De predikant en zijn plaats (1)
Een predikant heeft twee zijden aan zijn persoonlijkheid. Vooreerst een openbare kant. Daarbij denken wij aan de prediking, het voorzitterschap van de kerkeraad, het pastoraat en de catechese. Het is dus enerzijds een publieke functie - de predikant woont in een glazen huis en heeft vooral in kleine gemeenten voortdurend aller ogen op zich gericht. Een vloed van eisen wordt aan hem gesteld, hij leeft door een ieder gecritiseerd. Maar daarnaast is er een verborgen zijde. Vanwaar komen al de woorden, die hij spreekt; wat is de geheime bron en inspiratie, waaruit hij leeft? Wat is de stille drijfveer waaruit zijn leven en denken wordt gevoed?
Een predikant heeft twee zijden aan zijn persoonlijkheid. Vooreerst een openbare kant. Daarbij denken wij aan de prediking, het voorzitterschap van de kerkeraad, het pastoraat en de catechese. Het is dus enerzijds een publieke functie - de predikant woont in een glazen huis en heeft vooral in kleine gemeenten voortdurend aller ogen op zich gericht. Een vloed van eisen wordt aan hem gesteld, hij leeft door een ieder gecritiseerd. Maar daarnaast is er een verborgen zijde. Vanwaar komen al de woorden, die hij spreekt; wat is de geheime bron en inspiratie, waaruit hij leeft? Wat is de stille drijfveer waaruit zijn leven en denken wordt gevoed? Verreweg de meeste gemeenteleden hebben alleen maar oog voor de openbare functie van de predikant en stellen onafgebroken hoge eisen aan deze dienaar. Slechts enkelen, stillen in den lande doorgaans, hebben een diepere blik en tasten ook verder naar de achtergrond. De gave van de onderscheiding der geesten houdt in de gemeente niet op. Stille zielen zijn er dan ook altoos geweest, die op de achtergrond letten en hun conclusies trekken. Meestal zijn dat de grondige mensenkenners, wier oordeel merendeels terecht is. Zij zien het wezenlijke, waaruit de predikant in zijn persoonlijkheid naar recht mag beoordeeld worden.
Pastoraal theologie
Het denken over de predikant en zijn ambt is de eeuwen door voortgegaan. Er zijn beroemde pastoraaltheologieën geweest in het verleden, maar ook heden hebben wij gelukkig nog goede geschriften, die een veelheid van vraagstukken belichten aangaande de predikant en zijn arbeid. De geschriften van een Siebesma, Leuenberg en een Roscam Abbing zijn er een bewijs van, hoezeer ook heden ten dage velen nadenken over de goede vervulling van het ambt. Het is daarom alleen maar aan te bevelen daarvan kennis te nemen en ze te verwerken. Vooral bij de studenten is de wens kenbaar om gedegen onderwijs te ontvangen om praktisch-theologisch bezig te zijn op een verantwoorde manier. Uiteraard kunnen zulke geschriften de praktijk niet vervangen, maar de theorie kan de praktijk wel stimuleren en corrigeren en omgekeerd kan de praktijk de theorie verdiepen. Het is terzake ook in dit artikel eens na te denken over deze zaken. Er zijn namelijk enige tekenen, die er op wijzen dat het predikantsambt geheel wordt uitgehold. Dat kan zijn weerkaatsing hebben op de prediking. Het niveauverlies heeft ernstige gevolgen voor de kerk en de gemeente. Worden dan enkele kritische geluiden hier vernomen, het prikkele de lezer mee te denken om tot een betere oplossing te komen.
Plaats
Vooreerst een enkel woord over de plaats van de predikant. Daarbij passen zeker enkele bijbels-theologische notities. Hoe is de achtergrond van de predikant, hoe staat het ambt in de Schrift? Christus heeft enkele buitengewone ambten ingesteld, waarvan de dragers moeten zorgen voor de architectuur, de grondlegging en de bouw van de geïnstituteerde kerk, terwijl ze later door meer gewone bedieningen vervangen zouden worden. Paulus noemt als buitengewone ambten in Efeze 4 er drie: Christus heeft gegeven sommigen tot apostelen, sommigen tot profeten, sommigen tot evangelisten. Deze ambten zijn exceptioneel, zij vormen geen regel voor de toekomst van de kerk. Voorop gaan de apostelen. Zij zijn allen rechtstreeks en persoonlijk door Christus geroepen en met het ambt bekleed. Hun taak was interlokaal zij leggen in de oude wereld de fundamenten, waarop de kerk gebouwd moest worden. Het woord apostel betekent: ezondene. Ook Christus zelf is naar Hebreeën 3 : 1 een gezondene. Maar zijn apostelschap zet hij voort in twaaalf apostelen. Deze twaalf apostelen weerspiegelen het twaalftal stammen van Israël. Zij beheersen door hun woord de ganse kerk tot aan het einde der eeuwen. Wij komen boven dat apostelwoord nooit uit. Er is geen gemeenschap met de Vader en de Zoon dan door het woord van de apostelen (1 Joh. 1:3).
Profeten en evangelisten
Naast de apostelen noemt Paulus als buitengewone dienaren de profeten en de evangelisten. Ik zou de profeten in het Nieuwe Testament willen noemen mensen, die opbouwend werk verrichten, wanneer eenmaal de apostelen de gemeente hebben gefundeerd. Evangelisten zoudt u kunnen noemen: de hulpkrachten voor de apostelen. Zij verrichten de zendingsarbeid zolang als het Evangelie nog niet overal verbreid is. Deze drie ambten worden niet speciaal aan één concrete gemeente gebonden. Zij zijn generaal en hebben een belang voor alle eeuwen. Bij profeten zoudt u in dit verband kunnen denken aan een Agabus, bij evangelisten aan iemand als Filippus. Hun dienst is vooreen bepaalde tijd en taak, zolang als de gemeente van Christus nog in de opbouwfase verkeert.
Lokaal ambt
Naast het interlokale ambt, naast het generale ambt om zo te spreken, hebben wij het speciale, lokale ambt. Dit draagt een minder opzienbarend karakter. De Schrift spreekt hier van ouderlingen, opzieners en diakenen. Zij vinden in een begrensd arbeidsveld hun taak. Wij moeten hierbij tevens denken aan het ambt van herder en leraar, waarvan Paulus in Efeze 4 nog melding maakt. Deze drie ambten, predikant, ouderling en diaken, weerspiegelen elk op zichzelf bijzonder het unieke ambt van Christus. Om een lange uiteenzetting kort te maken: Christus als profeet, priester en koning glanst door in het gewone ambt. Het profetisch ambt vindt een vertolking in de arbeid van de herder en leraar. Het koninklijk ambt van Christus zet zich voort in de taak van de ouderlingen om de gemeente te regeren, en het priesterlijk ambt vindt zijn weerslag in het ambtswerk van de diakenen. Drie in één en één zich uitwaaierend in drie.
Herder en leraar
Het ambt van herder en leraar was niet eerst ingesteld als een gereed ambt. Het diakonaat en het ouderlingschap zijn er aan voorafgegaan. Zolang als de apostelen leefden, de profetie bloeide en de evangelisten met het Woord des levens rondreisden was er geen behoefte aan afzonderlijke dienaren van het Woord in de diverse dorpen en grote steden. Die werden eerst nodig, toen de gemeenten werden gesticht en het herderlijk opzicht en het geregeld onderwijs in de waarheid nodig was. Toen kwam er een nadere specialisatie van het ambt, met name de ouderling, die arbeidt in de leer en zijn hoofdwerk maakt van de voortdurende bestudering en prediking van het Woord. Natuurlijk oefenen de herders en leraars samen met de ouderlingen opzicht uit over de gemeente. Toch moeten wij niet vergeten dat hun hoofdtaak is de prediking, zij zijn de dienaren van het Woord. Wanneer de diakonale arbeid in Handelingen 6 de predikers teveel wordt, wordt er een arbeidsverdeling aangebracht in ouderlingen in de regering èn ouderlingen in de leer en in het Woord. Deze vertakking van de arbeid komt heel duidelijk nog tevoorschijn in de formulieren tot bevestiging van de verschillende ambtsdragers. Men zie er het kerkboek op na. Het komt ons voor dat deze oude wijsheid van arbeidsverdeling opnieuw weer toepassing verdient in al maar groter wordende gemeenten. Teveel is deze wijsheid bedolven geraakt in dorre tradities van het gehalte als deze, als zou de predikant het manusje van alles zijn. Nu in de tegenwoordige tijd zo'n groot beslag wordt gelegd op de tijd en de kracht van de prediker dreigt het gevaar van ondermijning van de inhoud van de prediking heel duidelijk. Het is eenvoudig niet mogelijk bij al meer toenemende taken dezelfde aandacht aan de overdenking van het Woord te geven als voorheen. Dit nu is een gevaar. Waarschijnlijk het grootste gevaar voor het leven der gemeente.
Arbeidsverdeling
Kerkhistorisch gezien ligt dus het ontstaan van de figuur van de predikant in het volgen van een voorstel tot arbeidsverdeling. Wij noemden Handelingen 6. Welnu, daar zijn de apostelen niet in staat op bevredigende wijze al de ambtelijke arbeid waar te nemen. Daarom roepen zij al de gelovigen samen en verklaren zij, dat zij niet op behoorlijke manier tegelijk in de dienst des Woords en der armenverzorging kunnen voorzien. Het werk gaat hun kracht te boven. Daarom geven zij de raad aan de vergadering, speciaal aan de manslidmaten, uit te zien naar mannen, die zich in het bijzonder met de taak der uitdeling moeten belasten. Wanneer alzo geschiedt, heeft de gemeente enkel voordeel, want de apostelen kunnen zich dan tenvolle wijden aan de dagelijkse voorbede en de bediening van het Woord. Daar hebt u dus de vrijgestelden om der wille van het Woord. De oude kerk heeft in haar begintijd al scherp gezien hoe gewichtig dat werk was en hoe de prediker zich moet wachten voor veelbezigheid in allerlei zaken ten koste van de arbeid in het Woord, waardoor Christus in zijn gemeente arbeiden wil. Naar wij menen, is dit ook in onze tijd bij vernieuwing waar. Er komt zoveel op de predikant af, dat het een worsteling wordt tijd over te houden voor het hoogstnodige: met name de studie van het Woord.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 oktober 1980
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 oktober 1980
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's