De godsdienstige achtergrond van Gerrit Achterberg
Zoals bekend was de dichter een zoon uit een boerengezin te Neerlangbroek bij Doorn. Hij leefde van 1905 tot 1962. Het gezin Achterberg behoorde tot de Geref. Bond en ging trouw ter plaatse naar de Herv. Kerk. De woorden van de Statenvertaling, de Tien Geboden, de berijmde psalmen en de Heidelberger Catechismus waren de dichter van huis uit zo vertrouwd dat het uiterst belangrijke elementen werden voor zijn poëzie.
Wet en gericht
Het gedicht Triniteit (Drieëenheid) van Gerrit Achterberg begint met de regels:
God scherpt zijn wet op deze steen, die mijn bestaan geworden is.
Dit zijn opvallende regels, in verschillende opzichten. Allereerst blijkt eruit dat deze dichter bijbelse beelden en woorden gebruikt - hier het beeld dat God eenmaal Zijn wet op de stenen tafelen schreef - en dat hij deze inpast in zijn poëzie. Ten tweede zien we dat de Wet in zijn gedichten blijkbaar een bijzondere plaats inneemt. Wet staat hier voor het goddelijk recht; de wet veroordeelt, stelt schuldig. Dit alles wordt op een heel persoonlijke wijze beleefd: de 'steen' uit het bijbelse verhaal is hier geworden het 'bestaan' van de 'ik'.
De geciteerde regels staan in zijn werk niet alleen. Typerend is in dit verband ook Droomgericht, dat begint met de volgende regels:
De klok regeert de kamer,
monotone wetten
murmelen in den avond,
niemand kan zijn regelen verzetten,
niemand wordt hier doorgelaten.
Vandaag ben ik beschuldigd,
vanavond lig ik voor ' t gericht.
En de slotstrofe luidt diep tragisch:
Rinkelend verschrikken
minuten, minuten;
uren hijgen voort
en vier muren klagen
om een enkel woord van vergeven
vóór den morgen, om een antwoord van vergeven,
om een antwoord vóór den morgen.
Hoewel God en de Wet in dit gedicht niet genoemd worden, is een christelijke interpretatie m.i. zeker mogelijk. Het slot duidt op grote wanhoop: de minuten en uren gaan voorbij, maar het woord van vergeven blijft uit.
Men heeft in de genoemde noties schuld, wet en goddelijk recht veelal verklaard uit het godsdienstig milieu waarin Achterberg is opgegroeid en waarmee hij altijd enige 'voeling' is blijven houden: de rechtervleugel van de Herv. Kerk, in het bijzonder de Gereformeerde Bond. In verband met het feit dat de dichter 75 jaar geleden is geboren - in het Letterkundig Museum ten Den Haag is tot 2 januari 1981 een expositie aan hem gewijd - verschenen dit jaar over hem diverse artikelen. Een daarvan, geschreven door Hans Barendrecht met als titel De religieuze grondslag bij Gerrit Achterberg (Maatstaf, juli 1980), is voor mij aanleiding tot dit artikel omdat het ingaat op de kwestie die ik hierboven noemde.
Leven en geesteshouding
Zoals bekend was de dichter een zoon uit een boerengezin te Neerlangbroek bij Doorn. Hij leefde van 1905 tot 1962. Het gezin Achterberg behoorde tot de Geref. Bond en ging trouw ter plaatse naar de Herv. Kerk. De woorden van de Statenvertaling, de Tien Geboden, de berijmde psalmen en de Heidelberger Catechismus waren de dichter van huis uit zo vertrouwd dat het uiterst belangrijke elementen werden voor zijn poëzie.
In het paasnummer van De Waarheidsvriend in 1979 schreef ik reeds een artikel over hem. Daarin wees ik ook op zijn bijzondere geestesstructuur: hij wenste hier op aarde reeds het onbezoedelde, het volmaakte en kon geen genoegen nemen met allerlei vormen van disharmonie: ziekte, aftakeling, verderf, haat, armoede en ten slotte de dood. Zijn hele poëzie getuigt van een worsteling om het onmogelijke toch mogelijk te maken, om a.h.w. de dood te overwinnen. Het machtige middel dat hij daartoe bezat was de taal. Taal was voor de dichter het scheppende woord, dat voor hem een wezenlijke relatie had met Gods scheppende woord (Genesis 1 en Johannes 1). Wat in de normale realiteit niet mogelijk is, is wel mogelijk binnen de wereld van het gedicht: de dood uitschakelen, dé disharmonie overwinnen. Het is duidelijk dat hier grensoverschrijdingen plaatsvinden: een vermetelheid tegenover God, die veel lijkt op de overmoed - de hybris - die we in diverse oude Griekse tragedies aantreffen. De dood willen elimineren betekent een confrontatie met God. Alleen Christus heeft de dood overwonnen en het heeft lang geduurd voordat Achterberg dat heeft kunnen en willen aanvaarden. Zijn worsteling met het aardse bestaan is onlosmakelijk verbonden met een worsteling met God.
Verschuiving
Gerrit Achterberg, daarover behoeft geen twijfel te bestaan, is weggegroeid van de kring waarin hij was opgegroeid, de Geref. Bond dus. Wel behield hij zijn contacten, o.m. met ds. J. T. Doornenbal te Oene, maar aan de sfeer, het klimaat van het ouderlijk huis ontgroeide hij. Bijzonder duidelijk valt dit op te maken uit zijn bundel Vergeetboek, waarin de dichter op zijn 50e jaar a.h.w. even terug is in de oude dorpsgemeenschap en zijn belevenissen doet uitkristalliseren tot gedichten. In Eben Haëzer schrijft hij bijvoorbeeld: 'Godsdienst hing zwaar tegen de hanebalken'. En in Komaf lezen we:
Ik wil niet meer. Het is te veel verzuurd.
De wereld schoof zich tussen toen en nu.
Zo luchtig mogelijk ga ik vertrekken.
Om niet voortijdig argwaan op te wekken
zeg ik in ' t dode idioom aju en fiets hermetisch door de strenge buurt.
Het moge duidelijk zijn: de dichter behoorde niet meer tot de geloofsgemeenschap van zijn jeugd. We moeten niet proberen Gerrit Achterberg alsnog te annexeren en te rekenen tot de 'sympathisanten' van de Geref. Bond! Neerlangbroek was voor hem geworden: 'de strenge buurt' met het 'dode idioom'.
Typering van de Geref. Bond door een buitenstaander
De zojuist beschreven verschuiving signaleert Barendrecht ook. En terecht, zoals uit het bovenstaande valt af te leiden. Meer moeite met zijn betoog krijg ik, als hij probeert het geestelijk klimaat van de Geref. Bond te tekenen. Dan blijkt dat hij niets afweet van allerlei nuanceringen en variëteiten die er - binnen bepaalde grenzen - altijd zijn geweest, vroeger en nu. In feite plaatst hij de Geref. Bond, zowel van vroeger als van nu, bij de uiterst rechter vleugel van het gereformeerd protestantisme, (met uitwassen die Van Ruler eens heeft beschreven in zijn bekende artikel Ultra-Gereformeerd en Vrijzinnig). Zo lezen we dan de volgende typeringen:
- de Ger. Bond legt eenzijdige nadruk op de verkiezing;
- de wet wordt vóór het evangelie gesteld;
- men heeft wel aandacht voor de erfzonde, maar weinig aandacht voor de zonden die men dagelijks begaat;
- men komt niet toe aan doen, d.i. God en medemens praktisch liefhebben; in plaats hiervan vinden we primair een gelovig overdenken en ondervinden in de ziel.
De lijst is niet af, maar is duidelijk genoeg. Het is niet aan mij dit alles te gaan weerleggen. Het is jammer dat in een wetenschappelijk artikel zo ongenuanceerd wordt gesproken over dit soort zaken: het geloofsstuk van de verkiezing aanvaarden is bijvoorbeeld wezenlijk iets anders dan eenzijdige nadruk leggen op de verkiezing.
Achterberg en het christelijk geloof
Terug naar Gerrit Achterberg. Als iemand weggroeit van een bepaalde kerk of kerkelijke organisatie behoeft dat gelukkig nog niet in te houden dat hij buiten het christelijk geloof belandt. Terecht stelt Barendrecht dan ook dat Achterberg christen is gebleven. Hij is alleen tot een andere beleving daarvan gekomen, door grote diepten heen. Daarbij gaat het niet zozeer om andere kernelementen - zonde en schuld; vergeving en verlossing door Christus - , als wel om andere accenten en een andere vormgeving.
Er blijft plaats voor de diep-bijbelse gedachte dat ieder die uit de nood van zijn leven tot Christus roept, niet verstoten zal worden. Die noodkreet lees ik in de slotregel van Achterbergs gedicht Reiziger 'doet' Golgotha: 'Christus, wil mij verschijnen aan den einder'. Diezelfde kernnoties tref ik aan in zijn bekende gedicht Bekering:
Gij hebt het hoog geheim Here Jezus, doorbroken,
tussen ons en de Vader, naar Uw Woord mogen wij zonder zonde zijn en nieuwe wezens,
wat er ook in ons leven is gebeurd.
Ik deed, van alles wat gedaan kan worden,
het meest misdadige - en was verdoemd.
Maar Gij hebt God een witte naam genoemd,
met die van mij. Nu is het stil geworden, zoals een zomer om de dorpen bloeit.
En moeten ook de bloemen weer verdorren:
mijn lenden zijn omgord, mijn voeten staan geschoeid.
Uit Uwe Hand ten tweeden maal geboren,
schrijf ik U uit het donker tegemoet.
Wie zo schrijft kan niet los zijn van het christelijk geloof. Belijden en beleven dat wie in eerste instantie 'verdoemd' is toch door Christus 'ten tweeden maal geboren' kan worden, is belangrijker dan het lidmaatschap van welke kerkelijke organisatie dan ook. Met deze laatste opmerking relativeer ik een kerkelijke organisatie waar ik zelf middenin sta, om duidelijk te maken dat het lidmaatschap van zo'n organisatie iets wezenlijk anders is dan het lidmaatschap van de éne heilige, algemene Christelijke Kerk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 november 1980
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 november 1980
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's