De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Een proefje van Luthers pastoraat

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een proefje van Luthers pastoraat

Over de uitverkiezing

10 minuten leestijd

Christenmensen, die het moeilijk hebben met de leer der uitverkiezing, zijn er altijd geweest. De vragen en problemen die dit leerstuk der kerk met zich meebrengt, vindt men in elk geval in de tijd van de Reformatie al net zo goed als heden. De zorgelijke vraag: zou ik wel uitverkoren zijn? kwam in de tijd van Luther ook al voor. Ook hij kreeg als pastor met die vraag te maken; ook hij moest er een antwoord op geven.

Heel leerzaam is na te gaan welk antwoord hij er op heeft gegeven. Daar kunnen de zielzorgers, naar het ons toeschijnt, ook heden nog veel van leren.

Dat inzicht drong zich aan ons op toen wij onlangs een brief van Luther tegenkwamen die speciaal op deze kwestie ingaat.

Deze brief dateert van 30 april 1531 en is geschreven aan een zekere Barbara Lisskirchen. Wij weten van haar niet zo heel veel, maar dat is in dit verband niet erg. Wat wij van haar wèl weten is het volgende. Zij woonde in Freiberg. Zij was sinds 1525 gehuwd met Georg Losskirchen, die een vooraanstaande positie innam in het burgerlijke leven te Freiberg.

De familie, waaruit zij voortkwam, was Luther zeer vertrouwd. Haar broer Hieronymus Weller, die aanzienlijk ouder was dan zijn zuster, studeerde te Wittenberg eerst rechten en daarna theologie. Hij was toen al niet zo jong meer. Hij vertoefde in die tijd in het gezin van Luther en gaf onderwijs aan Luthers kinderen, in elk geval aan de kleine Hans. In 1535 promoveerde hij in de theologie, daarna gaf hij theologische colleges te Freiberg, dezelfde stad waar zijn zuster en zijn zwager woonden.

Zowel Hieronymus als zijn zuster schijnen tot zwaarmoedigheid geneigd te zijn geweest. In elk geval, zijn zuster leed onder wat men praedestinatieangst pleegt te noemen.

De brief, die Luther haar in dit verband schreef, nemen wij in z'n geheel op, dat wil zeggen in vertaling (voor de originele tekst zie men Luther Deutsch, Band 10, Stuttgart 1959). Hij luidt als volgt:

'Uw geliefde broeder, Hieronymus Weller, heeft mij meegedeeld dat ge zeer te lijden hebt onder de aanvechting van Gods eeuwige voorbestemming. Dat doet mij leed. Christus, onze Heere, moge u ervan verlossen. Amen.

Ik ken deze ziekte zelf heel goed; ik heb er onder geleden tot op de rand van de eeuwige dood. Nu wil ik, behalve voor u te bidden, u ook raadgeven en troosten. Brieven zijn daar minder geschikt voor, toch wil ik doen wat ik kan, en moge Gods genade daarin met mij zijn. Ik wil u ook laten zien, hoe God mij ervan verlost heeft en op welke wijze ik nog dagelijks mij tegen deze aanvechting verweer.

Ten eerste moet ge uzelf goed inprenten, dat zulke gedachten gewis influisteringen en vurige pijlen van de duivel zijn. De Schrift zelf zegt ons dat. Het staat zonder meer vast dat iets dergelijks niet van God komt maar van de duivel. Hij is het die het hart daarmee plaagt, opdat de mens God zal haten en zal gaan vertwijfelen, hetgeen God hem echter in het eerste gebod nadrukkelijk verboden heeft, want Hij wil, dat wij Hem vertrouwen. Hem liefhebben en Hem prijzen.

Ten tweede: wanneer zulke gedachten u overvallen, moet ge leren uzelf af te vragen: In welk gebod Gods staat het, dat ik hieraan denken of zo handelen moet? En blijkt er dan niet zulk een gebod te vinden, dan moet u zeggen: En nu weg, akelige duivel! ge wilt mij ertoe verleiden dat ik zelf zal zorgen, maar God zegt overal, dat ik Hém voor mij moet laten zorgen. Hij zegt: Ik ben uw God; en dat wil zeggen: Ik zorg voor u, houd het daarvoor, en wacht op wat Ik u beveel en laat Mij zorgen. Zie 1 Petrus 5, 7 'Werpt al uw bekommernis op Hem, want Hij zorgt voor u'; en Psalm 55, 23 'Werp uw zorg op de Heere, en Hij zal u onderhouden'.

Ten derde: wanneer ge ook dan die gedachten nog niet kunt kwijtraken (want de duivel laat niet zo graag ons los), dan moet u van uw kant evenmin loslaten en steeds weer uw hart ervan afwenden en zeggen: Hoor je niet, duivel, dat ik zulke gedachten niet hebben wil? God heeft ze verboden, verdwijn uit mijn ogen; ik moet heden aan zijn geboden denken, en intussen laat ik Hemzelf voor mij zorgen. Als hij het dan allemaal zo goed weet, ga dan naar de hemel en ga met God disputeren, die zal je wel van repliek dienen! Zo moet ge steeds weer de duivel de laan uit sturen, en uw hart wenden tot de geboden Gods.

Ten vierde: onder al de geboden Gods is dit het hoogste, dat wij ons zijn lieve Zoon, onze Heere Jezus Christus, voor ogen stellen; die moet voor ons hart onze dagelijkse en allervoornaamste spiegel zijn, waarin wij zien hoe lief God ons heeft, en hoezeer Hij als een goede God voor ons gezorgd heeft, dat Hij zelfs zijn lieve Zoon voor ons gegeven heeft. Hier, zeg ik, hier leert men de ware kunst van de verzoening (met God) en nergens anders! Daar moet ge zijn om in Christus te geloven. Gelooft ge, dan zijt ge geroepen, en zijt ge geroepen, dan zijt ge ook gewis uitverkoren. Laat u deze spiegel en troon der genade niet ontnemen, zodat de ogen van uw hart haar niet meer zien. Komen er boze gedachten in u, en bijten zij u als vurige slangen, let dan niet op die gedachten en, let dan niet op die slangen, maar wend uw ogen er van af en aanschouw de koperen slang, dat wil zeggen: de Christus die voor u gegeven is - , en dan zal, naar Gods wil, hét beter met u worden.

Maar er moet, zoals gezegd is, gestreden worden. Steeds wanneer u zulke boze gedachten invallen moet u ze ook weer laten wegvallen. Dan moet u doen als iemand die per ongeluk mest in de mond krijgt en het dan fluks uitspuwt. Zo heeft God mij geholpen. Want het is een ernstig gebod Gods, dat wij ons de Zoon voor ogen stellen, in wie Hij ons rijkelijk geopenbaard heeft dat Hij onze God is (zoals het eerste gebod van de Wet leert), die ons helpt en die voor ons zorgt. Daarom duldt God niet dat wij onszelf helpen of voor onszelf zorgen. Want dat betekent God verloochenen, en ook het eerste gebod en Christus. De duivel, die ellendeling, die God en Christus vijandig gezind is, wil ons, tegen het eerste gebod in, verleiden tot het steunen op onszelf inplaats van op Christus en God, zodat wij God zijn ambt (hetwelk is: voor ons zorgen en onze God zijn) uit handen nemen, net zoals hij Adam in het paradijs ook tot een God maken wilde, zodat Adam zichzelf tot een God zou zijn en zelf voor zich zou zorgen en derhalve God zou beroven van zijn eigen werk, met als gevolg dat Adam diep gevallen is.

Zie dat is de raad die ik u voor dit keer geven wil. En ik heb uw broer, Hieronymus Weller, dringend verzocht, dat hij met vlijt u waarschuwt en vermaant, dat ge moet ophouden met zulke boze gedachten te koesteren, en dat u ze aan de duivel moet teruggeven, laat die ze dan maar uitpluizen; hijzelf weet wel hoe het hem daarmee vergaan is, namelijk dat hij uit de hemel in de afgrond van de hel gevallen is. Kortom: wat ons niet geboden is, dat moet ons ook niet in verwarring brengen en zorgen baren, het komt van de duivel en niet van God. Onze lieve Heere Christus toont u zijn voeten en zijn handen en groet u heel vriendelijk in uw hart, opdat ge Hem alleen voor ogen zult hebben en zijn stem alleen zult horen; totdat ge geheel vrolijk in Hem wordt, Amen'.

Ziehier Luthers brief. Ter nadere toelichting een paar opmerkingen onzerzijds.

1. Luther zelf heeft moeilijkheden in zijn leven gehad met de leer der verkiezing en verwerping, dus de leer der praedestinatie. In zijn kloosterjaren overviel hem de schrik: ik ben niet uitverkoren! Vanuit Augustinus wist hij dat er een eeuwige verkiezing en verwerping is.

Zijn kloosteroverste Van Staupitz heeft hem toen in eerste instantie geholpen. In hoeverre dit een afdoende hulp is geweest, weten wij niet. Deze kestie laten wij hier rusten. Vaststaand feit is dat Luther in zijn later leven de troost vooral gevonden heeft, zoals ook blijkt uit bovenstaande brief, in het zicht op Christus' kruis.

Hiermee is tevens gezegd dat Luther ook nog in zijn later leven de aanvechtingen van de praedestinatie kende. Alleen, hij wist er weerstand aan te bieden. Hij was geoefend in de strijd. En van daaruit was het hem mogelijk om andéren te helpen en te troosten, o.a. Barbara Lisskirchen.

2. Hoe moeilijk Luther het ook had in zijn kloosterjaren met de praedestinatie, hij heeft noch in die eerste jaren noch later de leer der praedestinatie prijsgegeven. Al heel wat universalistisch denkende theologen hebben zich hieraan geërgerd. Sommigen hebben beweerd: later heeft hij de praedestinatie losgelaten. Dat zou dan in elk geval na 1626 hebben moeten zijn, want in dat jaar gaf hij zijn boek tegen Erasmus Over de slaafse wil uit, en juist daarin vinden wij een praedestinatieleer, die in scherpte voor die van Calvijn niet onderdoet.

Evenwel, het is al sinds lang aangetoond, dat Luther ook in zijn later leven aan de leer der praedestinatie heeft vastgehouden; al heeft hij wel in toenemende mate gewaarschuwd tegen het misbruik dat ervan gemaakt kan worden. Ook in de brief aan Barbara Lisskirchen heeft Luther niet de leer der praedestinatie zélf bestreden, doch alleen maar troost geboden in het misbruik dat door de duivel er vaak van gemaakt wordt.

3. Het mag ons niet ontgaan dat door heel deze brief heen de duivel wordt aangewezen als de grote vervalser van het Evangelie. En in dat vervalsen gebruikt hij dan de leer der verkiezing en verwerping. Hij tracht de mens te verleiden tot speculaties. En dat leidt tot ernstige frustraties. De vraag: ben ik wel uitverkoren? kan ons in het labyrint van de duivel doen verdwalen. Zij kan, als zij niet losgelaten wordt, ons zelfs in de hel brengen. Dat ontstellende gevaar is er ook heden nog. Wij kunnen met de rechtzinnige leer der praedestinatie verloren gaan, en wij moeten zelfs zeggen: juist met deze leer. Daarmee is niets ten nadele gezegd ten aanzien van deze leer zelf, want die is tot verheerlijking van God, maar is wel gewezen op het vele misbruik dat er van gemaakt wordt. Alleen maar door gemeenteleden? Of wellicht ook wel hier en daar in de prediking?

4. Luther stelt de verkiezing in het licht van Christus. Hij spreekt over de verkiezing a posteriori (achteraf). Hij begint met de prediking van het evangelie en zegt dan: gelooft dat ge geroepen zijt; en zijt ge geroepen, dan zijt ge ook gewis uitverkoren! Dus: eerst roeping, dan verkiezing. Niet bij God, maar bij ons. Zo blijft de weg tot het geloof vrij. En alleen zo is er een uitweg in de bange vragen van het beproefde hart.

Het doet aan Calvijn denken als Luther spreekt over Christus als de spiegel der verkiezing. In Hem aanschouwen wij de liefde Gods. En daarin is troost. En zo komt er dan ruimte vrij voor de lof der verkiezing.

De listen van de boze zijn al oud. Zij dateren niet van heden. Reeds Luther kende ze. En overwon. Die overwinning verliep niet zonder strijd. De aanvechtingen duren voort. Maar in het Kruis is de overwinning!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 november 1980

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Een proefje van Luthers pastoraat

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 november 1980

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's