‘Kerk en School’ in de Hervormde Synode
De Raad voor de Zaken van Kerk en School bracht op de laatstgehouden vergadering van de generale synode verslag van werkzaamheden uit over de periode 1 juni 1979 tot 1 augustus 1980 en legde de synode ook de beleidsplannen 1980-1981 voor. De vaste commissie van de synode voor onderwijs, catechese en toerusting had naar aanleiding van het verslag opmerkingen en vragen opgesteld en bij voorbaat gezegd, dat het voor een beter verstaan van het werk van de raad wenselijk zou zijn als er jaarlijks contact met de synode zou zijn. Aan dat contact heeft het de laatste jaren bepaald ontbroken. En dat terwijl er hoogst belangrijke zaken aan de orde waren en zijn op het terrein van het onderwijs.
De Raad voor de Zaken van Kerk en School bracht op de laatstgehouden vergadering van de generale synode verslag van werkzaamheden uit over de periode 1 juni 1979 tot 1 augustus 1980 en legde de synode ook de beleidsplannen 1980-1981 voor. De vaste commissie van de synode voor onderwijs, catechese en toerusting had naar aanleiding van het verslag opmerkingen en vragen opgesteld en bij voorbaat gezegd, dat het voor een beter verstaan van het werk van de raad wenselijk zou zijn als er jaarlijks contact met de synode zou zijn. Aan dat contact heeft het de laatste jaren bepaald ontbroken. En dat terwijl er hoogst belangrijke zaken aan de orde waren en zijn op het terrein van het onderwijs. De Raad voor de Zaken van Kerk en School publiceerde b.v. een nota, getiteld 'De gegeven broeder' , waarin het gaat over de 'verenigbaarheid van het lidmaatschap van de CPN en de dienst aan het christelijk onderwijs'. Met andere woorden: kan iemand, die lid is van de Communistische Partij Nederland, ook in dienst zijn bij het christelijk onderwijs? Prof. dr. J. Verkuyl, hoogleraar aan de Vrije Universiteit, beantwoordde deze vraag ontkennend. Christendom en communisme zijn onverenigbaar! De Raad voor de Zaken van Kerk en School komt tot een andere slotsom: weren van een onderwijskracht, die lid is van de CPN, 'is een vorm van tucht, die naar onze vorm niet uitgeoefend mag worden'. Dan wordt namelijk de indruk gewekt, 'dat impliciet een negatieve uitspraak gedaan wordt over zijn christen-zijn'. We hebben over deze nota al eerder uitgebreid geschreven (zie het nummer van 27 maart 1980).
Verder heeft recent een interview in Hervormd Nederland met de heer B. Budding, waarnemend secretaris van de Raad, veel stof doen opwaaien. De heer Budding rekende in dat artikel in feite af met de gedachte, dat het bij het christelijk onderwijs ook gaat om overdracht van geloofswaarden op de kinderen. 'De school mag het kind geen christelijke beginselen bijbrengen.' Men zie hiervoor de Persschouw in het nummer van ons blad van 30 okt. 11.
Ontmoeting
Niet zonder reden was uitgezien naar een ontmoeting tussen de Raad voor de Zaken van Kerk en School en de synode naar aanleiding van het genoemde jaarverslag en de beleidsnotities. Het werd overigens een merkwaardige ontmoeting. Na toelichting door de Raad van bepaalde zaken naar aanleiding van vragen van de vaste synodale commissie en naar aanleiding van een toegevoegde brief van oud. J. van der Brugge (Kampen), resteerden nog twintig (!) minuten voor reactie van de synode (méér dan twintig sprekers meldden zich). Het voorstel van oud. J. Haeck (Hoevelaken) om dan maar een ander agendapunt te laten vervallen, om ruimschoots aandacht te kunnen geven aan het beleid van de Raad was kennelijk niet haalbaar. Nu wordt er - op voorstel van het moderamen - een volgende synodezitting aan gewijd en wel naar aanleiding van een op te stellen notitie over 'dialoog of getuigenis' bij het onderwijs. Intussen mocht het jaarverslag passeren en mag de Raad met zijn beleid verder gaan. Het was, dunkt me, een slecht onderdeel van de synodevergadering. Bij de agendering had er rekening mee gehouden moeten worden, dat zulke hoogstbelangrijke zaken niet op een (halve) voormiddag te behandelen zijn.
We laten hieronder intussen toch volgen wat het meest wezenlijke was van de synodezitting op dit punt.
Vragen
De vaste synodale commissie had naar aanleiding van één van de beleidsnoties van de Raad gevraagd of de sympathie van de Raad niet meer naar het openbaar dan naar het christelijk onderwijs uitgaat.
We noemden hierboven verder een brief van oud. J. van der Brugge (Kampen) naar aanleiding van die beleidsnotities. Omdat daarin de essentiële zaken van het beleid van de Raad ter discussie worden gesteld, volgt hier de brief in zijn geheel (de paginanummers verwijzen uiteraard naar de nota van de Raad):
a. 'Vanzelfsprekend is het de opdracht van de Raad zich te richten op de totaliteit van het onderwijs (p. 22). Toch komt het mij voor, dat de sympathie van de Raad het allermeest uitgaat naar het openbaar onderwijs. Herhaaldelijk wordt immers instemmend gekonstateerd, dat de openbare school een ontmoetingsplaats wil zijn, die de pluriformiteit van onze samenleving weerspiegelt (p. 12); en nooit heeft de openbare school een neutrale staats-of gemeenteschool willen zijn (p. 12). In de vorige eeuw echter werd de Bijbel uit de openbare school gebannen; deze school moest toegankelijk zijn voor kinderen, afkomstig uit verschillende godsdienstige of niet-religieuze milieus. Het onderwijs, dat daar gegeven werd en wordt mag niet gegeven worden vanuit de beloften van het evangelie. Tegenover de nogal waarderende woorden, die in deze nota gebezigd worden over het openbaar onderwijs, staat de vrij kritische benadering van het protestantschristelijk onderwijs. In verband met deze tak van onderwijs (en daarbij inbegrepen het R.K. onderwijs) wordt gesproken over 'de verzuilde struktuur van ons onderwijs' (p. 7). Meent de Raad nu werkelijk, dat de werkers op de christelijke school de sociale en politieke dimensie van de Bijbelse boodschap uit de weg gaan? (p. 7),
b. De stilstand in groei van het rooms-katholiek en protestants-christelijk onderwijs wordt niet alleen en waarschijnlijk niet in de eerste plaats veroorzaakt door de 'ontzuiling'. Het is zeer merkwaardig, dat vooral na de Tweede Wereldoorlog vele ouders, hoewel ze niet kerkelijk gebonden zijn, hun kinderen sturen naar een christelijke school. En daar worden de kinderen, afkomstig uit een grote verscheidenheid van milieus enz. gekonfronteerd met het heil. dat in Christus tot ons gekomen is. Zo mag ook de christelijke school in Bijbelse zin een ontmoetingsplaats zijn.
c. Op p. 22 schrijft de nota: Onze antwoorden zijn bescheidener geworden; geen standpunten, maar diskussienota's verschijnen er, bijdragen tot het spreken met andersdenkenden uit school en kerk. Dat schijnt zo op het eerste gezicht een zeer verstandige instelling te zijn van de leden van de Raad. De waarheid wordt echter niet geboren uit de veelheid van meningen, maar komt binnen ons bereik door het eerbiedig luisteren naar wat Gods Woorden ons te zeggen hebben - vanuit het evangelie zullen we toch als mensen, werkzaam bij het christelijk onderwijs lijnen moeten vinden, die ons de weg kunnen wijzen naar een zinvolle inhoud van dat onderwijs, aldus de brief van de heer Van der Brugge.'
Antwoord van de Raad
'Het leeft niet in de Raad om voorkeur te hebben voor de openbare school', repliceerde - geïrriteerd - mevr. dr. P. van Dalfsen, secretaresse van de Raad. Wél ligt daar ook onze belangstelling vanwege het godsdienstonderwijs. Maar dat komt niet in mindering op de aandacht voor de christelijke school. Daar is echter al de eigen begeleiding, vanuit allerlei diensten. Bij het openbaar onderwijs is dat niet het geval. Het begrip neutraliteit past intussen - aldus mevr. Van Dalfsen - op geen enkele school. Dat begrip vindt men in geen enkele pedagogiek meer. Maar ook begrippen als zending en evangelisatie horen op de school niet thuis. De vraag is wel: hoe komen vragen van godsdienst èn cultuur op de school aan de orde?
Drs. R. H. Wissink, vice-voorzitter van de Raad, ging expliciet op de brief van Van der Brugge in. Hij vertelde van een meisjesmavo, waar drie kwart van de meisjes afkomstig is uit islamitisch milieu, die, fysiek afwerende gebaren maken tegenover de Bijbel ('terecht' aldus Wissink). We zijn op weg naar een multiraciale samenleving (een samenleving van meerdere rassen) en dat vraagt om een transculturele pedagogiek (een opvoedkunde, die de grenzen der culturen doorbreekt). De secularisatie (verwereldlijking) op de christelijke school loopt parallel aan die op de openbare school. Hierop moeten antwoorden geven worden, die niet door de historie zijn bepaald.
De heer Wissink merkte nog op, dat de hervormde positie t.o.v. het onderwijs anders is dan die van de Rooms Katholieken (onderwijs gebonden aan de hiërarchie van de kerk) en van de Gereformeerden (de kerk als organisme delegeert verantwoordelijkheden aan christelijke instituten). Bij de Hervormden ligt het gebied van het onderwijs ingebed tussen apostolaat en belijden. Onderwijskundigen worden door de kerk uitgezonden in het onderwijs, temidden van anderen om 'als irriterenden te zijn, als mensen, die in God geloven en in de door Hem Gezondene'. Ze zijn uitgezonden vanuit de ontmoeting met Christus.
Nachtkaars
Tot een echte discussie kwam het niet. Het werd een monoloog van de Raad, waarna enkele synodeleden nog even na mochten sputteren in een te korte spreektijd.
Oud. J. Haeck (Hoevelaken), inhakend op wat de heer Budding in Hervormd Nederland te berde had gebracht en op wat de nota 'De gegeven broeder' stelde: 'komt de exclusiviteit van het belijden binnen de raad niet in het gedrang? De noodzaak om het kind geestelijk te wapenen ontbreekt.'
Mevr. A. Mulder (Hoorn): De Raad doet alsof er geen twee typen scholen (openbaar en christelijk) meer behoeven te zijn, als er op alle scholen maar hetzelfde godsdienstonderwijs wordt gegeven. Op de christelijke school gaat het echter om geloofsoverdracht. 'Doe je dat niet dan ben je ontrouw aan je roeping' (mevrouw Mulder was zelf bij het christelijk onderwijs werkzaam). Het gaat ook niet alléén om het godsdienstonderwijs. Het gaat om de benadering van het kind als schepsel Gods. Op dit laatste kwam nog een vaag antwoord van mevr. drs. P. van Dalfsen, secretaresse van de Raad. Het gaat er niet om 'dat alle schaapjes grauw zijn'. Geloofsopvoeding komt op de school niet eens zo ter sprake, al is er natuurlijk 'beïnvloeding vanuit je geloof'.
Daarna ging de discussie als een nachtkaars uit. Oud. J. van der Brugge mocht nog zeggen, dat hij de reactie van de Raad op zijn brief goedkoop vond. 'U houdt - zo zei hij - geen rekening met modaliteiten in de kerk. U wilt met ieder in dialoog zijn maar u bent niet in dialoog met de rechterflank van de kerk, die van harte het christelijk onderwijs draagt.'
Uitgesteld
De zaak komt dus op de volgende synode terug. Hopelijk zal dan de discussie écht gaan om wat b.v. in de nota over 'De gegeven broeder' aan de orde komt en om wat het beleid is inzake ook het christelijk onderwijs. Dat de Raad aandacht móét en dan ook van harte mag hebben voor de Openbare School vanwege het godsdienstonderwijs is buiten kijf. Maar de onderste steen moet boven komen als het gaat om de vraag hoe de Raad staat tegenover het christelijk onderwijs, ook als het gaat om die sector van het christelijk onderwijs, waar enerzijds de secularisatie, o.a. door de schoolbevolking, ver is doorgedrongen en anderzijds wordt geworsteld om het gestalte geven aan het christelijk getuigenis vanuit het Woord, in woord en daad. Zullen mensen bij het christelijk onderwijs op moeilijke posten, ook in de besturen, zich in de toekomst geruggesteund weten door de Raad of in de kou gelaten? Worden wolven in de schaapskooi als 'gegeven broeders' opgedrongen of worden zij door de Raad mee geweerd? En mag vanuit een Raad van de kerk .worden gezegd dat op de christelijke school 'terecht' afwerende gebaren t.o.v. de Bijbel worden gemaakt door anders denkenden?
De volgende synodevergadering zal ons veel (moeten) leren.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 november 1980
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 november 1980
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's