De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Om de voortgang van het Evangelie

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Om de voortgang van het Evangelie

Geldwerving in kerk en gemeente

10 minuten leestijd

'In het voorbije jaar heeft opnieuw een golf van prijsstijgingen voor olie en andere energiedragers, de wereld overspoeld. Die stijgingen werken door in de prijzen van andere invoergoederen. De wereldhandel hapert. Alom in Europa neemt de werkloosheid toe, versnelt de inflatie en verslechtert de betalingsbalans. Economische groei heeft ons land ook voor het komende jaar niet of nauwelijks te verwachten. Financiële armslag om de economie op te stuwen hebben we niet. Nederland komt klem te zitten. Aan de ene kant geen werkelijke toeneming meer van de , nationale middelen, aan de andere kant aldoor oplopende aanspraken op die middelen, zowel voor collectieve als voor particuliere uitgaven. Het is onmogelijk al die wensen in te willigen. Tenzij we de noodsprong zouden maken naar een nog groter financieringstekort. Maar dat zou ertoe leiden dat de staat gaandeweg zóveel rente op zijn schulden moet betalen dat wezenlijke overheidstaken niet meer kunnen worden uitgevoerd. Bovendien zou het rijk dan, pogend het hoge tekort te financieren, de rentestand opdrijven, dus het investeren in bedrijven en woningen verder bemoeilijken, tot schade vooral van de werkgelegenheid. Het financieringstekort moet veeleer worden verminderd en daarop is de ontwerpbegroting dan ook gericht.'

'In het voorbije jaar heeft opnieuw een golf van prijsstijgingen voor olie en andere energiedragers, de wereld overspoeld. Die stijgingen werken door in de prijzen van andere invoergoederen. De wereldhandel hapert. Alom in Europa neemt de werkloosheid toe, versnelt de inflatie en verslechtert de betalingsbalans. Economische groei heeft ons land ook voor het komende jaar niet of nauwelijks te verwachten. Financiële armslag om de economie op te stuwen hebben we niet. Nederland komt klem te zitten. Aan de ene kant geen werkelijke toeneming meer van de , nationale middelen, aan de andere kant aldoor oplopende aanspraken op die middelen, zowel voor collectieve als voor particuliere uitgaven. Het is onmogelijk al die wensen in te willigen. Tenzij we de noodsprong zouden maken naar een nog groter financieringstekort. Maar dat zou ertoe leiden dat de staat gaandeweg zóveel rente op zijn schulden moet betalen dat wezenlijke overheidstaken niet meer kunnen worden uitgevoerd. Bovendien zou het rijk dan, pogend het hoge tekort te financieren, de rentestand opdrijven, dus het investeren in bedrijven en woningen verder bemoeilijken, tot schade vooral van de werkgelegenheid. Het financieringstekort moet veeleer worden verminderd en daarop is de ontwerpbegroting dan ook gericht.'

Zo luidde het begin van de troonrede, voor het eerst door koningin Beatrix uitgesproken na haar ambtsaanvaarding. Een somber beeld werd gegeven van onze economie. In alle toonaarden is dat dan ook de laatste weken besproken in de pers. En allerwegen valt te bemerken dat teruggang in de welvaart moeilijk verwerkt wordt, tenzij de vooruitgang als welhaast vanzelfsprekend werd aanvaard.

Het is intussen opvallend, dat een zó belangrijk stuk in ons nationaal bestel als de jaarlijks terugkerende troonrede met het economische aspect begint en er in feite door gedomineerd wordt. Geld mag het slijk der aarde heten, het is wat de leefbaarheid van het bestaan betreft, kennelijk niet weg te denken. De wereld wordt er door beheerst. Het geld, dat stom is, maakt recht wat krom is. Dat geldt in het groot en in het klein.

Op zich is het veelzeggend dat het geestelijk welzijn van ons volk geen centrale plaats heeft in de troonrede en dat het materiële zó overheersend is. Met de ontwikkeling naar een steeds hoger welvaartsniveau in onze samenleving is ook een geestelijke decadentie ge­ paard gegaan. Welvaart en welzijn hielden bepaald geen gelijke tred.

Nu we moeten gaan inleveren zal - zo heette het in de troonrede - saamhorigheid het moeten winnen van eigenbelang. Op zich behoeft welvaartsvermindering niet te betekenen, dat we daarom aan welzijn inboeten. Maar dan zal er wel sprake moeten zijn van een geestelijk herleven onder ons volk. Alleen wanneer we als volk een geestelijke basis-(her)vinden zullen we de genoemde saamhorigheid in de rechte zin kunnen beoefenen en zullen we vermindering van welvaart aankunnen. Waarbij we overigens hebben te bedenken, dat, óók al gaan we terug in de welvaart, we in het geheel van de wereldsituatie nog altijd een eenzame positie in de top innemen.

De kerk en het geld

Intussen kunnen we ook in de kerk niet om het geld heen. Ook de kerk heeft geld nodig. Dat behoeft geen nadere uitleg. In dit nummer van ons blad besteden we daarom een keer uitvoerig aandacht aan de geldwerving in de kerk. Dat dit nummer nu uitgerekend na de - wat het economische betreft - sombere troonrede komt was niet in de planning opgenomen. Maar het is misschien toch ook wel het beste moment. De vraag klemt dan namelijk, hoe de kerk ervoor zal komen te staan als het economisch slechter gaat. Werknemers en werkgevers zijn in de troonrede opgeroepen 'een uiterste matiging te betrachten'. Zulk een matiging zal consequenties (moeten) hebben voor het bestedingspatroon van de particulieren.

Dan is de vraag echter waar die matiging zal inzetten. Zal die matiging beginnen bij ons consumptiepatroon, of zal die matiging zich gaan voltrekken op het gebied van giften en gaven aan kerken en instellingen, of in wat mensen ter hand nemen om zich geestelijk te kunnen verrijken. Als het economisch slechter wordt is het verschijnsel immers niet denkbeeldig, dat mensen gaan bezuinigen op bv. bladen, die ze lezen, op instellingen die ze steunen, op de kerkelijke bijdragen die ze geven. Dat zou op zich binnen de kerk(en) zélf geen teken van geestelijk welzijn zijn. Als we onze allerwegen opgeschroefde levensstandaard, koste wat het kost, op peil willen houden en de kerk en de daaraan verwante instellingen worden het kind van de 'rekening', dan is er iets grondig mis.

Ds. G. Spilt, de vorige synodepraeses van onze kerk, heeft eens opgemerkt dat juist als de kerk ook financiële zorgen heeft haar kracht zal blijken in wat ze zelf voor anderen - bijvoorbeeld in wereldverband voor de arme volken, in het kader van werelddiakonaat - over heeft. Zó ligt het dunkt me ook ten aanzien van de leden der gemeente. Ook als het zorgelijker wordt zal de liefde vóór en de betrokkenheid óp de gemeente aan het licht treden in wat aan de gemeente financieel wordt bijgedragen. Overigens is het hier een bekend gegeven dat het vaak de 'kleine luyden' - ook in zorgelijke tijden - zijn geweest, die het gemeentelijk leven in financieel opzicht hebben gedragen. Men kan daar tegenover stellen, dat nu eenmaal het grootste deel van de gemeente uit 'kleine luyden' bestaat en dat dié het zijn, die zorgen voor het financiële draagvlak van de gemeente, anderzijds is het echter wél zo, dat de vraag gewettigd is waar men zich méér - ik beperk me tot de Hervormde Kerk - houdt aan de richtlijnen voor de bijdragen aan de kerk (twee procent van het jaarinkomen): onder de gewone burger of onder de welgestelden; onder degenen die het minimuminkomen of iets of méér daarboven hebben, of onder hen, die hun jaarinkomen met zes cijfers schrijven. Ik denk, dat kerkvoogden daarover ook best interessante gegevens zouden kunnen geven, ik bedoel dan in algemene zin.

Maleachi 3

In ander verband wordt in dit nummer al gewezen op het geven van tienden voor de dienst des Heeren. Het Oude Testament sluit ermee af in Maleachi 3: 'Brengt al de tienden in het schathuis, opdat er spijs is in Mijn huis; en beproeft Mij nu daarin, zegt de Heere der heirscharen, of Ik u dan niet open doen zal de vensters des hemels, en u zegen afgieten, zodat er geen schuren genoeg wezen zullen.' Hier verbindt de Schrift op overduidelijke wijze ons geven aan de beloofde zegen des Heeren, ook in materieel opzicht. In de verzen daarvóór zegt God door de profeet dat de Heere tot het volk weerkeren zal als het volk tot Hem weerkeert; en dat weerkeren heeft kennelijk alles te maken met het bijdragen aan de dienst des Heeren. 'Gij berooft Mij en zegt, : waarin beroven wij U? In de tienden en het hefoffer. Met een vloek zijt gij vervloekt, omdat Gij Mij berooft, zelfs het ganse volk.' Er is de Heere, om zo te zeggen, alles aan gelegen dat Zijn dienst in de wereld door onze gaven wordt mogelijk gemaakt. Over tienden, dus tien procent van ons inkomen wordt hier gesproken. Niet alle tienden werden kennelijk gebracht. Calvijn zegt dat er mensen waren die 'op bedriegelijke manier óf de helft betaalden óf voor zichzelf zoveel zij konden achterhielden'.

'Mensen houden wel aan God Zijn plichten voor', zo vervolgt Calvijn, 'maar ontroven intussen wat het Zijne is.'

Voortgang

Nu zullen we niet mogen vergetpn, dat in Israël kerk en staat om zo te zeggen samenvielen. Dat was een andere situatie als de onze met onze belastingplicht in een land waar kerk en staat gescheiden zijn. Maar tien procent voor de dienst des Heeren, voor de instandhouding van tempel-en eredienst om zo te zeggen, steekt wel schril af tegen de twee procent, die onder ons in het algemeen gevraagd wordt en waar dan intussen óók de helft of meer van wordt ingehouden. En het is niet zo, dat uit de hoge bijdrage die wij aan 's lands schatkist geven (bij topinkomens zestig procent of méér) veel terugkomt voor het werk van de kerk. Naarmate de secularisatie toeneemt zal juist de bijdrage van overheidswege aan het werk, dat in verband staat met de verkondiging van het evangelie en de consequenties daarvan in de praktijk, zelfs afnemen. En dat betekent weer, dat van de leden der gemeente, naarmate de secularisatie toeneemt, ook al neemt de welvaart af, toenemende offerbereidheid zal worden gevraagd.

De kerk zélf zal daarbij intussen ook prioriteiten moeten stellen. Wanneer matiging wordt gevraagd van de Nederlandse burger, zal de kerk niet heen kunnen om de vraag hoe ook zij matigen zal. Elke luxe wordt ook in de kerk taboe. Het gaat om instandhouding van de dienst des Heeren, opdat mensen getrokken worden uit de duisternis tot het licht, ook in zending en evangelisatie. Het gaat niet om het instandhouden of vestigen van 'elpenbenen paleizen'. Ook de kerkelijke gemeente zal aan" soberheid herkenbaar moeten zijn, al is kerkelijke stijl en daarbij behorende vormgeving van het kerkgebouw óók een bijbels gegeven. Maar ook hier gelden in de wereld grote tegenstellingen. Er zijn landen, waar de gemeente in de open lucht samen komt of in een schamel gebouw van 'vier wanden en een dak van riet; meer is het niet'. Door de eeuwen heen heeft Rome met goud belegde kathedralen gebouwd, die thans juist, ook in wat ze nu nog kosten, vragen, weerstanden zelfs oproepen in de wereld. Maar ook in protestantse kring zijn we, de oorspronkelijke calvinistische soberheid ten spijt (toen de beelden en overtollige luxe in de kerk immers werden weggedaan) met de weelde van de tijd meegegaan, in kerkgebouw en pastorie. Dat vraagt bezinning, juist in een tijd van matiging.

Het gaat om de voortgang van de evangelieprediking. Dat vraagt offers voor de leden der gemeente én voor de kerk zelf.

Candidatenoverschot?

Het is al weer enige tijd geleden, dat ik in deze kolommen het woord 'candidatenoverschot' introduceerde, namelijk in hervormd-gereformeerde kring. Het is sindsdien veelvuldig genoemd, met daarbij nog de uitdrukking 'Smytegeltsyndroom', omdat de titel van het artikel terzake luidde 'Bernhardus Smytegelt en het candidatenoverschot' (Smytegelt móest immers ook een tijd lang op een beroep wachten, zoals nu het geval is of zal worden voor huidige candidaten die afkomen)..

In een reactie werd mij - terecht - gezegd, dat het tóch niet aangaat om over candidatenoverschot te spreken. Terecht, want hoe meer jonge mensen bereid zijn om in onze steeds meer ontkerstenende situatie met het evangelie te staan in de gemeente, hoe meer blijdschap daarover in de gemeente zal moeten zijn. Moet het dan niet juist mogelijk gemaakt worden, dat zij een werkterrein krijgen? Dan ga ik nog maar voorbij aan het feit, dat er gemeenten - buiten de hervormd-gereformeerde sector - zijn die om de prediking naar de Schrift verlegen zijn. Maar dan denk ik alleen maar aan die hervormd-gereformeerde gemeenten, die vaak een te zware claim leggen op hun predikant, omdat hij voor de bearbeiding van teveel mensen gesteld is en hij daardoor aan ander noodzakelijk werk, gericht bv. op de werving van buitenstaanders door de gemeente niet toekomt. Ds. C. den Boer heeft over één en ander enkele weken geleden in ons blad geschreven.

Gebleken is, dat deze zaak in toenemende mate de aandacht krijgt in de gemeenten. Wellicht mag ook dit nummer van ons blad, waarin expliciet aandacht wordt gevraagd voor de geldwerving in de gemeente, aan de nodige bezinning bijdragen.

'Het geld dat stom is, maakt recht wat krom is', geldt in de gemeente in de meest diepe zin van het woord. Het geld maakt immers de voortgang van de Evangelieprediking mogelijk gericht op herstel van het kromme, verzondigde menselijke bestaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 september 1980

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Om de voortgang van het Evangelie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 september 1980

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's