De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Jeremia’s ‘waarom’ brenge kerk en Israël gezamenlijk op de knieën

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Jeremia’s ‘waarom’ brenge kerk en Israël gezamenlijk op de knieën

Conferentie bezinningscomité Israël

10 minuten leestijd

Het bezinningscomité Israël, bestaande uit personen uit de kring van de Gereformeerde Bond, belegde te Hoevelaken gisteren een conferentie. In 1947 werd voor het eerst zo'n conferentie belegd, waar het woord gevoerd werd door prof. dr. C. Graafland en dr. S. Gerssen. Sindsdien is de bezinning van kerk en Israël in het licht van de bijbel in kleine kring voortgezet.

Dat heeft geresulteerd in een tweetal veertiendaagse seminars voor predikanten en theologische studenten in Israël. De conferentie die nu in Hoevelaken werd gehouden werd bezocht door een flink aantal predikanten en belangstellende gemeenteleden.

Preekschets

Na de opening van de conferentie door ds. L. van Nieuwpoort, die stelde dat juist ook in de Nadere reformatie en het Piëtisme grote aandacht voor Israël heeft bestaan en dat de opwekking onder de bekende ds. Robert McCheyne in Dundee niet los stond van het bezig zijn met Israël, kwam in behandeling een preekschets van ds. C. den Boer (Woudenberg).

De preek die hij gehouden had bij de bevestiging van het huwelijk van een Joods meisje en de zoon van een Joodse man, handelde over Jeremia 8 : 22: Is er geen balsem in Gilead? Is er geen heelmeester aldaar? Want waarom is de gezondheid der dochter mijns volks niet gerezen? ' Jeremia treedt in 627 voor Christus op, enige jaren na de godsdienstige reformatie onder koning Josia (600 tot 609 voor Christus).

Jeremia is diep teleurgesteld, omdat er geen waarachtige wederkeer tot Israels God heeft plaatsgevonden. Ds. Den Boer zei in zijn schets: 'Met een ernst die niemand spaart, ontdekt Jeremia de zonden, doch tevergeefs, want het volk wil zijn blinddoek niet missen. Jeremia is echter geen man, die slechts spreekt en dan weer heengaat. Hij lijdt als eerste onder de slagen, die zijn volk treffen. Jeremia, de 'eeuwige neezegger', is tegelijk de man, die nooit genoeg tranen heeft (och, dat mijn hoofd water ware en mijn oog een springader van tranen!).

Jeremia's wanhoopsvraag schrijnt net als de open wond, waarover hij spreekt. Israël lijkt ten dode opgeschreven, het oordeel is onafwendbaar. Ja, en toch houdt de boetgezant, de eeuwige neezegger, niet op om plaatsvervangend voor het volk bij God in de bres te staan. De uitdrukking 'dochter mijns volks' is typisch voor Jeremia's nauwe verbondenheid met Israël in schuld en oordeel.'

Hunkering

Jeremia hunkert naar verlossing. Ds. Den Boer zei daarvan: 'Jeremia's zorg om herstel voor Israël is met hem niet het graf ingegaan. Jeremia's klacht zit ingeweven in heel Israels historie. Als dit volk door alle dokters lijkt opgegeven, in de 70-jarige ballingschap bijvoorbeeld, of als het de eeuwen door over de aardbodem heen geslagen wordt, blijft toch het klemmend vraagteken: is er nog hoop voor Israël? Israël heeft zelf Jeremia's bange vraag opgenomen in zijn volkslied: Een hartstochtelijke vraag om balsem, om een heelmeester.

Wie zal deze doorgaande vraag naar verlossing, zoals ze over Israels eigen lippen komt in oudprofetische woorden niet ernstig nemen? Ze is uitgeschreeuwd in gaskamers, ze wordt hartstochtelijk herhaald aan de Klaagmuur, iedere vrijdagavond. Want ook al heeft Israël weer een nationaal tehuis, er is teveel dat dit volk doet zeggen: 'Nog zijn wij niet verlost'.

Het leidt een bedreigd bestaan. Al bloeien de woestijnen, , waarom is bijvoorbeeld Jeruzalem, stad van licht en van goud, het symbool van Gods presentie onder Israël, in feite nog steeds niet de eeuwige en ondeelbare hoofdstad van Israël? '

Schuld

In het 'waarom' van Jeremia ligt intussen een levende aanklacht om de schuld, maar, aldus ds. Den Boer, die schuld is er naar twee kanten: 'Er is sprake van een breuk, een wonde, ongeneeslijk diep. Het onuitsprekelijk hunkeren naar verlossing kan daarvan niet worden losgemaakt. Niet onder Israël, niet bij ons. Sporen we de bron van alle ellende op? God vergeten. Zijn heilig recht niet achten, overhoop liggen met elkaar.

Belijdenis van schuld past Israël in het bijzonder op zijn Grote Verzoendag en als wij spreken met Israël kunnen wij daar niet over zwijgen. Belijdenis van schuld past ons. Israël kan eigenmachtig voor zijn vrijheid vechten, maar wij zijn bezig onze vrijheid in losbandigheid te verkwanselen. Het waarom van Jeremia brenge ons gezamenlijk op de knieën'.

Er is toch ook een blijvend vraagteken: 'Hoewel Israël in de perikoop door alle dokters opgegeven lijkt, blijft toch de klemmende vraag: is er hoop voor Israël? Hoe negatief Jeremia moet concluderen uit de geschiedenis dat het een aflopende zaak met Israël schijnt te zijn ('want waarom'), toch gloort telkens de hoop, dat Israël nog eens het antwoord geeft op Gods waarom: waarom hebben zij mij vertoornd (vers 19)?

Jeremia is zo verweven met zijn volk, dat hij het niet kan afschrijven, om der wille van Gods trouw. Alle vanzelfsprekendheid op het pleiten van de beloften is weg. Maar tegelijkertijd kan Jeremia het niet laten om hoop te koesteren.

Om Gods wil past ons deze Jeremiaanse trouw aan Israël. Als God Israël liet vallen, zal dan niet alle grond van heilszekerheid voor ons ook weg zijn? Het grote bewijsstuk van Gods trouw aan Israël is 'de meerdere Jeremia', de Messias Jezus. Ds. Den Boer besloot met de opmerking dat we inmiddels Israël alleen tot jaloersheid kunnen verwekken als wij er werkelijk verlost uitzien.

Discussie

Gesproken werd in de discussie over een drietal vragen. Ten eerste: waar ligt het diepste motief voor een werkelijk christelijke verbondenheid met Israël.

Ten tweede: is de roep om verlossing bij de Klaagmuur een klacht, waarin de christelijke kerk zich met Israël verenigen kan? Gaan we te ver als we zeggen, dat deze roep ook een aanklacht tegen Israël zelf is, omdat ze in feite een ontkenning is van Jezus' verlossingswerk?

Ten derde: hoe moet de jongste uitspraak van de Knesseth met betrekking tot Jeruzalem als de eeuwige en ondeelbare hoofdstad van Israël worden opgevat?

Wat de verbondenheid tussen kerk en Israël betreft werd gewezen op het heil dat uit de Joden is (Christus kwam uit het joodse volk). Verder op het ontvangen van het Oude Testament via Israël, de opdracht voor de kerk om Israël tot jaloersheid te verwekken, de eenheid van het verbond, Gods trouw waarover Romeinen 9 tot 11 spreekt. Gewezen werd ook op ingrijpende verschillen. De Jood moet zijn verkorenheid bewijzen, de Jood verwerpt fundamenteel de rechtvaardiging van de goddeloze, waarvoor Paulus zo opkomt. Bij de Jood is het diepe besef van zonde en schuld minder aanwezig.

Wat de roep om verlossing door de Joden bij de Klaagmuur betreft, hier ligt de ontkenning van het verzoeningswerk van Christus. Jeremia klaagt al over de zelfoverschatting van het volk. Er mag verbinding van Joden en christenen zijn in het verlangen naar de uiteindelijke verlossing, we kunnen niet om het kruis heen. En de uiteindelijke verlossing ligt ook niet in het hier en nu, waar Israël het zo sterk verwacht, al mag de kerk de aardse trekken in het heil niet negeren.

Wij beleven de verlossing meer geestelijk, aldus ds. S. Gerssen. Maar het gaat wel om heiliging van het ganse bestaan als de geest intrekt bij mensen. Verder kwam nog naar voren dat de knecht des Heeren, zoals die getekend wordt in Jesaja 53 door de Joden in de polemiek met christenen steeds meer collectief opgevat wordt (Israël zelf is de knecht des Heeren), terwijl in de kerk het gaat om de persoonlijke toespitsing op de Messias, Jezus.

Jeruzalem

Door verschillende sprekers werd kritisch aangekeken tegen het besluit van de Knesseth om Israël tot eeuwige ongedeelde stad te verklaren (voorbarig, niet nodig, provocerend). Toch kunnen we er niet omheen in het concrete politieke gebeuren in en om Israël de hand des Heeren te zien (vergelijk 1948 toen Israël weer een staat werd).

Ds. Den Boer waarschuwde dan ook voor een aarzelende houding als het gaat om solidariteit met Israël, hetgeen hij ook betrok op de ambassadekwestie (in de oorlog is geaarzeld de spoorlijn naar Auschwitz op te blazen).

Dr. S. Gerssen zei dat door politieke beslissingen heen God Zijn Rijk bouwt, ook hij verwees daarbij naar 1948. Maar aan de bijbelse verwachting mag geen recht worden ontleend om politieke fouten te rechtvaardigen. Jeruzalem is inderdaad bijbels gezien een ongedeelde hoofdstad, maar wel een stad waarin samenleven van meer mensen gestalte moet krijgen. Jeruzalem is op een andere wijze een Joodse stad dan bijvoorbeeld Tel Aviv.

Jeruzalem is de stad waar God woont te midden van Zijn volk, stad van de verkiezing, maar waar toch ook de Filistijn, de Tyriër en de Moor zijn ondergebracht. Daarom was hij bang voor het vertalen van bijbelse beloften in politieke zin. Jeruzalem is ongedeeld, dat is naar de belofte Gods waar. Maar er kan al te gemakkelijk worden overgestapt van geloof op ideologie.

Nadere reformatie

's Middags refereerde prof. dr. C. Graafland over 'Israël en de gereformeerde traditie', waarbij hij vooral inging op de Nadere reformatie. Bij de bezinning die in gereformeerde kring op Israël is gekomen, was het een verrassing te ontdekken, dat ook bij nadere reformatoren zoveel aandacht voor Israël heeft bestaan.

Bij Calvijn blijkt de visie op Israël hoofdzakelijk negatief te zijn. Met name dr. T. Brienen heeft in een recente publicatie over Israël aangegeven dat in de Nadere reformatie drie stromingen te onderscheiden zijn als het over Israël gaat. Een chiliastische stroming: W. Teellinck, H. Witsius, J. Koelman, Th. a Brakel, F. A. Larripe, J. de Labadie en Th. van der Groe. Deze visie was sterk vertegenwoordigd.

Verder een polemische visie, d.w.z. 'een anti-thetische of negatieve of missionaire houding ten opzichte van de Joden' (J. Hoornbeeck). Tenslotte een irenische visie, waarin-de oudtestamentische beloften primair voor Israël werden gezien en de kerk positief, wervend en luisterend ten opzichte van Israël stond en Israël tot jaloersheid verwekt diende te worden (A. Hellenbroek).

Desalniettemin stelde Graafland mede naar aanleiding van een artikel van M. J. Paul in Documentatieblad Nadere reformatie', dat het Calvinistische standpunt het algemeen geldende was. Graafland wilde intussen niet stellen dat de ene stroming meer bijbels zou zijn dan de andere, dat wil zeggen zich meer op de bijbel wenste te oriënteren. Er is echter verschil in hermeneutiek, in het verstaan van de Schrift, in het oor dat men heeft bij het luisteren naar de Schrift.

Graafland pleitte ervoor niet een lijn te verabsoluteren, hij pleitte voor ruimte voor de bezinning; als de hele Schrift maar ernstig wordt genomen. Zo keerde hij zich kritisch tegen brutaalweg afschrijven van gedeelten van de Schrift (ook vroomweg). Anderzijds keerde hij zich tegen een kant en klare actualisering van de toekomst, waarbij geloof al aanschouwen wordt. Het gaat uiteindelijk ten aanzien van Israël om het geheimnis dat geopenbaard wordt (Openbaringen 22 : 6 tot 10).

Aan het eind van de conferentie bleek dat ook voor het volgende seminar dat door het bezinningscomité Israël wordt belegd weer flinke belangstelling onder predikanten en theologische studenten bestaat.

(eerder geplaatst in het Ref. Dagblad)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 oktober 1980

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Jeremia’s ‘waarom’ brenge kerk en Israël gezamenlijk op de knieën

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 oktober 1980

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's