Uit de pers
De school en de christelijke beginselen
'De school mag het kind geen christelijke beginselen bijbrengen', zo luidt het opschrift van een bijdrage in Hervormd Nederland van 11 oktober waarin Cees Veltman een gesprek had met de pedagoog B. Buddingh, vice-voorzitter van de Hervormde Raad voor Kerk en school. Buddingh woonde in Helsinki een conferentie bij over de uitdaging van de nieuwe religieuze bewegingen voor de godsdienstige opvoeding. Hij vertelt er het volgende over:
'Ook in Helsinki werd duidelijk dat er grote behoefte bestaat aan andere dan traditioneel-gerichte religieuze ervaringen, dat velen zoeken naar een nieuwe zingeving. Het maakt echter wel groot verschil of we godsdienstonderwijs geven in een homogeen-culturele en gesloten samenleving of in een geseculariseerde en multi-culturele samenleving. Hier komen vragen aan de orde van pedagogische aard.
Godsdienstige opvoeding moet bevrijdend werken en kan vaak op gespannen voet staan met de structuur en met de inhoud van de christelijke school. Daarin zit veel verborgen ideologie.
Godsdienstige opvoeding is allereerst een taak van gezin en kerk. Als we het over de school hebben, praten we over een cultuurgestalte, dus niet als zodanig van boven gegeven. De school, ook de christelijke, staat onder de kritiek van de bijbelse verkondiging. De school is geen kerk en moet zich ook niet zo'n beetje als kerk willen gedragen. De school is een van de vele wegen voor het kind naar volwassenheid en mondigheid. Het kind moet zichzelf leren ontdekken. De school mag het kind niet leren wat het moet denken, maar dat het moet denken.
De school is niet een plaats waar christenen gekweekt worden of waar je mensen tot de kerk brengt. Los van het feit dat de geschiedenis leert dat dat niet lukt, is het ook geen taak van de school. De school heeft een eigen-pedagogisch-didactische opdracht. In wezen heeft ze een emancipatorisch karakter. Het kind moet leren zichzelf te zijn in relatie tot de ander. Een mens is altijd een mens-in-relatie. Godsdienstonderwijs heeft daarbij een heel belangrijke plaats. Maar het is niet in de eerste plaats een apostolaire. De school, ook de christelijke, moet veel meer vanuit de dienstbaarheid, het diakonaat gezien worden.'
Ook hier treft me weer het vage gebruik van het woord 'bevrijding'. Bevrijding in bijbelse zin is toch altijd bevrijding tot een leven van gehoorzaamheid aan de Here. Natuurlijk kan een school geen christenen kweken... wie heeft dat trouwens ooit beweerd? Maar bevrijding in bijbelse zin is wat anders dan emancipatie. Ook in het onderwijs zal het er toch om mogen gaan dienstbaar te zijn aan de vorming die in de Schrift altijd gericht is op de vorming tot mens Gods (2 Tim. 3 : 16v). Een mens is altijd mens-in-relatie, zegt Buddingh. Maar kunnen we de relatie tot de ander losmaken van de relatie tot God?
Ook over de beginselen uit Buddingh zich in dit artikel op een m.i. aanvechtbare wijze:
De school mag ook geen christelijke beginselen bijbrengen, wat dat ook voor dingen zijn. De christelijke school staat voor een essentiële uitdaging: hoe ontvangt ze de kinderen van de buitenlandse gastarbeiders, met hun eigen godsdienst en cultuur?
Is zij in staat deze kinderen de eigen ruimte te geven, waarop ze recht hebben? Of treedt ze hen toch weer tegemoet met de bijbel, vanuit een soort bekeringsdrang? Kent de christelijke school aan zichzelf een zekere meerwaarde toe? Hoe staat ze dan tegenover de gelijkwaardigheid van mensen en culturen?
Daarbij komt dan nog de secularisatie. Secularisatie is geen bedreiging, maar geeft nieuwe mogelijkheden, ook voor de christelijke school. Maar dat betekent wel dat ze zich meer dialogisch moet opstellen dan vanuit een antithese: christelijk tegenover niet-christelijk. Het godsdienstonderwijs kan in deze zin een belangrijke bijdrage leveren.
De schoolsituatie is verre van rooskleurig. Voor veel kinderen, dat geldt zeker voor het voortgezet onderwijs, blijkt de school helemaal niet zo'n leuke zaak te zijn. Ik heb heel wat zwartboeken in huis. De prestatiegerichtheid en het competitieelement zijn nog sterk aanwezig. De creativiteit en de gevoelskant komen weinig aan bod. Daarom is democratisering een onmisbare voorwaarde om de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren. Vooral met de wat oudere kinderen liggen hier veel meer mogelijkheden dan op dit moment worden gebruikt.
U ziet in de secularisatie een kans, maar er zitten ook gevaren aan vast.
Ja, we verkeren nu in een tijd van veranderende normen. Oude normen en tradities verdwijnen terwijl er nog weinig nieuwe voor in de plaats zijn gekomen. Dat heeft twee jgevaarlijke kanten. Er bestaat de neiging normen - die cultuurgebonden zijn - te verticaliseren, alsof ze van God komen. Ook zien we de houding: zoek het zelf maar uit, wij weten het ook niet. Eet, drink, wees vrolijk. Morgen zien we wel weer. Dat is nihilisme. Het eerste heeft te maken met een herleving van autoritair denken en het tweede met het zogeheten doemdenken: morgen valt de bom toch.
Het zuilendenken neemt hier en daar toe, ook in welzijnsland. Men weet geen raad met de secularisatie. Normen en waarden worden weer beklemtoond. Maar ik heb toch hoop dat we in het onderwijs ook een eigen weg durven gaan, en niet al te krampachtig bezig zijn. Essentieel voor de christelijke school is niet de grondslag. Ik heb hier thuis minstens 25 grondslagen in de kast liggen van uiterst links tot uiterst rechts. Het lijkt wel een supermarkt: iedereen zoekt er uit wat van zijn gading is. Nee, de identiteit van de school wordt vooral bepaald door de praktijk. Woorden zijn goedkoop en kunnen gemakkelijk tot christelijk geveltoerisme leiden: 'school met de bijbel'. Maar soms schrik je als je ziet, hoe besturen van die scholen met het personeel omgaan. Een bestuur dat zich laat voorstaan op zijn bevoegd gezag en dat niet dienstbaar is, faalt.
Ik heb meegewerkt aan de discussienota 'De gegeven broeder' naar aanleiding van de zaak Jan Dirk Pronk. Hij móest de school uit, omdat hij lid was van de CPN. Met zo iemand moet je juist in discussie gaan en hem niet ontslaan. De school is de speelplaats van de samenleving. Waarom zou er geen plaats zijn voor jongeren die gedreven worden door gevoelens van solidariteit en gerechtigheid en die voor een partij kiezen die de jouwe niet is? Als christen heb je vertrouwen in mensen.
Ik ben bij een discussiebijeenkomst van de CPN geweest naar aanleiding van de zaak-Pronk. Een gesprek met die mensen heeft zin. Ik ben het dan ook niet eens met de Unie school en evangelie en met Verkuyl die de deuren sluiten. We zullen de dialoog met andersdenkenden moeten blijven aangaan, anders is onze samenleving ten dode opgeschreven. Daarbij mogen we meer verwachten van de Geest dan we nu doen. Wij hebben Jezus niet tot overwinnaar gemaakt, dat heeft hij zelf gedaan, soms zelfs ondanks ons. Hij heeft alle machten aan zijn zegekar gebonden. Wij hoeven niet nog eens een handje te helpen.' De school mag geen christelijke beginselen bijbrengen, zegt de heer Buddingh. Intussen wemelt zijn eigen bijdrage in HN van beginselen, namelijk de typische doorbraak-beginselen. Stellig is een grondslag geen waarborg voor het christelijk karakter van de school. Maar ik vrees dat bij Buddingh een beginsel overheerst namelijk het beginsel van de praxis, de praktijk die nogal horinzontalistisch wordt ingevuld en waarin christenen en b.v. CPN-ers kunnen samenwerken. De school is speelplaats van de samenleving. Maar op elke speelplaats gelden spelregels. Zijn die voor een christen niet bepaald door de Schriften? Wanneer Buddingh zinspeelt op Colossenzen 2:15 (Christus overwinning op de machten) en daarom oproept tot vertrouwen in de dialoog, zou ik hem er toch op willen wijzen dat Colossenzen 2 : 8 ook waarschuwt: ie toe dat niemand u verleide... Paulus weet van beginselen van deze wereld die een mens aftrekken van Christus. Kennelijk is het vertrouwen waar het in Col. 2 over gaat anders dan het vertrouwen waar Buddingh over spreekt. M.i. wordt door Buddingh de secularisatie te positief beoordeeld en te weinig het verwoestend karakter daarvan onderkend.
Reformatorische Bijbelschool
Scheps Kerknieuws van 17 oktober had een gesprek met de heer J. L. v. d. Wolf, directeur van de RBS te Zeist, over deze school die haar negende cursusjaar is ingegaan en geheel in stand gehouden wordt door giften en schoolgelden. De school krijgt namelijk geen subsidie. De bedoeling van de school is een middenkader te vormen voor kerkelijke werkers. Het diploma geeft tevens bevoegdheid voor bepaalde takken van het godsdienstonderwijs Van der Wolf: Ons diploma wordt door het ministerie van Onderwijs en Wetenschappen salair gewaardeerd in schaal 3b. Dat is een waardering die gelijk te stellen is met die van een Mavo-docent. Men beoogt naast het geven van onderwijs ook vorming:
De cursus bedoelt uiteraard in de eerste plaats theoretische kennis bij te brengen. Er wordt gedoceerd in bijbelvakken, cultuur, ethiek, filosofie, psychologie, didactiek en zelfs twee oude talen (Hebreeuws en Grieks). Maar daarnaast willen wij ook breder bezig zijn: onze opleiding heeft ook persoonlijke, attitude-vormende aspecten. Het gaat er in de opleiding dus ook wel degelijk om, hoe je je als christen in dit leven manifesteert.
De cursus moet als het ware de gehele persoonlijkheid doortrekken. Die twee aspecten zijn onslosmakelijk aan elkaar verbonden. Juist vanwege dat aspect van de persoonlijke vorming is er ook een internaat aan onze school verbonden. De studenten van de drie-jarige opleiding zijn verplicht twee jaar in het internaat te wonen. Het derdejaar moeten zij zelf op kamers gaan wonen. De cursisten van het vormingsjaar wonen echter allen extern. In het tweede jaar kennen we een zg. werkvloerstage. De studenten moeten dan enige tijd in een gewone werksituatie, bijv. in een fabriek of op een kantoor, doorbrengen. Een vast onderdeel van het tweede studiejaar is ook het gezamenlijk organiseren van een evangelisatieactie in een stad in samenwerking met de kerken in die stad. Die actie wordt voorbereid gedurende het hele tweede jaar en vindt plaats in vakantietijd. Gedurende het derdejaar wordt twee dagen per week stage gelopen: drie maanden in het onderwijs en drie maanden lang in een gemeente.
De RBS wil in haar werk gericht zijn op de kerken. Op een vraag wat dat inhoudt, zegt Van der Wolf:
In de eerste plaats zijn onze cursisten afkomstig uit de kerken van de gereformeerde gezmdte. Wij vragen van hen dan ook respect voor eikaars kerkelijke afkomst. Na afloop van de cursus sturen we de mensen ook bewust weer naar hun eigen kerk terug, welke moeite ze daar ook mee hebben. En ik moet eerlijkheidshalve zeggen dat een groot deel van de mensen die hier komen nogal wat moeite heeft met de wijze waarop hun gemeente functioneert als gemeente. Wij willen dus nadrukkelijk niet los van de kerken werken. Maar het gaat er juist om dat we de mensen stimuleren in hun eigen kerk actief bezig te zijn. Daarom komen er bijv. ook studenten die al een beroepsopleiding achter de rug hebben maar hier willen leren hoe je als gemeentelid het beste kunt functioneren, b.v. als ouderling. We besteden in ons programma dan ook veel aandacht aan de vraag: wat is gemeente zijn? Ik kan mij voorstellen dat beantwoording van die vraag in een groep, die kerkelijk zo verschillend is samengesteld, wel eens op problemen stuit.
Nee, dat valt erg mee. Ook onze docenten komen uit verschillende kerken en wij proberen nadrukkelijk geen eenheidsvisie over te brengen. Er is een marge, waar je als school buiten blijft en die iemand persoonlijk moet kunnen invullen. Overigens, als het gaat om het gemeente-zijn, dan hebben we het niet zo zeer over de kerkvraag, maar zijn we veel meer met praktische dingen bezig. Wat betekent voor u de toevoeging 'Reformatorisch'?
Dat wil zeggen dat wij hier werken op basis van het Evangelie, zoals dat wordt nagesproken in de Drie Formulieren van Enigheid. Dat is een zaak die compleet gestalte krijgt niet alleen bij het vak dogmatiek maar in alle vakken. Zoals men in de Reformatie het Evangelie herontdekte en beschreef, zo willen wij werken op deze school. Wordt uw opleiding door de kerken, waaruit u uw studenten recruteert, ook erkend?
Er is geen sprake van een formele erkenning. De diverse kerken hebben natuurlijk hun eigen opleidingsinstituten. Ik heb al gezegd dat wij onze afgestudeerden graag terug willen zien in hun eigen kerken en ik moet zeggen dat dat nogal eens problemen oplevert. Er zijn echter ook hoopvolle tekenen. Bij de Gereformeerde Kerken bijv. is men hard aan het studeren over de status van de z.g. pastoraal werker. Als het gaat over de Hervormde Kerk, daar hebben wij contact met de leiding van de z.g. catechetenopleiding. Het is nu al mogelijk dat een student van de RBS na een aantal aanvullende tentamens examen aflegt voor deze catechetenopleiding.
Er is in het algemeen vrij weinig plaats binnen de kerken voor een middenkader. Niettemin hebben toch de meeste afgestudeerden van onze school hun plaats binnen de kerken gevonden. In de Nederlandse Hervormde Kerk zijn er nogal wat evangelist geworden via de Inwendige Zendingsbond. In Vriezenveen werkt een afgestudeerde als pastoraal werker. Ook binnen de Gereformeerde Kerken zijn een behoorlijk aantal mensen aan het werk gekomen. We hopen dat er meer contacten met de kerken komen en dat er meer waardering en begrip komt voor wat wij pogen te doen.
Als je bedenkt dat de meeste kerken hun eigen opleidingen hebben, ook voor het middenkader, is de RBS dan wel zo nodig?
Dat geloof ik wel, want het gaat ons niet alleen om het onderwijskundige aspect van de opleiding, maar wij willen een bredere opleiding bieden, waarin ook de persoonlijke vorming aandacht krijgt. Dat is bij de kerkelijke opleidingen veelal niet het geval. De Bijbelschool is in het algemeen nog een vreemd fenomeen in Holland. Alleen het woord al is angelsaksisch. Maar ik geloof dat dit moet en ook kan veranderen. Het feit dat onze Bijbelschool niet te identificeren is met een bepaalde kerk hoeft nog niet te betekenen dat het geen waardevolle opleiding is voor mensen uit die kerken.
Graag geef ik deze gedeelten uit dit gesprek aan u door. Doordat ik als lid van de Raad van Advies wat nauwer betrokken ben bij de Reformatorische Bijbelschool weet ik hoe broodnodig deze school ook ons meeleven heeft. De verbrokkeling op het erf van de gereformeerde gezindte enerzijds en de beïnvloeding van enkele sectoren van deze gezindte door de nieuwe theologie maken dat allen die oprecht begeren te leven, te studeren en te werken in gehoorzaamheid aan de Schrift zoals die door de Reformatoren is verstaan en in haar belijdenis is nagesproken, elkaar nodig hebben. Juist een school als de RBS kan een belangrijk ontmoetingspunt zijn in de huidige kerkelijke verhoudingen. Dat de RBS naast uw medeleven, en uw voorbede ook financiële steun goed kan gebruiken, is ook in dit blad al vaker gezegd, maar het kan misschien geen kwaad u nog eens te wijzen op de noodzaak daarvan. Moge onder Gods zegen de RBS ook in dit nieuw gestarte cursusjaar zegenrijk en vruchtbaar werken. Gods zegen vergezelle docenten, studenten en allen die er werkzaam zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 oktober 1980
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 oktober 1980
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's