het doorvuurt en doorgloeit de ziel, zodat die geheel de natuur van het Woord aanneemt. Nu kunnen noch hel, noch duivel noch enig ander schepsel het Woord berispen; zelfs God doet dat niet. Daarom, wie aan Gods Woord hangt, is onberispelijk. En daarom is niets beter dan: hangen aan Gods Woord'.
Woord als vleugels van de Geest
In dit Geestes-wonder - want dat is de bevinding van het Woord toch! - gaat het Woord voorop! 'Het Woord moet voorop gaan ofwel tevoren gesproken worden en daarna moet de Heilige Geest daardoor werken, zodat men dit niet omkeren mag en van een Heilige Geest droomt, die zonder het Woord en vóór het Woord werkt, rhaar met en door het Woord komt de Geest, en Deze gaat niet verder dan voor zover het Woord gaat'. De Geest vliegt binnen op de vleugels van de wind, dat zijn: mondeling gesproken woorden Gods. 'De Geest kan nergens méér tegenwoordig en levend aangetroffen worden dan juist in Zijn heilige letters, die Hij zelf schreef'.
Maar dit doet niets af aan de grond waarheid: het Woord is des Hééren. Hij beschikt erover! De vleugels van een vogel zijn niet de vogel zelf. De vleugels hebben niet de vogel, maar de vogel heeft de vleugels. Zo heeft de Geest het Woord. Hij heeft zeggenschap. Hij hanteert het Woord. Het is Zijn instrument. 'De Schrift geloven en lezen betekent: het Woord uit de mond van Christus horen. Als u dat gebeurt, weet ge dat het geen menselijk woord maar stellig Gods Woord is'.
Naar ons besef moet men op dit punt geen contrast, laat staan enig conflict suggereren tussen Luther en Calvijn. Alsof Luther met zijn hechte vervlechting van Woord en Geest, God de Heilige Geest zou hebben vergrendeld in het Woord, en Calvijn met zijn onderscheiding tussen Woord en Geest, de Heilige Geest zou hebben ontsnoerd aan het Woord.
Niets is minder het geval dan dat. Luther wist bij ervaring dat de goddelijke, vreemde vrijspraak van de goddeloze geen andere herkomst heeft, dan God in Christus door de Heilige Geest. Maar hij wist ook dat deze vrijspraak sprake is zwart op wit verzekerd in het Woord der Schriften. En hij wist evenzeer, dat niet hij met de Schriften de Geest had opgeroepen, maar dat de Geest in de Schriften hem had geroepen. Vandaar dat hij nimmer als 'de rechtmatige eigenaar' over de waarheid kon beschikken, maar bedelaar bleef aan de poort van het Woord.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 augustus 1980
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 augustus 1980
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's