Die in Uw Zoon verhoring gunt
Heidelhergse Catechismus Zondag 45, vraag 117
Wanneer de Heidelberger handelt over het gebed, geeft zij ons als het ware een wegenkaart in handen. Niet één waarop alle wegen en wegjes aangegeven staan. In enkele forse trekken worden de hoofdwegen aangegeven. Vandaar: 'Wat behoort tot zulk een gebed, dat God aangenaam is en van Hem verhoord wordt? '. In een kernachtige drieslag wordt daarop geantwoord.
Het eerste deel daarvan snijdt diep in en snoeit krachtig in het oerwoud van meningen over gebeden en bidden. Alleen de enige, ware God aanroepen! Gaat er niet een wereld schuil achter deze gedreven en geconcentreerde woorden? Een donkere diepte van afgoderij? Het leven is daarvan vol. Van steunen op anderen en iets anders dan de enige, ware God. Menigeen houdt God voor 't laatst. Zijn alle bronnen uitgedroogd, alle middelen uitgeput, dan wendt men zich tot God. En laat Hij nu de Enige zijn, die werkelijk met mensen bewogen is! Wat zijn uw afgoden eigenlijk? IJdelheden. Niets-en! Zij hebben oren, maar horen niet, ogen en zien niet.
De enige, ware God is de God van het Woord. Dat is een nadere toespitsing, die zijn reden heeft. Er zijn wat namen voor God in zwang. Het Opperwezen, ónze-lieve-Heer en meer van dat fraais. Ook al noemt u Hem de Alwetende of de Onveranderlijke, dan bent u nog in de marge bezig. Daarmee noemt u God niet in Zijn wezen. Dat heeft Hij geopenbaard in Zijn Woord. Een openbaring, die zijn brandpunt heeft in Christus Jezus. En al wat wij zeggen van God en al wat wij van Hem bidden, zeggen en bidden wij door Hem! De enige, ware God is de Vader van onze Heere Jezus Christus. Dat leert u niet van de media, dat raapt u niet op uit de praat van mensen, dat leert u alleen uit het Woord. Zo wordt veel vage vroomheid met wortel en tak weggesneden. Laat dat toe in uw leven! Anders zult u nooit in uw gebeden tot helderheid komen. Buiten het Woord, buiten Jezus om bidden is een kwalijke zaak. U tast in het duister. Uw woorden bereiken de hemel niet. Per slot van rekening: ie bidt, werkelijk bidt, houdt de Heere Zijn eigen Woord voor! Trieste constatering: enigeen leefde buiten het Woord. Totdat ziekte en dood aanklopten. Men bad, vurig en ernstig... en hoe vaak bleef het donker? .... Laat de welaangename tijd niet voorbijgaan! Bovendien, wat vraagt u van de Heere? God stelt hoge prijs op gebeden om genade en om de Heilige Geest (antw. 116). En wie genade en de Geest ontvangt, heeft toch alles? Ik denk aan dat machtige woord van Paulus uit Rom. 8 : 32: al mèt Zijn Zoon ons niet alle dingen schenken?
Het zou kunnen zijn, dat het tweede kenmerk van een recht gebed u wat vreemd voorkomt. U verwachtte dat hier niet? 'Onze nood en ellendigheid recht en grondig kennen, opdat wij ons voor h'et aangezicht van Zijn majesteit verootmoedigen'... Moet dat zo zwaar geaccentueerd worden? Een christen is immers verlost van zijn nood en ellende! Wis en zeker, maar het gaat blijvend om de juiste verhouding tot God. Met alle ontvangen genade, zijn wij niet tot rechthebbenden geworden. Bidden is geen commanderen! Twee dingen zijn en blijven onontbeerlijk: Godskennis en zelfkennis. En verdiept de laatste zich niet, naarmate wij God meer leren kennen uit Zijn Woord en in de weg van het gebed? Zelfkennis: onze nood en ellende recht en grondig kennen... Dat wordt nu nooit een gepasseerd stadium. De catechismus bouwt geen droomhuizen en luchtkastelen maar blijft nuchter en zakelijk. Wij worden aan de grond gehouden. Zolang wij leven blijven ze ons begeleiden: nood en ellendigheid. Ik waag te stellen: juist nadat wij met God verzoend zijn. Tegen zoveel liefdeen genade steken wijzelf zo schril en schraal af. Komt de liefde om haar rechten vragen, wat kunnen wij haar geven? Hoor Abraham: 'dewijl ik stof en as ben'. Juist bij ons bidden, mogen we bedenken: 'Zo Gij, Heere, de ongerechtigheden gadeslaat, wie zal bestaan? ' Toegegeven, zó kun je nooit een vrome christen worden, die het trof met zichzelf, die zo voortreffelijk bidden kan, anderen tot voorbeeld en tot ontmoediging. Wie recht bidt, bidt als arme zondaar, als een kreupele Jacob. Uit ons is er geen goed. Nood en ellendigheid recht en grondig kennen. Blijkbaar is dat geen ééndagswerk. Het is wel dagwerk: je voor het aangezicht van Gods majesteit verootmoedigen. Mogelijk roept deze tekening van het gelovige gebed kritiek op. Het is velen te benauwd, te armzalig, te bekrompen. Zij willen niet weten van deze ootmoedige grondhouding. Het christelijk geloof is zo niet, zeggen zij. Het zou met een zondaar excelsior gaan. Al hoger, al beter... Genade stelf immers in staat tot... Of meent u dat een christen zich in de heiligmaking nu maar eens moet bewijzen? De Heere zorgt ervoor, dat wij niet boven de genade uitgroeien! Vandaar!
Overigens, we mogen pleiten voor een gezond evenwicht in ons gebed. Daarom dat derde aspect. 'Dat wij deze vaste grond hebben, dat Hij ons gebed, hoewel wij zulks onwaardig zijn, ' om des Heeren Christus! zeker wil verhoren, gelijk Hij ons in Zijn Woord beloofd heeft.'
Er is veel zogenaamde nood en ellende. Er worden vele zuchten geslaakt over zonden en gebreken. Maar de verbrijzeling van ons hart is God alleen dan aangenaam, wanneer ze met geloof gepaard gaat. Een verbrijzeld hart zonder meer brengt ons nergens. Alle gevoel van zonde is niet uit God. Ook hier kan er een droefheid zijn, die tof de dood is. Droefheid naar God brengt u tot God. Verwissel zwaarmoedigheid niet met deze droefheid. Rechte kennis van uw ellende drijft u uit naar Christus. Dan wordt uw gebed een zoeken naar vaste grond. Naar zekerheid. Hoor, wat een helder Evangelie: 'dat wij deze vaste grond hebben' Waar? In onszelf? In geen geval! Het thema keert terug. Gelijk Hij ons in Zijn Woord beloofd heeft! Maakt u biddend gebruik van het Woord? Zou veel heilsonzekerheid niet samenhangen met een spaarzamelijk gebruik van het Woord? En daarvoor heeft de Heere het u toch gegeven? Daarom kijkt een gelovige altijd naar twee kanten. Naar zichzelf, inzover hij weet van zijn zonde en ellende. Naar de Heere, omdat hij weet uit het Woord: bij U is vergeving. Weet u wat onze kwaal is? Wij willen altijd een extra behandeling, een buitengewone verzekering. Wij hebben aan het Woord niet genoeg. En daarom is ons gebed zo vaak lam geslagen en tot onvruchtbaarheid gedoemd.
Wij hebben deze vaste grond. Wie daarop bouwt en hoopt, pleegt geen diefstal. Wie Christus aanroept en Zijn genade inroept, gaat niet buiten zijn boekje. Integendeel, hij gaat in de weg van het Woord. Dat Woord, dat u en mij er radicaal buiten zet. Omdat het ons leert: God hoort om Christus' wil. Hij heeft genade verdiend. Toen Hem alle gehoor werd ontzegd. Toen niemand zorgde voor Zijn ziel.
Toen heeft Hij deze vaste grond gelegd. In Zijn bloed en wonden. Tot dat bloed mag u vrijmoedig vluchten. Daarom is er bij onze God welbehagen, een open oor, onbeperkte gunst en eeuwig leven. En ook als de Heere niet verhoort - en wat een strijd betekent dat - en ook als onze wensen niet in vervulling gaan - het kost soms ons vlees - dan toch is er genade, die genoeg is. Ook al blijft de doorn steken en de last drukken. Ook al laat de Heere u in de nood, in ziekte, in zwakte, in onmacht en verdrukking. Mijn Jezus is genoeg voor mij in leven en in sterven. Houd ik in mijn weg het oog op Hem gericht, zo heb ik deze vaste grond: Hij is machtig méér dan overvloedig te doen boven al wat wij bidden of denken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 september 1980
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 september 1980
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's