De Reformatie en het Woord (4)
De Heilige Schrift
Gewaad van Christus
Dit is de ware kennis van Christus wanneer wij Hem aannemen, zoals Hij door de Vader wordt aangeboden, namelijk met zijn Evangelie bekleed (III, 2, 6). In het Evangelie vindt de confrontatie plaats met Christus. Daarom bindt Calvijn ons aan het Woord, omdat daarin Christus zich aan ons voorstelt en wegschenkt. En Hij alleen is de weg tot de Vader Het ware geloof wil van niets en niemand anders weten. Het hangt aan Hem, en is in Hem besloten. De levende Christus nu heeft de Schrift als Zijn stem. En geloof is dus: klare en heldere kennis van Christus uit het Evangelie ontvangen. Wie Christus kent, strekt zich uit naar het Woord. En omgekeerd: het rechte verstand van de Heilige Schrift is aan Christus gebonden. Wie Christus kent, is in wezen volleerd in de hemelse leer (het Evangelie)!
Christus is dan ook de inhoud van Gods beloften. Hij is de Drager van de kledij! Geloven is niets anders dan Hém - in het Evangelie - met oprechte genegenheid van het hart omhelzen.
Calvijn's Woordgeloof is dus bepaald geen verstandelijke en afstandelijke beschouwelijkheid. Het Woord geloven is Christus kennen in die strikt bevindelijke omgang en gemeenschap met Hem die Calvijn graag de unio mystica noemt (verborgen omgang). Deze mystieke unie met Christus voltrekt zich in het omhelzen van het Woord der belofte, en nergens anders!
Willen wij de Woordverkondiging de volle gelding geven die haar toekomt, moeten wij bedenken dat het Christus als de grote Apostel is Die daarin aan het Woord komt. Daartoe is Hij van de Vader gezalfd!
God heeft gesproken door de Zoon! Christus' Woord is derhalve van een beslissend en doorslaggevend gehalte. 'In die mate waarin de waardigheid van Christus groter is dan die der engelen, komt het Evangelie meer eerbied toe dan de wet... In de verkondiging van het Evangelie is Christus' heerlijkheid duidelijk zichtbaar.'
Het gaat om een majesteit die van een onthullende scherpte is. Het Woord gaat door merg en been. Het dringt door tot de donkerste krotten en diepste kelders van ons bestaan, dagvaardend, richtend en schiftend. Dat geschiedt 'in de prediking van het Evangelie (!) waar Christus (!) nog voor en na Zijn kunst uitoefent om de verborgenste gedachten te ontdekken en tot bewustzijn te brengen'.
Op dezelfde Naam staat de prediking die Gods erbarmen ontdekt! Ofschoon het door mensenmond wordt vertolkt, het geschiedt in Christus' volmacht en opdracht. 'Dat moet de eerbied voor het Evangelie niet weinig vermeerderen. Niet zozeer mensen, als wel Christus horen wij daarin. Zodra wij het Woord van God gehoor geven, weten wij zeker dat Christus onze Leidsman is, zoals omgekeerd allen die van de weg der gehoorzaamheid afbuigen niet tot Christus behoren.'
En voor dit laatste zullen wij ons wachten. Daartoe bestaat ook geen grond. Het Woord is immers bezegeld en gegarandeerd door het priesterlijk offer van Gods Zoon zelf. 'Wie de leer des heils niet als van een volle geldingskracht beschouwt, tast de priesterlijke eer van de Zoon van God aan. Zulk een onderpand, zoals ons hier voorhanden is, moet ons betrouwen dusdanig bevestigen dat wij ons zonder reserve op het Evangelie verlaten.'
Alle beloften Gods hebben immers door Christus' bloed hun bevestiging gekregen. 'En het is dit bloed van Christus dat deze beloften in ons hart het zegel opdrukt. Wij horen niet zomaar de stem van God, maar wij hebben Christus tot een zeker pand dat ons de beloften verzekert. Wij zouden Gods Woord met veel grotere eerbied betrachten, als wij er aan dachten dat het niet met inkt maar met het bloed van Christus geschreven is! En veel opmerkzamer zouden wij de prediking van het Evangelie aanhoren als wij daarbij in de geest dat heilige bloed zagen vloeien!'
Van Christus' bloed gaat een werkzame sprake uit en het wordt beter verhoord dan het bloed van Abel. 'Christus' bloed roept voor ons om vergeving en verlossing, en... zijn verlangen vindt nog dagelijks haar vervulling.'
Maar mógen wij wel tot Christus naderen, bevlekt als wij zijn? Zeker wel! Door het Evangelie is ons de vrijheid gegeven om tot Hem te komen. Van Christus hebben wij het hoogste goed te verwachten: de gemeenschap met God, de Bron van alle leven en alle goeds. Daarvan zijn wij allen door eigen onwaardigheid uitgesloten. Maar het is het ambt van de Middelaar om ons de hand te reiken en ons tot God te leiden. Wat ook maar bij Christus te vinden is, dat mogen wij ons toeëigenen door het geloof in het Evangelie. 'Want daartoe is Hij ons eenmaal van de Vader geschonken, dat alles wat het Zijne is, het onze zal zijn.'
Wagen van de Geest
Het is even opvallend als veelzeggend, dat Calvijn aan de Geest kan toeschrijven wat hij elders aan het Woord toeschrijft. We hoorden hem al zeggen, dat het geloof zijn oorsprong heeft in het Woord. Geloofskennis wordt uit het Woord verkregen (ex verbo). Even verder poneert Calvijn: geloof is kennis van God die - gegrond op de belofte in Christus - door de Heilige Geest (per spiritum Sanctum) aan ons verstand wordt geopenbaard en in ons hart verzegeld (III, 2, 7). Van een tegenstrijdigheid is hierbij geen sprake. Het laatste is slechts een nadere bepaling van het eerste. Immers, hoe is het mogelijk, dat het Woord het geloof voortbrengt? Omdat het Woord Geest-krachtig is. Het is de verhoogde Christus die in de Evangeliebediening de Heilige Geest hanteert. 'Zoals zich de priester bij de besprenging met het bloed van het hysopbundeltje bediende, zo retnigt ons Christus met Zijn bloed door de Heilige Geest.' Christus is hierbij dus subject, de handelende Persoon. Hij oefent Zijn priesterambt uit, toegerust met de allervolkomenste gaven des Geestes, welke gaven Hij niet angstvallig voor Zichzelf houdt, maar met gulle hand uitdeelt.
Elders spreekt Calvijn - in gehoorzaamheid aan de Schriften - ook van de Heilige Geest Zelf als handelende Persoon. De Geest zal de wereld immers overtuigen (Joh. 16). 'Dit rechterlijke ambt oefent de Geest uit in de prediking van het Evangelie. En hoewel het Woord deze macht tegenover de mensen niet altijd duidelijk openbaart, toch is het er steeds ergens in woonachtig. Als iemand meent, dat onder de verkondiging van het goddelijke Woord de tijd zomaar gedood wordt met ledige klanken, die vergist zich deerlijk. Want het is iets levends, vol geheime en krachtige werkzaamheid, en het laat de mens in geen enkel opzicht zoals hij tevoren was. Daarom zullen - zodra God Zijn heilige mond opent - al onze zinnen bereid zijn om het gesprokene op te nemen, omdat Hij niet van zins is, doelloos woorden te verspillen die verklinken of onopgemerkt ter aarde vallen. In zijn Woord heeft Hij deze macht gelegd (...), opdat het zich als rechter bewijze.'
Het zal niemand ontgaan zijn, hoe Calvijn afwisselend spreekt van: de Geest in het Evangelie - het Woord - God! Zulk een Geestelijke volmacht schrijft Calvijn toe aan de prediking! Vanzelfsprekend moet ook Calvijn met smart constateren dat hetzelfde Woord niet bij allen hetzelfde effect heeft. 'Aan de uitverkorenen openbaart Hij Zijn macht op die wijze dat zij, vernederd door ware zelfkennis, tot Christus' genade de toevlucht nemen, hetgeen alleen te verklaren is door Zijn binnendringen in het binnenste hart.' Toch belet dit Calvijn op geen enkele manier om te stellen, 'dat niemand van het heil is uitgesloten die zich tegenover het Evangelie van Christus ontvankelijk en volgzaam betoont'. Het is de natuur, de eigen aard en bedoeling van het Evangelie om heilbrengend te werken. Daarop moeten wij het houden! Niemand make uit het tweeërlei effect van de prediking de gevolgtrekking dat God mei twee monden spreekt: met de stem der prediking èn met de stem in ons binnenste. Dat zou tot verachting der prediking leiden en een voorkeur kweken voor een innerlijke stem. 'Op het zogenaamde innerlijke Woord aan te houden en dit alleen kracht toe te schrijven, daarentegen het door mensenmond verkondigde Woord als dood en vruchteloos te bestempelen, dat zou uit een dwaze, ja gevaarlijke theorie voortkomen. Zeker, de werkzaamheid hangt niet van steeds onvolkomen, menselijke werktuigen af, maar is volstrekt een zaak van de Heilige Geest. Maar... de Geest bedient zich nu eenmaal van het gepredikte Woord tot ontvouwing van Zijn kracht.' Zo heeft het Woord zijn goddelijke aanbeveling bij zich en het verlangt eerbiedig gehoor!
Calvijns oogmerk is geen andere dan deze: alle roem in de menselijke prediker en hoorder uit te sluiten, en alleen te roemen in de Geest Die levend maakt. Maar dan die Geest Die van Christus komt en van Hem getuigt, en Die het Woord als voertuig heeft.
Kohlbrugge heeft eens gezegd: 'Het zwaarste stuk van het geloof is te geloven: God is God'. Hij bedoelde daarmee de vrijheid en soevereiniteit van God te articuleren. Dat is zowel Luther en Calvijn uit het hart gegrepen. Zij hebben de beloften van God zeer kwistig gestrooid. Als ootmoedige, armoedige zaaiers. Nochtans goedgeefs zwaaiend met handen vol goed zaad. Maar één ding hebben ze vol deemoed beseft en beleden: God is God, en de beloften zijn van Hem. Zij staan tot Zijn beschikking. Hij doet ermee wat Hem behaagt. En, o wonder, wie krediet krijgt voor God en Zijn welbehagen, aan die staan alle beloften ter beschikking. 'Laten wij het Evangelie zonder aarzelen en opgewekt omhelzen en dan ook daarvoor zorg dragen dat spoedig na het zaaien de halmen opwassen en onder de dagelijkse genaderegen de wasdom zich voleindigt' (Calvijn).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 oktober 1980
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 oktober 1980
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's