Een duister fenomeen?
En God zeide: Laat ons mensen maken... , Gen. 1 : 26a
Wat is er in de loop der tijden niet nagedacht en geschreven, gepeinsd en gefilosofeerd over het verschijnsel mens. Over de vraag 'wie is de mens' raakt de mens zelf nooit uitgedacht. De kunst tracht op haar wijze een antwoord te vinden en de wetenschap poogt in zijn wezen door te stoten en te doorgronden. We kennen mens-wetenschappen en mensbeschouwingen. Maar hoe ons ook een spiegel wordt voorgehouden, telkens blijkt die spiegel een mysterieuze waas te hebben. Of om het met de woorden van de dichter Achterberg te zeggen:
Wij zijn een duister fenomeen zolang niet in ons rijst het licht van den Heiligen Geest.
Moet dat onze conclusie zijn? Een duister fenomeen?
Wie is 'de mens'? Kunnen en mogen wij die vraag zo wel stellen? Kunnen wij spreken van en preken over 'de mens'?
Elk mens is uniek, leeft zijn eigen leven en sterft zijn eigen dood. Elk mens leeft in een bepaalde tijd, in een bepaalde cultuur; hij zit vastgeklonken aan bepaalde gebondenheden; hij beleeft op zijn eigen wijze de grandeur en de misère van het leven.
Ook het Woord Gods tekent 'de mens' op die wijze. Maar in het Woord krijgt elke mens-tekening een bepaalde achtergrond, nl. de levende mens in zijn verhouding tot zijn Schepper. Die rode draad loopt door het Woord van Genesis tot Openbaring. Daarom gaat het in de bijbel nooit om een algemene mens-beschouwing. Het gaat om de concrete mens in zijn verhouding tot God.
Steeds dringt zich de vraag op: wie ben ik? Hoe is mijn verhouding tot de Schepper. Hoe leef ik mijn leven in deze wereld. Die vragen willen onze ogen ervoor openen dat ons aardse leven meer is dan het trajekt tussen de poort van de geboorte en de poort van de dood. Dat gegeven weet elk mens: ons geboorte-bericht wordt eenmaal gevolgd door ons doods-bericht. Alleen dat laatste pogen wij op alle mogelijke manieren te ontvluchten en te verbloemen.
Wie is de mens? In onze tijd tracht de moderne literatuur daar een antwoord op te geven. Maar het is een antwoord dat droevig stemt. Een antwoord zonder uitzicht. Op schokkende wijze wordt daarin de moderne tijdgeest ont maskerd en verwoord. De vraag naar de zin van het leven kent geen afdoend antwoord; integendeel, het is een 'leeg' antwoord. Daarom is het beeld dat de moderne literatuur schildert en ver-tekend beeld. Maar het is wel een beeld waarmee onze jeugd dagelijks in aanraking komt. De moderne literatuur, trouwens de hele moderne kunst, schildert de mens als de verloren zoon bij de varkenstrog van het leven. Dat is toch een bijbels beeld, zijn we geneigd te zeggen. Ten dele!
Waarom is de gelijkenis van de verloren zoon zo aangrijpend? De verloren zoon heeft het Vaderhuis verlaten. Zijn afkomst doorgesneden. Hij is niet bij de varkenstrog geboren, daar lag zijn begin niet. Hij is daar door eigen schuld terechtgekomen. Hij is een verloren zoon geworden.
En dat vergeet de moderne literatuur, hoe 'realistisch'die ook zijn mag. De bijbel als het Woord Gods is heel wat realistischer. Tekent onze afkomst en heeft een antwoord op de toekomst. Een antwoord dat elke mens-beschouwing buiten het Woord om niet kent! En dat maakt een 'levens-groot' verschil, zelfs een eeuwig verschil!
Gods Woord geeft geen ver-tekend beeld, maar een ge-tekend beeld. Waarheidsgetrouw! Het is mijn beeld en dat is niet meerhef beeld Gods!
En God zeide: Laat Ons mensen maken. Zo beschreven is de mens geen duister fenomeen, al blijven er ondoorgrondelijke diepten in het innerlijk van de mens. Al blijven er levensraadsels en levens-vragen. Zijn hoge kom-af laat niets te raden over. God zeide! Het is de eeuwig levende God die de mens sprekend tot aanschijn riep. God zelf heeft 'de' mens Zijn adem gegeven, opdat zijn leven zou zijn tot de eer van de Schepper.
De diepste grond van mijn bestaan ligt in de wil van God. Strepen wij die grond onder ons bestaan door dan halen wij daarmee tegelijkertijd alle grond onder ons bestaan weg.
Zonder God is de mens alleen. Ben ik alleen, hoe ik die leegte ook tracht te vullen. Welke antwoorden mij de moderne levensstijl en - opvatting tracht aan te reiken. Zonder God zijn wij duistere fenomenen. Zijn wij een 'verschijnsel'. Niet meer dan een vallende ster, die even oplicht en zichtbaar wordt in het duistere heelal van de tijd.
Wat ben ik zonder God? Een schip met roer noch masten Een wagen zonder wiel, een woning zonder dak, verblind en doof, verlamd en niet in staat tot tasten, een bloem die verlept is en een vermolmde tak.
Als de band met de God van alle leven wordt doorgesneden, dan betekent dat de geestelijke dood. Dat maakt adem-loos.
Niet alleen in het persoonlijke leven, maar zoals wij aan den lijve ondervinden in alle facetten van ons menselijke bestaan. Ervaren wij niet het geestelijke ontbindingsproccs in en van deze wereld? Als wij mensen de band met de Bron van alle leven doorsnijden en Hem verklaren tot een vorst in ballingschap; dan gaan we zelf onze autonome wetten stellen. We nemen het recht in eigen handen, omdat wij het genomen hebben uit de Hand Gods. Zelfs het ongeboren kind geven wij dan niet de kans om te ademen en dit adem-loze feit wordt een wettige plaats toegewezen. Wat on-eindig ver van het paradijs!
Bekering wil ook zeggen: terug naar het begin. Naar de Schepper die gezegd heeft: laat Ons mensen maken naar Ons beeld. Een uitgewist beeld vanwege onze afval en de verloochening van onze afkomst.
Maar er is een weg terug. Gode zij dank!
Wanneer weet de verloren Zoon dat er een weg terug is? Wanneer hij tot zichzelf komt en tot het inzicht Icomt, waar hij vandaan gelcomen is. Hij heeft nog een thuis, een vader die wacht op zijn terugiceer. De trekkende liefde van de Vader.
Dit is het ontmaskerende licht van het verloren-zijn. Ook het onthullende licht van Gods heiligheid: 'Gij stelt onze ongerechtigheden voor U, onze heimelijke zonden in het Licht van Uw Aanschijn.' Het ontdekkende licht dat de zondaar doet zeggen: 'ik deed van alles wat gedaan kon worden, het meest misdadige, en was verdoemd' (Achterberg).
Maar het is ook juist die God van het leven. Die ons uit de dood wil voeren op de weg naar het Leven: de weg der zaligheid. Die ene weg ligt in Hem, die gezegd heeft: Ik ben dé Weg. Niemand komt tot de Vader dan door Mij!
Die God en Vader, Die heeft gezegd laat Ons mensen maken, heeft in deze gebroken en duistere wereld Zijn Zoon gezonden. Hij is het Licht der wereld, die Hem volgt zal in de duisternis niet wandelen, maar het licht des levens hebben. Gods boodschap tot mensen: gevallen mensen. In Hem worden wij tot leven her-roepen. In Hem laat God zien dat Hij niet wil dat wij verloren gaan, maar daarin dat wij ons bekeren en leven. Daartoe heeft Hij ons Zijn Woord en Geest gegeven. Zijn Woord gegeven om onze levenskoers aan te geven. Zijn Geest geschonken om gevallen mensen té her-scheppen. Wie zo zijn afkomst leert kennen, zal ook weten van een toekomst. Daar zullen wij het één van de volgende keren over hebben.
Door Zijn Woord en Geest doet de Schepper de afgedwaalde en gevallen mens de zin en het doel van zijn leven hervinden. Die kan alleen maar liggen in de oorspronkelijk bedoeling Gods, nl. een leven in de dienst aan God de Heere.
Een volk dat Gods grote daden bezingt en dat niet meezingt in het koor dat het lied van de wereld zingt, dat gedirigeerd wordt door de geest van de tijd.
Een volk getrokken uit de duisternis van deze wereld. Een volk dat de Naam van zijn Schepper belijdt en van die Naam zingt. Laat ons knielen voor de Heere, Die ons gemaakt heeft. Want Hij is onze God en wij zijn het volk Zijner weide en de schapen Zijner Hand.
Heden zo gij Zijn stem hoort, verhardt u niet. Zingen ook wij met in dat koor?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 september 1980
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 september 1980
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's