De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Afscheiding in de provincie Utrecht

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Afscheiding in de provincie Utrecht

4e deel van dr. C. Smits over de Afscheiding van 1834

15 minuten leestijd

'De boeken van dr. Smits bevatten een gedetailleerd overzicht van wat zich bij de Afscheiding in de diverse gemeenten afspeelde. Aan de hand van notulenboeken in hervormde en afgescheiden gemeenten en aan de hand van allerlei correspondenties heeft dr. Smits een nauwkeurig beeld kunnen vormen van de gang van zaken bij de Afscheiding en daardoor hebben zijn boeken grote historische waarde. Ze zijn het lezen dan ook méér dan waard.

Reeds eerder gaven we uitgebreid aandacht aan de boeken, die dr. C. Smits - wiskundeleraar in Gorinchem - schreef over de Afscheiding van 1834. Er zijn van zijn studie reeds drie delen verschenen, t.w. over Gorinchem en Beneden Gelderland (1971), de Classis Dordrecht ca. (1974) en de Documenten uithet Archief van ds. H. P. Scholte, bewaard te Pella in de U.S.A. (1977).

Thans is het vierde deel verschenen, dat handelt over de provincie Utrecht. In dit deel komen aan de orde de gemeenten Amersfoort, Bunschoten, Nijkerk, Scherpenzeel, Renswoude, Veenendaal, Rhenen, Leersum, Zeist, Utrecht (in vier hoofdstukken), Westbroek en Achttienhoven, Linschoten, Kockengen, Loenersloot, Oukoop en (Nieuwer) Ter Aa, Baambrugge, Oud Loosdrecht, 's Graveland en Hilversum.

'De boeken van dr. Smits bevatten een gedetailleerd overzicht van wat zich bij de Afscheiding in de diverse gemeenten afspeelde. Aan de hand van notulenboeken in hervormde en afgescheiden gemeenten en aan de hand van allerlei correspondenties heeft dr. Smits een nauwkeurig beeld kunnen vormen van de gang van zaken bij de Afscheiding en daardoor hebben zijn boeken grote historische waarde. Ze zijn het lezen dan ook méér dan waard.

Schuld

Bij het lezen van deze boeken komt men allereerst oijder de indruk van wat de Afgescheidenen is aangedaan, én van kerkelijke zijde én van overheidswege. De bekende inkwartieringen van soldaten in de huizen van afgescheidenen, het verbieden of bemoeilijken van hun samenkomsten zijn tekenen van schuld, die de Hervormde Kerk aan de Afscheiding heeft. In de kerk, waar aan het modernisme vrij spel werd gelaten, werden op verschillende plaatsen, waar het gereformeerde leven zocht naar een way of life, een wijze óm te leven, beperkingen opgelegd of het werd tegengestaan.

Of echter de tekst van Mattheus 5 vers 10, 'Zalig (zijn) die vervolgd worden om der. gerechtigheid wil, want hunner is het koninkrijk der hemelen', de bekende tekst uit de Bergrede, hier van toepassing is, is voor ons de vraag. Dr. Smits zet deze tekst namelijk als motto op de titelpagina van dit vierde deel. Daarin is dan onvoldoende verdisconteerd -en dat is het tweede dat ik vooraf op wil merken - het al te menselijke en schuldige, dat ook aan de Afscheiding eigen is geweest evenals de ontsporingen, die hebben plaats gevonden. Als dr. Smits bovendien in zijn 'Woord vooraf' opmerkt, dat er weliswaar in elke afgescheiden gemeente in het begin een crisis is geweest, maar dat het verwonderlijk is dat desalniettemin 'het kerkverband der Afgescheidenen niet alleen is blijven bestaan, maar ook is uitgegroeid tot het geheel (curs. van mij, V. d. G.), waarvan de geschiedenis mag verhalen', dan komt bij ons de vraag boven welk geheel dr. Smits bedoelt. Is dat het geheel van verdeelde afgescheiden kerken of is het een geheel van één kerk, die als ware nazaat van de Afscheiding overbleef? Wat dit laatste betreft, dr. Smits zelf behoort tot de kring van de vrijgemaakt-gereformeerden, die het ware kerk-zijn immers in hoge mate voor zich opeisen?

Hoezeer wij ons ook verwant weten met hen, die uit een werkelijk gereformeerd Anliegen in conflict kwamen met de haagse hervormde heren en de plaatselijke overheid, wij kunnen, gezien de latere ontwikkelingen ook, waarbij scheiding nieuwe scheiding opriep, resulterend in een veelheid van een elkaar bestrijdende kerkgenootschappen niet zo vlotweg met dr. Smits concluderen dat de Afscheiding is uitgegroeid tot een gehéél, waarbij dan ook nog de gerechtigheid uit de Bergrede wordt betrokken.

Desalniettemin leert ons dit vierde deel van de reeks over de Afscheiding veel. Dat de afscheiding van 1834 een 'reformatie der kerk' was - zoals dr. Smits betoogt - betwijfelen we. Ook de Afscheiding heeft de oplossing van het kerkelijk vraagstuk niet gebracht. Het gereformeerde leven in Nederland is er echter ongetwijfeld wel tijdelijk door gestimuleerd (ook in hervormde gemeenten waar de Afscheiding aan den lijve ervaren werd), maar het heeft niet tot een blijvende reformatie geleid.

Intussen geven we uit dit boeiende vierde deel van deze geschiedschrijving over de Afscheiding van 1834 graag enkele interessante gegevens door.

Ds. Salomon Mozes Flesch

De Afscheiding heeft - behalve bekende predikanten' als Brummelkamp, Scholte, De Cock e.a. - ook minder bekende en ook soms merkwaardige mannen gekend, ook al is over hen 'merkwaardig veel' geschreven (een woord van dr. Smits). Eén van deze was ds. Salomon Mozes Flesch te Amersfoort (1846-1847), wiens ouders overigens i.p.v. de naam Flesch de naam Vies droegen. Salomon Mozes werd met zijn vrouw en hun zoon Mozes gedoopt in de Hervormde Kerk van Broek in Waterland. In 1843 voegt het gezin zich in Kampen bij de Afgescheidenen, waar Salomon Mozes zijn opleiding tot predikant aanvangt bij ds. A. C. van Raalte (Ommen), hetgeen uiteindelijk resulteert in toelating tot de heilige dienst in 1846.

Salomon Mozes wordt in 1846 predikant in Elburg, waar hij slechts enkele maanden staat. Hij wordt op zondag 22 november 1846 in Amersfoort bevestigd, terwijl in geen enkel stuk overigens de naam van de bevestiger wordt genoemd. Na moeilijkheden, die hij in Amersfoort kreeg, - hij bedankt op 4 oktober 1847 als leraar en wel omdat hij 'den dienst voor mevrouw Zeelt te Baambrugge had aangenomen'; een vrouw die door dr. Smits 'de bekende weldoenster der Afgescheidenen' wordt genoemd - gaat ds. Flesch naar Harlingen, waar hij zonder bevestiging zijn werk aanvat. Enkele maanden daarna (begin 1849) gaat hij naar Dordrecht, waar hij in 1851 wordt geschorst. Hij sluit zich dan aan bij het 'verband van kruisgezinden'. Maar na een conclict - óók daar - vertrekt hij naar Edam. Begin 1854 gaat hij naar Minnertsga, waar hij intrede doet zonder te zijn bevestigd. Daar krijgt hij ruzie met een ouderling. Tenslotte keert hij terug tot het Jodendom. Na verhuizing naar Amsterdam herroept hij zijn terugkeer tot het Jodendom, waarna hij gaat preken voor een kleine groep te Amsterdam en Ouderkerk aan de Amstel. Als Flesch, na verhuizing naar Tiel, opnieuw predikant bij de Afgescheidenen wil worden en hem dat niet wordt toegestaan wordt hij in Heukelum weer Hervormd, waarna de levensreis naar Gorinchem en Rotterdam gaat. In Rotterdam gaat Flesch dan weer voor in een groep afgescheidenen, van de Kruisgezinden van ds. C. van den Oever. Als Flesch in 1862 overlijdt trouwt zijn weduwe opnieuw en voegt zich bij de Afgescheidenen in Dubbeldam.

Dit alles lezende realiseert men zich hoe mensen hun leven lang gekweld kunnen zijn door een kerkelijke onrust. Ze kunnen hun basis niet vinden. Het geval ds. Flesch is in zekere zin symptomatisch voor het separatisme, dat immer weer nieuwe scheuringen zoekt. De separatie van 1834 kan daarvoor niet verantwoordelijk worden gesteld, gezien de ordelijke kerkgenootschappen, die eruit zijn voortgekomen. Maar de separatie heeft ongetwijfeld toch ook separatisme opgeleverd. De levensgang van ds. Flesch is daarvan een voorbeeld. En zulke voorbeelden zijn er tot vandaag. Scheidingen, die al maar nieuwe scheidingen baren, omdat toch de katholiciteit der kerk uit het oog verloren werd.

Beroeringen

Bekend zijn de Nijkerkse beroeringen, die van 1749 tot 1751 in Nijkerk plaats vonden. Onder ds. Gerard Kuypers, toen het gemeentelijk leven in Nijkerk zeer ingezonken was - 'zelfs kerkeraadsleven begaven zich uit de kerk terstond naar de herberg' - ontstond er in de gemeente een geestelijke opwekking. Er kwam een 'openbare catechisatie' en iedere zondagavond 'een samenspreking over godsdienstige zaken ten huize van één der leden', een soort groot conventikel. Eén en ander werd echter gevolgd door meer 'spectaculaire' verschijnselen. Mensen gaan zich tijdens kerkdiensten en de openbare catechisatie uiten met wenen, jammeren en 'lichaamsberoeringen'. Ds. Kuypers evenwel, onder wiens bediening zich dit afspeelde, weigerde dit alles te beschouwen als werk van de Heilige Geest. De méésten komen - zei hij - op 'bedaarde wijze' tot zekerheid des geloofs. Wie dan ook door dit soort luidruchtig optreden de kerkdienst verstoorde werd door hem weggezonden 'ter tyd toe dat zy weer vatbaar zijn voor' t Woord'.

Prof. dr. D. Nauta beschouwt - met anderen - overigens deze opwekking te Nijkerk als een uitloper van de geestelijke opwekking, die in 1742 in Schotland zijn hoogtepunt vond onder de arbeid van de bekende prediker Whitefield. We noemen deze Nijkerkse beroeringen hier overigens slechts, omdat ook rondom de Afscheiding van 1834 zulk een verschijnsel zich in Nijkerk heeft voorgedaan. In 1821 stond daar ds. Bernardus Moorrees, die van de 5000 zielen tellende hervormde gemeente zei, dat er 'vele vromen' waren en dat het een gemeente was, die beroemd was 'wegens haar gehechtheid aan de oude leer, aan het ware christendom en zeer godsdienstig'.

Wel was het, gelijk op véle plaatsen, met het zedelijk leven van het volk niet zo best gesteld. De rustdag werd 'door kopen en verkopen, door luidruchtige vreugde, dronkenschap en allerlei zedeloosheden ontheiligd; de straten waren vol van jongens en meisjes, niet om goed maar, om kwaad te doen, die door zingen van zedeloze gezangen, door vloeken, razen en tieren de rustdag schonden'. Maar in die jaren vindt óók in Nijkerk een enorme toeloop naar de 'kleine godsvruchtige gezelschappen' plaats. Velen komen tot innerlijke verandering. De zondag krijgt een ander karakter. De voorheen volle herbergen staan' leeg. 'Nijkerk is Nijkerk niet meer', heet het dan; in gunstige zin overigens.

We nemen hier over wat dr. Smits terzake doorgeeft van een correspondentie die over één en ander ontstaat:

'Zonder te kunnen ingaan op de finesses van de correspondentie die één en ander tot gevolg had, delen we mede, dat op 6 maart 1821 Donker Curtius aan Janssen schreef: '.. .het is toch beneden het licht onzer dagen, dat zulke zotheden plaatsvinden'. Donker Curtius vreesde herhaling van de gebeurtenissen van rond 1750 en ook een uitbreiding van de beweging tot andere plaatsen. Ds. J. Pare te Barneveld en anderen kunnen echter weinig kwaad zeggen van de revival. Pare schrijft onder meer in maart 1821: 'Eens is in een zoodanig gezelschap een woest geschreeuw ontstaan, dat echter tegengegaan is en schoon er wel op straat niet gebeden wordt, is het nochtans op het gelaat der menschen geteekend, wat er in de ziel omgaat'. Uit rapporten van die tijd blijkt dat er in de winter van 1820-1821 vier grote en een aantal kleinere gezelschappen zijn, die in het geheel (misschien) wel door meer dan duizend mensen worden bezocht. Slechts door de beide predikanten en de twee geëxamineerde catechiseermeesters wordt 'onderwijs en bestuur' gegeven. Enige maanden later-in de zomer van 1821 - en ook daarna is de beweging in rustiger vaarwater terecht gekomen'.

Bunschoten

Ook in Bunschoten-Spakenburg hebben zich ten tijde van de Afscheiding soortgelijke, gebeurtenissen voltrokken. Daar hield ene ouderling Poort 'met toestemming van de predikant en vollen kerkeraad, publiek in de kerk oefening'. Het zou nl. de scheiding kunnen 'stremmen'. Als tenslotte de predikant van Bunschoten zijn medewerking niét meer geeft en de deuren van het kerkgebouw vergrendeld worden, wanneer 300 mensen gereed staan om Poort te horen, heeft dat tot uitwerking 'dat er een aanzienlijk getal van de voornaamsten der gemeente tot de Separisten zijn overgegaan'.

In 1840 voltrekt zich dan een 'opwekking', waarbij 'gescheidenen en niet-gescheidenen' waren betrokken. Ook hier begint het met gevoelsuitingen, bij het besef van eigen zondigheid of omtrent het ervaren van de genade. Een korte typering uit een brief van een zekere Jacob Beukers diene ter illustratie:

'Maandag bleef het water laag, zoodat de visschers niet uit de haven naar zee konden. De Heere werkte in onderscheidene huizen en harten en tegen den avond geraakte de menigte bij J. Baas en Willem Koelewijn. Daar werden de een voor en de ander na, aan zichzelven ontdekt; eenigen kregen licht in den weg der verlossing voor zichzelven en sommigen vielen de snoeren in zeer liefelijke plaatsen, zoodat het geroep om Jezus en het gejuich der verlosten, voortdurend als een rookoffer naar den hemel opging. Tegen drie uren in den nacht klopte men mij het bed uit, en zonder te wachten dat de deur openging, riep men: Beukers! Beukers! nu moet ik u vertellen, wat God gedaan heeft aan mijne ziel, en op een oogenblik was mijn huis opgepropt vol. De Heere was kenbaar in ons midden met den Geest der liefde uit te storten. Eenigen riepen: mijn hart overstelpt of berst van liefde; anderen vielen malkanderen om den hals en beleden en vergaven malkander de misdaden. Sommigen riepen hemel en aarde te hulp om des Heeren lof te vermelden. Met het aanbreken van den dag, zijnde Dinsdag, werd het werk der bekeering meer en meer algemeen en overvloediger. In meest alle huizen riep men om Jezus en er werden van uur tot uur in Sion geboren. Er heerschte eene buitengewone belangstelling. Vele visschers bleven uit zee. De huizen waren bij velen gesloten. Winkels en werkplaatsen stonden leeg of waren gesloten; met één woord, het is jubelfeest.

Nu riep er een: geef mij Jezus of ik sterf! of: o Jezus sla aan stukken de grendels van mijn ziel enz.; dan hoorden wij anderen hunnen zonden belijden en zich beklagen, dat zij zoo vele jaren de wereld of den Baal gediend hadden. Daar prees men de aangevochtenen een vollen Heere Jezus aan. Ginds waren geheele troepjes die sommigen met de doeken boven het hoofd en als uitzinnig van blijdschap en hand aan hand sprongen en huppelden...

Peter! het is niet te beschrijven hoe het onder ons eenige dagen toeging en was ik geen ooggetuige geweest, dan zou ik mij de zaak onmogelijk hebben kunnen verbeelden. Men kon het gejuich der in God verblijden ruim drie kwartier uur ver horen. De profetie van Joel kreeg onder ons hare vervulling. Dinsdagavond beraakten wij bij Wed. van de Geest, een der grootste herbergen. Eene ontelbare menigte was er bijeen, en het scheen alsof het werk meer bedaard stond te worden; maar tegen negen uur schoot de Heere ene genadepijl in het hart van een jongen van 16 jaren. De knaap vloog als een ter dood gewonde op en schreeuwde luidkeels: o God, dat is mij in 't harte. Hij scheurde in groote benauwdheid zijne kleeren van het lijf en riep van eeuwig verloren te zullen gaan, beleed zijne zonden, schreeuwende om Jezus en na slechts een uur al worstelende om genade te hebben geroepen, raakte hij tot volle geloofsruimte en prees Jezus aan onder ouden en jongen. Er rees leven, buitengewoon leven in ons midden. Velen kregen klaarheid in den weg der verlossing en bij anderen braken de banden, zoodat de plaats van vreugde dreunde. Tegen 10 uren begon de Heere Zijnen Geest meer bepaald onder de kinderen te zenden en tegen 12 uren in den nacht waren er, zoo wij mogen gelooven, meer dan 20 kinderen van 6 tot 12 jaren van uit den dood in-het leven overgegaan; -0vér het algemeen hadden deze kleinen een korten strijd en gingen meestal zacht en zalig over uit zichzelven in den Heere...'

Maar een maand later heeft de' extase plaats gemaakt voor 'allerlei onschriftuurlijke gedachten en het bedrijven van verkeerdheden'. Er ontstaat dan een beweging 'De Zwarten' genoemd, onder leiding van de eerder genoemde oefenaar Poort. De afgescheiden ds. S. van Velzen komt dan zélf naar Spakenburg. Tot hun droefheid moesten ze ervaren, dat 'Poort zich in Bijbelkennis kwam te verheffen boven, de denkbeelden van onze randteekenaren en van onze vaderen'. 'Zij stelden ver boven de brieven der apostelen hun eigen ervaringen, droomen, gezichten en openbaringen'. Een aantal personen kwam toen met schaamte en berouw terug tot de gemeente.

We zullen hier verder niet noemen alle extatische en bijzondere voorvallen, die zich voordeden. Wél willen we opmerken, dat gebeurtenissen als deze immer weer ter waarschuwing zijn voor een overschatting van het gevoel. Hoezéér ook doorleving van schuld en zonde en ervaring van de genade realiteiten zijn in het leven van Gods kinderen, het zijn geloofrealiteiten, geen gevoelsrealiteiten zonder méér, al staat het gevoel er niet buiten. Onze menselijke subjectiviteit, die ook aan de zonden onderworpen is, moet ondergeschikt worden (gemaakt) aan de objectiviteit van Gods heilsdaden in Christus, ons toegeëigend door de Geest. Zodra de objectiviteit aan de subjectiviteit ondergeschikt wordt ligt de weg naar de ontsporing open. Dat is ook duidelijk bewezen in de beroeringen te Nijkerk en Bunschoten. Het was overigens bij de Afscheiding zelf een bijverschijnsel. Het verschijnsel zélf deed zich ook bij niet-afgescheidenen voor.

Boeiend

Het zal intussen duidelijk zijn, dat het boek van dr. Smits ons op boeiende wijze een stuk kerkgeschiedenis uit de vorige eeuw tot leven brengt. We zouden nog meer kunnen aanhalen; b.v. over ds. Abraham Capadose (de Jood) die in Scherpenzeel dominee was en daar 'evangeliseerde onder de kinderen Sions'. 'Hij had zich toegelegd op het opsporen en terechtbrengen van de afgedwaalden, dan zou hij een evangelist in de meest ware zin van het woord zijn geweest, maar nu ging hij werken onder degenen, die in het algemeen al voor "vroom" doorgingen.'

Of over 'vrouwe J. J. Zeelt en haar kring' te Baambrugge, de grote 'weldoenster' der Afscheiding, die bij haar dood ƒ 556.055, 36 naliet. 'Een groote in Israël is gevallen' zegt ds. De Waal in zijn lijkrede in de Nieuwe Kerk van Amsterdam.

Maar de lezer neme het boek zelf ter hand. Wij kijken anders tegen de Afscheiding aan als de auteur. Het valt ons intussen op, dat hij geen oordeel uitspreekt over de door hem beschreven beroeringen in Nijkerk en Bunschoten (pag. 104). Vormen de vrijgemaakt-gereformeerden van nu, met hun toch wel duidelijke reserve ten opzicht van het 'bevindelijke', de wettige voortzetting van de Afscheiding? Of hebben ook zij elementen verloren, die in de beroeringen van Nijkerk en Bunschoten overigens al te zeer overbelicht werden en daardoor tot ontsporing leidden? Het boek plaats ons - bij alle nuttige informatie die het geeft - voor de onontkoombare vraag van het juiste evenwicht tussen het voorwerpelijke en het onderwerpelijke. Daarin is dit boek ook voor vandaag leerzaam en nuttig.

N.a.v. dr. C. Smits, De Afscheiding van 1834, 4e deel, Provincie Utrecht, Uitgave J. P. van den Tol, Dordrecht, 494 pag., 69, 50.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 september 1980

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

De Afscheiding in de provincie Utrecht

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 september 1980

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's