Gestalten van Christus (5)
Pastorale overwegingen
Wanneer we mogen nadenken over de verschillende gestalten van Christus, waaronder Hij Zich doet kennen, en zoals Hij door het oog des geloofs mag worden aanschouwd, dan mogen we terecht ook aandacht vragen voor de zegenende Zaligmaker.
De zegenende Christus
Wanneer we mogen nadenken over de verschillende gestalten van Christus, waaronder Hij Zich doet kennen, en zoals Hij door het oog des geloofs mag worden aanschouwd, dan mogen we terecht ook aandacht vragen voor de zegenende Zaligmaker. En dat niet alleen omdat Hij zegenend heengevaren is van de aarde, zeker, ook dat, maar Hij heeft toch ook eenmaal met de opgeheven handen de kinderen gezegend. En na de hemelvaart en het Pinksterfeest kan Petrus zeggen, dat God Zijn Zoon eerst tot Israël zond, opdat Hij zou zegenen, daarin, dat de boodheid van u afgekeerd wordt. (Hand. 3 : 26). Als u leest over het zegenend werk van de Heiland, is het goed te weten, wat nu eigenlijk 'zegenen' is.
Wat is zegenen?
Ongetwijfeld denken velen bij het woord 'zegenen' aan het uitspreken van mooie en goede wensen. Hoe vaak doen we dat bijvoorbeeld op nieuwjaarsdag: 'veel heil en zegen' in het nieuwe jaar. Wrang is de opmerking: 'op nieuwjaar wensen we elkaar, een dag later al verwensen we'. Maar goed, bij al ons wensen is uitgesproken, dat het toch maar woorden zijn, die wij althans niet kunnen waarmaken. En bij 'zegen' denken wij nogal eens aan: voorspoed, succes, welvaart. Het is heel opmerkelijk, dat in het hebreeuws de grondstam van het woord 'zegen(en)' dezelfde is als die van het woord 'knie'. Maar de knie is het centrum van kracht. Wie een klap tegen zijn knie krijgt, zakt in elkaar, blijft niet rechtop staan. Zegenen is dus niet maar iets goeds zeggen, een mooie wens uitspreken, waarvan toch niets terecht komt, maar zegenen is kracht uitstorten. In andre oosterse talen wordt dat woord wel in verband gebracht met 'huldigen, tempelaanbidding of zelfs vuur aansteken'. Wie huldigt, knielt ook neer trouwens. In het Nieuwe Testament is zegenen letterlijk: 'wel - spreken', goede dingen zeggen, vooral van God en van Zijn genade.
Zegenen is priesterlijk werk
Zelfs onze kinderen, denk ik, weten al wat een priester moest doen onder het Oude Verbond. In elk geval moest hij offeren, en bidden, en ook onderwijs geven. Minder vaak komt dan ook nog het woord 'zegenen' er uit. Maar ook dit behoorde tot zijn taak. We kunnen lezen in Numeri 6, ter inleiding op de hogepriesterlijke zegenbede, dat alleen Aaron en zijn zonen mochten zegenen. Zij stonden in de bediening der verzoening immers tussen de heilige God en het onheilige volk in. In Lukas 1 wordt verhaald hoe het volk buiten wachtte op de komst van Zacharias, ter ure van het reukoffer, om de zegen te ontvangen. Wel moeten we opmerken, dat de zegen niet op Israël kwam, omdat de priester de juiste formulering bezigde. Onder de heidense volken had het zegenen een magische uitwerking. De termen bevatten een geheimzinnige kracht en de persoon van de priester stond garant voor de uitwerking. In de rooms-katholieke kerk werkt het sacrament 'ex opere operato', vanzelf, of men gelooft of niet gelooft. Dat leert de Schrift niet. De zegen gaat, als het er op aankomt, niet van de priesters uit, maar van de Heere.
En nu de Heere Jezus
Ook de Heiland heeft gezegend. Zijn priesterlijk werk van voldoening, van zelf-offerande is het hart van Zijn bediening. De Hebreeënbrief legt daarop alle nadruk. Ik geloof te kunnen zeggen, dat de Heere profetisch kon en kan onderrichten in de raad der verlossing, omdat Hij priester heeft willen zijn. Ik geloof te mogen zeggen, dat de Heere koninklijk kan verlossen en leiden, omdat Hij priester heeft willen zijn. En Hij zegende. Hij zegende de jonge kinderen, naar Marcus 10 : 16. Dat was meer dan gevraagd werd, slechts een aanraking. Hij omhelsde hen en zegende hen met opheffing der handen. Machtiger, heerlijker, zekerder dan de zegen van de aartsvaders, die hen toekwam van Godswege. Immers de heilsbelofte ging daarbij over op de nakomelingen. Maar nu draagt de Heere hen het heil over, dat in Hem vlees en bloed was geworden, en waarover Hij Zelf ook kon beschikken. En bij Zijn afscheid op de Olijfberg zegende Hij de achterblijvende elven. Hij schonk daar metterdaad wat zij nodig hadden, persoonlijk, met elkander en ambtelijk. En welke handen waren daar geheven. Doorboorde handen, waarin de litteken nog te zien waren van de nagelen van Golgotha. Wat Hij zegt, is steeds met macht en gezag geladen. De vervulling van de zegen ligt in de persoon en in het werk van Hem, Die zegent. Dat was Zijn laatste werk. Meer kon Hij niet dóen, daarin gaf Hij alles. Zichzelf, de uitwerking en toepassing van wat Hij eerst had verworven. En dan is het toch een eeuwig wonder om als een, die niet de zegen, maar wel de vloek verdiend heeft, onder die doorboorde handen een plaatsje te mogen vinden. Want Hij is door een vloek te zijn geworden aan het kruishout een oorzaak van eeuwige zegen geworden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 oktober 1980
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 oktober 1980
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's