De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Reformatie en het Woord (3)

Bekijk het origineel

De Reformatie en het Woord (3)

De Heilige Schrift

11 minuten leestijd

Belofte

Hoe staat het voorts met de term belofte? Wat is daar - reformatorisch gesproken - mee gezegd? Wij zijn wellicht geneigd om te denken aan de gebruikelijke betekenis: een belofte is niet niets, maar nog veel minder alles. Beter één vogel in de hand dan tien in de lucht! Wat beloofd is, is onzeker en onwerkelijk. Een belofte moet immers worden vervuld! En zodra de belofte vervuld is, houdt zij op belofte te zijn, want krijgt ze werkelijkheidszin en - waarde.

Deze trant van denken zullen wij op moeten geven als wij willen verstaan wat de Reformatie met belofte bedoelt. De belofte van het Evangelie moet niet nog worden vervuld, maar is vervuld in de vleeswording des Woords, in Kruis en Verrijzenis van de Borg. De Borg is de Garant. Ja en amen zijn in Hem al Gods beloften. Betrouwbaar tot in details. De inhoud van de Evangelieprediking is dan ook: de belofte Gods, d. w.z. de toezegging en verzekering van Zijn barmhartigheid. Als de belofte van het Evangelie wordt gepredikt, verschijnt geen schimmig verschiet door de mistflarden heen, maar daalt de volle, vaste werkelijkheid tot ons neer van Christus' volbrachte verzoening! Dit Evangelie is kracht Gods tot zaligheid voor een ieder die gelooft. Wie de belofte gelooft, betreedt daarmee geen voorstadium van het geloof, maar toeft in het heiligdom en rust in de werkelijkheid van Christus' gemeenschap. Want... de belofte is waar en werkelijk als sprake Gods, als vrucht van Christus' bloed, als kracht van de Heilige Geest. 'In het Evangelie heeft God dat wat Hij oudtijds beloofde, vervuld', geldt het voor Calvijn. 'Zulk een onschokbare zekerheid moeten de dienaren Gods aan de dag leggen wanneer zij optreden, om het van Christus ontvangen Woord in zijn Naam door te geven. Zij moeten weten dat hun leer evenmin om te stoten is als God zelf!'

Over werkelijkheidskarakter gesproken! 'Als Christus Zelf niet wankelen kan, dan geldt dit ook voor de prediking van Christus.' Onvervalste, onvermengde prediking van Christus, heeft en geeft dezelfde vastigheid als Christus allereigenste tegenwoordigheid zelf. 'In Gods beloften openbaart zich Zijn genade!' Want van Christus zijn ze vol. In Hem zijn ze 'verwerkelijkt' (!). 'Wij zullen het beste verstaan op welke wijze Gods beloften in Christus ja en amen werden, als wij ons de vrucht van Zijn dood en opstanding voor ogen stellen. Een andere vervulling zullen zij nooit hebben.'

Waar de belofte als een zekere werkelijkheid wordt ontvangen in het geloof, brengt zij ook reeds vervulling met zich mee. Gods ontferming wordt door de gelovigen werkelijkheid door het beloftewoord. Wie het Woord 'heeft', deelt in het heil. Wie op Gods beloften zinkt, valt Hem Zelf in de armen.

Maar waarom dan toch nog van 'belofte' ge­sproken? Omdat 'belofte' een woord is dat de spanning in zich draagt die zo kenmerkend is voor het N.T. Het is de spanning die is aan te duiden met de woorden 'reeds' en 'nog niet'. Reeds is de zaligheid er in present, werkelijk en werkzaam, maar nog niet wordt de zaligheid ten volle aanschouwd en bezeten. Reeds vervuld, maar nog niet onthuld! Tegen Servet, die beweert dat met het geloof in het Evangelie ons de voleinding van alle beloften ten deel valt, benadrukt Calvijn dat het 'volle bezit' nog uitstaat en onze zaligheid in de schrijn van de hoop ligt gehuld. 'De genieting blijft onder de hoede der hoop verborgen totdat...' En ' wij genieten Christus ook niet anders dan voorzover wij Hem omhelzen, bekleed met zijn beloften'.

Het gaat Calvijn dus om deze dubbele, spanningsvolle werkelijkheid: het geloof deelt wis en waarachtig in de zaligheid, en nochtans genieten wij haar nog steeds op de wijze van het Woord. Het is dezelfde spanning die Paulus aangeeft met de notie, dat de Heilige Geest ons waarlijk gegeven is, maar niettemin voorlopig 'slechts' als voorschot en voorproef!

Met deze belofte van het Evangelie moet het geloof het stellen. Het heeft het Woord nodig 'evenals de vrucht de levende wortel niet kan missen'. De belofte is het eigenlijke fundament van het geloof. En dat kan, omdat de belofte de gestalte is waarin Christus ons zijn gemeenschap biedt en te beoefenen geeft.

Het zal dus duidelijk zijn hoezeer dit beloftegeloof verweven is met de hoop! Hoe verkwikkend het rusten in de vervulde beloften Gods ook is, altijd gaat het gepaard met de hunkering naar de onthulling ervan. De rust die het Woord Gods ons schenkt, is tegelijk vol van een rusteloos verlangen. Immers, 'de voornaamste gerustheid (van het geloof) is gelegen in de verwachting van het toekomende leven, welke verwachting juist door het Woord Gods aan elke twijfel is ontheven'.

De belofte bant de twijfel uit, maar houdt het hopen gaande! Wij zien nu nog door een spiegel. Die spiegel is Gods Woord. De kennis van God die wij daaruit verkrijgen heeft niets bedriegelijks, en is wis en zeker. 'Maar vergeleken daarmee, dat wij eenmaal God van aangezicht tot aangezicht zullen zien, rnoet men deze kennis nog 'donker' noemen', zo schrijft Calvijn n.a.v. het slot van Paulus' hooglied der liefde (1 Kor. 13). Hoe bevindelijk en innerlijk het Geestelijk leven zich ook voltrekt - want de beloften van het Evangelie worden door de Heilige Geest aan het hart betuigd en verzegeld - , toch stijgen wij in deze bedeling nooit boven het geloof uit: wij leven niet door aanschouwen, maar door geloven. Gods heilgeheim wordt aan zijn vrienden wel getoond, maar naar Zijn vreêverbond. Dat wil zeggen, dat de verborgen omgang met God zich voltrekt via de beloften van het verbond van het Evangelie des vredes.

Op drie manieren zouden wij nu willen demonstreren welk een hoge dunk Calvijn heeft van het Woord, voornamelijk aan de hand van diens commentaar op de Hebreeënbrief. Het gaat hierbij om het Woord als spiegel van God, gewaad van Christus en wagen van de Geest.

Spiegel van God

Hogere eer is het Woord nauwelijks toe te kennen: God Zelf laat er Zich in zien als in een spiegel. Een van Calvijns definities van het geloof luidt dan ook: het geloof is een kennis van-Gods wil jegens ons die uit Zijn Woord verkregen is. Neem daarom het Woord weg, en er zal geen geloof meer overblijven. Geloof is aangewezen op het Woord en kan daarvan evenmin ontkoppeld worden als dat de stralen van de zon worden afgesneden. Zoals die stralen hun oorsprong hebben (oriuntur) in de zon, zo spruit het geloof uit het Woord (III, 2, 6).

In de beloften ontmoeten wij de onbedriegelijke God Zelf. Daar laat Hij zich vinden. Nergens anders treffen wij Hem aan. Krediet voor het Woord is krediet voor God zelf. Daarorh noemt Calvijn het geloof het voornaamste werk van de Heilige Geest, omdat wij in het geloof Gods waarachtigheid betuigen en eren. Het geloof zegt immers amen: Gij zijt betrouwbaar en geloofwaardig in Uw spreken. Vandaar dat het in de wind slaan van het Evangelie zo'n zware tol eist. Want dat is niets minder dan het afslaan van de grote genade Gods die erin wordt aangeboden. Hoe zullen wij ontvlieden indien wij op zo'n grote zaligheid geen acht slaan? 'Men lette erop, dat hier de uitdrukking 'zaligheid' staat in de plaats van het verkondigde Woord! De Heere wil toch de mens niet anders zalig maken dan door het Evangelie, zodat wie dit geringschat, iedere zaligheid die van God komt versmaadt. Want het is een kracht Gods tot zaligheid voor een ieder die gelooft...' Overigens dient dit tevens tot een sterke stut van ons geloof, omdat hier mee betuigd wordt 'dat in het Woord een zéker heil besloten ligt'.

Met het Woord valt niet te spotten. Bij het apostolische vermaan, dat geen schepsel voor God onzichtbaar is, tekent Calvijn aan: 'Het Woord Gods moet deze werking wel hebben. Want het deelt in het wezen van zijn Auteur! God is de hartenkenner. Geen schepsel kan zich aan Zijn blik onttrekken. Daarom vermag het Woord ook de meest verborgen hoeken aan het licht te brengen... De gedachte aan Zijn allesdoordringend wezen moet ons telkens als zijn Woord tot ons komt, met een heilige huiver vervullen.'

Overigens gewaagt Calvijn niet van deze majesteit van het Evangelie om iemand er van af te schrikken. Integendeel. Het geeft juist temeer moed om het Woord vast te grijpen, en de belofte in de schoot van het hart te koesteren en bewaren. 'Aan Zijn genadige belofte voegt Hij nog een eed toe, om ons volledige garantie te geven. Daaruit blijkt zonneklaar van hoe groot gewicht het voor ons moet zijn, om van Zijn welwillendheid jegens ons zó verzekerd te genaken, dat geen angstige twijfel ons meer bespringen kan. Zijn heilige, allerdierbaarste Naam stelt Hij als onderpand, als het er om gaat onze heilszekerheid te funderen. Zo veel is Hem daaraan gelegen!' Bij God is, geheel anders dan bij ons, onbetrouwbare mensen, de belofte al even overanderlijk als de eed. Wat God spreekt is de volle waarheid en in en door zichzelf geloofwaardig. Komt daar echter nog Gods eedzwering bij, dan ontstaat een overstelpende zekerheid, ons tot een krachtige troost gegeven. Daar moeten wij de toevlucht maar in zoeken. Geen enkele andere vrijplaats in de nood van ons leven dan de vesting van de belofte!

Zo vast en veilig is het Woord, dat het de ankergrond van Gods hart is, waarin het anker des geloofs zich neerlaat. 'Tijdens heel onze aardse pelgrimstocht staan wij niet op vaste bodem, maar drijven wij voort als op een heftig golvende zee. Onophoudelijk verwekt de vijand van onze zielen stormen, die ons schip weldra tot zinken brachten als wij niet het anker diep in de grond lieten neerzinken. Nergens is een rustige plaats te zien, waar zich onze zinnen ook heen spoeden, maar overal slechts water en dreigende golven. Maar zoals het anker door de branding uitgeworpen wordt in donkere en verborgen diepte en dit - zolang het daar ligt vastgehecht - het schip vasthoudt en voor het graf van de golven bewaart, zo moet onze hoop op de onzichtbare God zich vasthechten! Alleen in God komt zij tot rust, aan geen schepsel mag zij blijven hangen. Een zoals het ankertouw over alle gruwzame diepten heen het schip met de gronden van het water verbindt, zo vermag de in ons levend geworden, goddelijke Waarheid, tussen ons en God een band knopen die in iedere wederwaardigheid standhoudt, hoe donker die ook zijn mag. Zo met God verbonden lopen wij geen gevaar schipbreuk te lijden, hoezeer wij ook door bestendige stormen omspoeld worden.' En het moge op zee voorkomen dat de ankerketting knapt, 'gróter is Gods kracht, groter de gewisheid van Zijn Woord, en groter de macht van de hoop'.

Zonder ophouden bezweert Calvijn ons, dat het geloof aan het Woord hangt. Ons geloof berust daarop dat God waarachtig is en als de Waarachtige Zijn belofte gaf. Er heerst een innige samenhang tussen ons geloof en Gods belofte. 'Zonder Gods belofte geen geloof.' Daaruit ontvangt het geloof 'leven, kracht en koers'. Geen voet zullen we verzetten buiten het Woord! Zeker, het geloof neemt het ganse Woord, dus ook Gods bevelen en dreigingen eerbiedig ter harte, en wij kunnen ze beiden niet ontberen, 'maar omdat die op zich zelf nooit de Gode welgevallige houding zullen bewerken, wordt vooral het Evangelie als de boodschap van de goddelijke heilswil, het Woord des geloofs genoemt.' 'Dit maakt dus geloven uit: naar Gods spreken luisteren en zich op Zijn belofte verlaten.'

De beloften zijn dus betrouwbare ankergrond omdat God Zelf Zijn gewicht er in legt. Maar dat niet alleen. Ook Zijn gezicht vertoont Hij in de spiegel der belofte. God is zoals Hij belooft en verzekert, en niet anders. Zijn Woord is geen masker, maar gelaat. Nergens vonden wij deze vertroosting sterker bij Calvijn vertolkt dan. bij Hebr. 6:17, waar hij schrijft: Raads Gods heet de verkondiging van het Evangelie, opdat niemand er aan twijfelen zal, dat deze uit Gods binnenste hart is gestroomd, en de gelovigen telkens wanneer zij het Evangelie vernemen daarvan zeker zullen zijn, dat hun het geheime, voormaals verborgen raadsbesluit bekend wordt gemaakt, dat God tot onze verlossing Voor de grondlegging der wereld heeft opgevat'.

In het Evangelie ontmoet ons de verkiezende God. Ze zijn we vanzelf genaderd aan het tweede gezichtspunt: het Woord als Christus' gewaad. Door Christus immers gaat het welbehagen van de Vader gelukkig voort!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 september 1980

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

De Reformatie en het Woord (3)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 september 1980

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's