Uit de pers
De Vrijzinnig-Hervormden
Scheps’ Kerknieuws had een gesprek met c/r. L. C. van Loon endrs. W. H. Stenfert Kroese, respectievelijk voorzitter en secretaris van de Vereniging van Vrijzinnige Hervormden. De vereniging is de laatste jaren weinig naar buiten getreden, is ook aan het vergrijzen. Hoe ziet men nu de positie binnen de Hervormde Kerk.
De vrijzinnige hervormden maken deel uit van de Nederlandse Hervormde Kerk. Is nooit het verlangen gerezen een zelfstandige kerk of geloofsgemeenschap te vormen?
Dr. Van Loon: 'De vrijzinnige hervormden maken inderdaad heel bewust deel uit van de Nederlandse Hervormde Kerk. Tegen het eind van de vorige eeuw kwamen onder invloed van onder meer de wetenschap binnen de kerk niéuwe, modernistische denkbeelden op. De Nederlandse Protestanten Bond is toen ontstaan, maar deze beweging kon toch niet komen tot een volledige bundeling van alle moderne, vrijzinnige tendensen. Bovendien koos de NPB er op een bepaald moment voor een stroming te zijn naast de kerk. Het werd een open geloofsgemeenschap. Daarentegen meende ds. C. J. Niemeyer, één van de voormannen van de huidige Vereniging en oprichter van de afdeling Friesland, dat de vrijzinnigen als het maar enigszins mogelijk was binnen de Nederlandse Hervormde Kerk moesten blijven. Het vrijzinnig kerkideaal is van meet af aan geweest: een kerk waarbinnen verschillende groepen naast, en zo mogelijk mét elkaar, in verdraagzaamheid kunnen werken. Eenheid van de levende kerk is doel; niet het voortbestaan van het vrijzinnig protestantisme op zich. Ons historisch idee is dat versplintering heilloos is. Pluriformiteit in een kerk is belangrijk, menen wij. In een pluriforme, veelvormige kerk kunnen meerdere meningen aan de orde komen.
Mijn indruk is dat deze pluriformiteitsidee die dus in de praktijk moet leiden tot een dialoogkerk, waar de belijdenis geen of weinig zeggenschap heeft, door veel meerderen wordt aangehangen dan alleen door de Vrijzinnige Hervormden. Zijn er wat dat betreft niet veel meer vrijzinnige tendenzen dan alleen dit geluid? Ik denk ook aan de visie op de Schrift, de vele pleidooien voor een eigentijdse interpretatie van de Bijbel, waarbij toch de eigen tijd en de inbreng van de mens van nu min of meer norm dreigen te worden.
Nu heeft ds. Aalbers in het kader van de heweglng Samen op Weg nogal kritiek geuit op de vrijzinnigen die z.i. teveel bezig zijn met het zoeken naar de eigen identiteit om vruchtbaar mee te kunnen doen binnen Samen op Weg. De geïnterviewden wijzen deze kritiek van de hand.
'Wij roepen onze leden op om contacten te zoeken over de grenzen van de eigen Hervormde Kerk heen. Wij voeren een actief beleid om te komen tot een betere samenwerking met andere kerken en geloofsgemeenschappen. Ik geloof dat wij als vrijzinnigen initiatieven moeten nemen om ten behoeve van de Hervormde Kerk contacten tot stand te brengen. Waar echter de samenwerking hervormdgereformeerd zich dreigt te gaan voltrekken buiten de vrijzinnigen om, zullen wij duidelijk moeten stellen dat vrijzinnige hervormden óók hervormden zijn. Als ds. Aalbers opmerkt dat we te veel zoeken naar onze eigen identiteit is dat niet helemaal juist. In wezen zoeken we namelijk naar de identiteit van de Kerk, niet alleen naar die van de vrijzinnigen. Ik zou ds. Aalbers willen tegenwerpen: zoeken jullie zélf eens meer naar antwoorden op vragen naar het eigenlijke van de kerken in deze tijd. Jullie slaan in je enthousiasme belangrijke dingen over. Denk eens intens over de verhouding tot andere wereldgodsdiensten. Toets de absoluutheid en de relativiteit van oude waarheden. Wc weten immers nog heleinaal geen raad met de andere religies. We zijn te beleefd geworden om moslims en boeddhisten te bekeren, maar toch... Vergelijk dan eens wat de V.V.H, stelt in haar beleidsnota over de verhouding tot andere godsdiensten:
'Wij menen dat wij als mondige mensen onze eigen beslissingen kiannen nemen ook in geloofszaken. Wij menen dÉ het christelijk geloof niet noodzakelijkerwijs de enige ware godsdienst'is, maar dat alle godsdiensten door hun beroep op de religieuze dimensie van het menselijk bestaan in beginsel gelijkwaardig zijn. Wel kiezen wij als navolgers van Jezus voor het Christelijk geloof. Wij voelen ons hierin verbonden met de Nederlandse Hervormde Kerk, en wel enerzijds omdat wij als Vrijzinnige Hervormden de Kerk niet kunnen ontberen, anderzijds de Kerk, wil zij meer zijn dan louter instituut, de dynamiek en de confrontatie tussen diverse stromingen niet kan missen. Wij kiezen daarom voor de persoonlijke geloofsbeleving en de dialoog met de andere godsdiensten. Wij aanvaarden de autoriteit der Kerk, doch alleen als zij ons de noodzakelijke ruimte wil geven.'
Heel duidelijk komt hier een vrijzinnig mondigheidsideaal naar voren. Wat verstaat men onder aanvaarding van autoriteit en tegelijlc het opeisen van ruimte? Weer blijtct het icardinaie punt toch te zijn het functioneren van de gereformeerde belijdenis. Maar ik vrees dat ds. Aalbers en anderen niet zo gemakkelijk antwoord zullen geven op de bezwaren van Stenfert Kroese omdat ook binnen b.v. de gereformeerde kerken geluiden klinken die in de richting gaan van hetgeen hier gezegd wordt.. We denken aan Kuitert's visie op de dialoog-kerk, aan de dialoog-gedachte zoals die door iemand als D. C. Mulder ontwikkeld wordt.
Uit dit toch wel verhelderende gesprek komt in elk geval naar voren dat we in feite niet verder zijn dan de situatie in de 19e eeuw, ondanks de poging van de eerste na-oorlogse jaren om te komen tot een Christusbelijdende kerk. Het vrijzinnig ideaal staat hier haaks op.
Over arbeid en inkomen
De Raad van Kerken heeft een brochure uitgegeven met een aantal overwegingen om te komen tot een vernieuwing van de levensstijl, toegespitst op arbeid en inkomen. Stellig is dit een belangrijk vraagstuk. Waartoe dient de arbeid? Hoe kunnen we het werk rechtvaardig verdelen? Hoe is de verhouding tot het vrijwilligerswerk? Hoc dienen we de rechtvaardigheid en de gerechtigheid? Economische en ethische aspecten spelen hier mee. Ook dat laatste! Wie de Bijbel kent weet hoe ook daar gewaarschuwd wordt tegen het gevaar van de Mammon, tegen corruptie, onrecht, onrechtmatige winstvcrwerving en bezitsophoping. Hoe zien we ook hier de verdorvenheid in de samenleving doorwerken als gevolg van de zonde.
In het Hervormd Weekblad gaat dr. C. Bezemer op de genoemde brochure in. Hij mist in deze brochure de doorlichting van de samenleving vanuit het bijbels spreken over de zonde. Maar hij heeft nog meer bezwaren:
Ondanks de ondertitel van de brochure 'Arbeiden moet meer zijn dan inkomen verwerven', waarmee ik gaarne instem (ik acht dit ook bijbels), meen ik toch te moeten constateren, dat aan het geschrift veel werkelijkheidszin ontbreekt. Hoe men de verdeling van arbeid en inkomen ook beziet, het valt niet te ontkennen, dat het hierbij toch in belangrijke mate gaat om een economisch probleem. Nu wil ik mezelf op geen enkele wijze aanmatigen verstand van economie te hebben, maar ik ben zo vrij me af te vragen of dat met alle samenstellers van de brochure wel het geval is. Ik durf daarover geen oordeel te vellen. Maar wanneer ik de lijst van personen, behorend tot de werkgroep Nieuwe Stijl naga, dan komt daarin één persoon voor, die econoom is, en één, die sociaal-economisch journalist bij het dagblad Trouw is. De overigen worden met andere functies vermeld, wat uiteraard nog niet wil zeggen, dat zij geen verstand van economie zouden hebben. Ik zeg ook niet, dat deze werkgroep de pretentie wil voeren de 'oplossing' gevonden te hebben voor een probleem, dat eigenlijk niet oplosbaar is.
Grote economen hebben zich reeds vele jaren het hoofd gebroken over deze zaken, maar ook zij weten er niet uit te komen. Nochtans worden in het boekje wel een aantal maatregelen voorgesteld, 'die kunnen leiden tot verbeteringen'. Maatregelen, die - ik heb er aan het begin van dit artikel enkele genoemd - regelrecht voeren tot de socialistische maatschappij. Nu kan men wel zeggen: het is 'slechts' bedoeld als discussiestof, maar het feit, dat een aantal maatregelen wordt voorgesteld, en wel deze maatregelen, laat geen twijfel bestaan over wat de werkgroep voor ogen staat en in welke richting men heeft gedacht.
Ik beperk mij nu tot wat wordt opgemerkt over de verdeling van de arbeid. In stelling 6 aan het eind' van het boekje wordt het zo geformuleerd: 'Er moet een herverdeling komen van huishoudelijk werk, betaalde beroepsarbeid en vrijwilligerswerk voor iedereen die kan werken. Mogelijkheden hiertoe zijn: een basisinkomen voor elke volwassene, het overschakelen naarde vijfurige werkdag, een vorm van sociale dienstplicht'. In de paragraaf, die handelt over 'de verdeling van de arbeid' lezen we o.m. (blz. 19-20): 'Iedereen die daartoe in staat is, zou vijf uren per dag betaalde beroepsarbeid moeten gaan verrichten. Dus ook gehuwde vrouwen voor zover zij dat thans, om welke reden ook, niet doen. Overgaan van de achturendag op de vijfurendag brengt dus een zekere arbeidsplicht voor een ieder met zich mee. Die arbeidsplicht geldt niet alleen de betaalde beroepsarbeid, maar ook de onbetaalde huishoudelijke arbeid door gehuwde mannen voor zover zij daarin thans om welke reden ook, geen of maar een klein aandeel hebben'.
De vraag, die ik me hierbij stel is deze: Heeft men ook de consequenties van dit alles overzien of willen overzien? Of heeft men deze maatregelen geopperd alleen maar met de bedoeling hoe daarop gereageerd zou worden? Nog afgezien van de voorgestelde arbeidsplicht voor iedereen en de onbetaalde huishoudelijke arbeid door gehuwde mannen, acht ik een van de grootste, zo niet het grootste bezwaar tegen deze voorstellen, dat - stel dat dit verwerkelijkt zou (kunnen) worden - dit een directe aantasting betekent van de meest fundamentele en bijbelse samenlevingsvormen: het huwelijk en gezin. Ook daaraan wordt in het boekje geen enkele aandacht besteed. Afgezien van het feit, dat gehuwden de vrijheid hebben om beiden te (blijven) werken, wanneer zij menen dat te moeten doen, moeten we toch niet voorbijgaan aan de 'problemen', die daaraan in allerlei gevallen verbonden zijn. Wat moet dat worden in een samenleving, waarin het voorgestelde systeem van verdeling van de arbeid werkelijkheid zou zijn? Welke spanningen zal dat meebrengen in de huwelijken? In welke mate zal het huwelijk nog meer gedevalueerd worden dan nu reeds het geval is?
Wat moet er terecht komen van de opvoeding van de kinderen? Dreigt het gezinsleven niet meer en meer ondermijnd te worden door een dergelijk systeem? Ik stel deze vragen niet omdat ik het antwoord niet weet. Ik weet dat antwoord wel. De gevolgen voor huwelijk en gezin zullen alleen maar funest zijn! Daarom dienen de voorgestelde 'maatregelen' zonder meer afgewezen te worden. Waarbij bovendien nog bedacht dient te worden, dat ook de gevolgen voor de kerk en het kerkelijke leven alleen maar negatief zullen zijn.
Wanneer wij het huwelijk en het gezin, één van de belangrijkste pijlers, waarop de samenleving rust (een inzétting van God!) in ere willen houden, resp. in ere willen herstellen, dan zal in elk geval niet de weg van de werkgroep Nieuwe Levensstijl bewandeld dienen te worden.
Het een hangt met het ander samen, plegen we nogal eens te zeggen. Daarom is het goed dat Bezemer op deze aspecten wijst. Natuurlijk is het zinnig om over allerlei alternatieven na te denken inzake de verdeling van de beschikbare beroepsarbeid en het betaalde werk. De problemen rondom werkloosheid zijn niet gering. Maar ik meen dat ook minister Albeda in een bespreking van deze brochure gewaarschuwd heeft voor het simplisme waarmee in deze nota geredeneerd wordt. Bovendien zie ik hier toch ook een aantasting van de persoonlijke verantwoordelijkheid als we op dirigistische wijze tot dergelijke ingrijpende maatregelen zouden komen. En inderdaad juist ook de kerk zou na moeten denken over de gevolgen voor huwelijk en gezin. Het is zaak attent te blijven en de ontwikkelingen kritisch te toetsen.
Eenheid en verscheidenheid in het gereformeerd protestantisme
Tenslotte geven we het woord aanprof. dr. W. van 't Spijker die in een terugblik op de Gereformeerde oecumenische Synode in Nimes naar aanleiding van de daar gerezen spanningen schrijft over eenheid en verscheidenheid. Hij schrijft in De Wekker van 5 september.
Tijdens de bijeenkomst in Nimes hoorde ik iemand opmerken: laten we oppassen, dat het gereformeerde en het presbyteriale element niet van elkaar vervreemden. Dat lijkt een wat duistere opmerking. Maar er is een werkelijkheid mee aangeduid die we niet uit het oog mogen verliezen. Men kan eenvoudig zeggen, dat het gereformeerde niets anders is dan een benadrukken van het presbyteriale element. Toch bedoelde de man die zich zo uitdrukte dit niet. Hij wees op het gevaar, dat het gereformeerde protestantisme zoals dit in Nederland gestalte heeft gekregen zou vervreemden van datzelfde gereformeerde protestantisme, zoals het in de Angelsaksische wereld gevormd werd. En dit is een reëel gevaar. Het is dat van de eenvormigheid.
Een van de mooiste dingen van het gereformeerde protestantisme is de verscheidenheid. Een gereformeerde Schot is anders dan een gereformeerde Amerikaan. En in Frankrijk is het gereformeerdzijn weer anders dan in Zwitserland. En toch is het overal authentiek gereformeerd. Immers: dit is gereformeerd, dat het Woord zijn eigen werking doet, door de Geest, in de concrete situatie. Daarom hoort de verscheidenheid er wezenlijk bij. En daarom is het ook zeer gezond voor een mens dat hij ontdekt dat er buiten Nederland ook gereformeerden wonen, en dat zij, ofschoon anders, toch niet minder gereformeerd zijn, dat zij het zelfs wel eens béter kunnen zijn dan wij op het eerste oog meenden. Wanneer de Nederlandse gereformeerde traditie geplaatst wordt naast of tegenover een voorbeeld van een eeuwenoude presbyteriaanse traditie, kan dit alleen maar gezond zijn. De tijd kon wel eens voorbij zijn, dat de Nederlandse gereformeerde traditie toonaangevend was. En de tijd kon wel eens aangebroken zijn, dat wij gaan luisteren naar wat onze broeders uit Amerika én Zuid-Afrika werkelijk bedoelen. Die tradities mogen niet uit elkander groeien.
Het lijkt gevaarlijk om over tradities te spreken. Zij behoren tot het verleden. Staan we niet in het heden met totaal andere vragen dan ooit in het verleden werden gesteld? Hier zijn we bij het derde punt dat ik wilde noemen. Het is de plaats van de jonge kerken. Zij waren ruimschoots vertegenwoordigd in Nîmes. Een respectabel aantal zwarte Zuidafrikanen, daarbij vertegenwoordigers van heel wat jonge kerken in Azië of in de derde wereld. Met die laatste aanduiding moest men voorzichtig zijn op de synode: wat is de eerste wereld? Of: waar zijn de ontwikkelde landen? zo werd gevraagd door deze jonge kerken. Zelfs de aanduiding van 'jonge kerken' riep soms bedenkingen op: wat is jong en wat is oud in Gods koninkrijk? Hier waren kerken aan het woord, ofschoon zij zeer bescheiden waren in het vragen van het woord, maar hier hoorde men een geluid, dat voor de toekomst van de G.O.S. van beslissende betekenis is. Hun maatstaf scheen soms een andere te zijn dan die van de gevestigde kerken. Voor velen van hen was de ontkerstening van Europa, zoals zij het in een korte ontmoeting leerden kennen op de stations, langs het strand, op de markt, onthullend. Deze mensen vroegen niet allereerst om politiek. Zij zochten het evangelie, zoals die paar zwarte broeders uit Zuid-Afrika op de zondag, waarop de synode ter kerk was geweest, waarbij een drukke markt gepasseerd moest worden, aan de andere synode-leden vroegen: wat doen jullie daar aan? Die mensen zijn niet in de kerk geweest. Wat doen jullie? Alsof ze wilden zeggen: jullie hebben heel wat op de agenda staan van de synode, maar wat doen jullie? Of zoals één van de afgevaardigden tijdens een vrij bewogen zitting van de synode zei: Wij zijn jullie dankbaar! Wij hoorden het evangelie, omdat jullie het ons gebracht hebben vanuit Europa. Maar nu sturen wij onze kinderen naar Europa en naar Amerika. Ze zijn in Amsterdam geweest en in andere plaatsen. Ze kwamen terug. En onze kinderen zeiden tegen ons: Nonsens, wat jullie hier doen! In Europa doen ze het heel anders! Ook dat geluid kwam uit jonge kerken. De oude kerken in Nederland, in Europa, in Amerika kunnen dit jonge geluid niet missen, om hen te herinneren aan de tijd en aan de inzet van de zending. Om hen zo ook te herinneren aan de waarschuwing van de Here zelf: Dit heb Ik tegen u, dat ge uw eerste liefde hebt verlaten. Maar wil een oude kerk zich dit door een jonge kerk laten zeggen?
De G.O.S. zou het middel kunnen zijn waardoor de Here het Zelf tegen ons zegt.
Wij begonnen met de vrijzinnigheid. We eindigden met de gereformeerde gezindte. Daar ligt nadruk op het belijden van de kerk. Maar laten we nooit vergeten: Echt belijden is beleefd belijden. Laten we het appèl van de kerken overzee ter harte nemen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 september 1980
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 september 1980
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's