De dienaar des Woords als een man des gebeds (3)
Laat ik eerst mogen zeggen, dat ik het bedroevend vind, wanneer een pastor er een pastoraat op nahoudt, waarin hij slechts bij uitzondering met zijn gemeenteleden bidt. 'Seelsorge ist Beten', zegt Thurneysen.
(Pastorale kanttekeningen bij het herdersambt)
Na een tweetal artikelen over het persoonlijk en ambtelijk gebed (kanselgebeden) van de dienaar des Woords, volgen nu nog een aantal opmerkingen over het gebed, dat we bij uitstek het pastorale gebed zouden kunnen noemen. Ik beperk mij dan vooral tot de gebeden, die wij ambtelijk doen, wanneer wij een ontmoeting hebben met één of meerdere van onze gemeenteleden, thuis, in de ziekenhuizen of waar dan ook.
Een kleine ontmoeting, die overgaat in de grote
(Het pastorale gebed)
Laat ik eerst mogen zeggen, dat ik het bedroevend vind, wanneer een pastor er een pastoraat op nahoudt, waarin hij slechts bij uitzondering met zijn gemeenteleden bidt. 'Seelsorge ist Beten', zegt Thurneysen. Nog afgedacht van het feit, dat vele mensen het gewoon een teleurstelling vinden, als de pastor bij hen de deur uitgaat zonder gevraagd te hebben, of hij met hen mocht bidden, zou ik willen zeggen, dat pastoraat pas pastoraat kan heten, d.w.z. wezenlijke ontmoeting rondom het Woord van God, als deze ontmoeting mag uitlopen op een levensechte ontmoeting met God Zelf. Een goed gesprek kan daar spontaan op uitlopen. Als het pastoraat bestaat uit het leggen van puur menselijke contakten, waarin de pastor fungeert als een maatschappelijk werker, zal ook bij zo'n pastor de behoefte aan een bidden met zijn gemeenteleden gering of nihil zijn. Bidden lijkt trouwens voor sommige dominees weinig meer te zijn dan het zich in de herinnering roepen, een zich inleven van maatschappelijke noden van medemensen, met.de bedoeling om er daadwerkelijk en zo goed en effectief mogelijk op in te gaan. Jezus de grote Zielszorger heeft het anders gedaan. Zeker, ons pastoraat is niet los van de stoffelijke noden van de gemeenteleden. Maar gaat het er ons niet ten diepste om de grootste nood van onze medemensen, die van de zonde, te leren peilen en de boodschap van vrije genade van hart tot hart uit te spreken? Ik weet, dat het bidden van de dominee met de mensen, door die mensen zelf als iets vanzelfsprekends en door de dominee als een stuk routine kan worden ervaren. Ik weet ook, dat het gebed geen opgelegde zaak mag zijn. We moeten samen met de ander kunnen bidden. Als die ander zelf nooit bidt en de pastor slechts uit een zekere beleefdheid toestaat om te bidden, zullen we er goed aian doen om dat eerlijk uit te praten. En dan kan het gebeuren, dat we de konklusie moeten trekken: hier is geen basis voor een gemeenschappelijk gebed. Maar in het algemeen gesproken zou ik willen zeggen, dat het samen bidden met onze gemeenteleden, ook al zijn dat zonen van verloren zonen, vaak een gezegende zaak is. Wij komen daarin vlak naast hen te staan, kunnen hartelijk met hen mee leven en hen laten voelen, dat het ons ernst is om hen te brengen bij de bron van leven en vrede. 'Laat', om met Gilhuis te spreken, 'de kleine ontmoeting overgaan in de grote'.
Een luisterend hart
Ik denk, dat wij in ons pastorale gebed moeten doen als die vier vrienden uit Markus 2, die hun zieke kameraad door het dak heen voor de voeten van Jezus neerlegden. Het pastorale gebed kan de beste vriendendienst zijn, die mensen aan elkaar bewijzen. Het gaat er om, dat we elkaar voor Jezus' voeten neerleggen, elkaar aan Jezus kwijtraken. Daarvoor is nodig, dat we als Salomo een luisterend hart hebben gekregen, een hart, dat open staat voor God en voor de naaste. Voor een recht pastoraal gebed is het nodig, dat we ons hebben leren identificeren met de ander, dat zijn nood tot op zekere hoogte de onze geworden is. Ik denk hier aan wat we lezen van Elisa, die de dode zoon van de weduwe te Sunem meenam naar zijn kamertje. 'En hij klom op en legde zich neder op het kind en leggende zijn mond op zijn mond en zijn ogen op zijn ogen en zijn handen op zijn handen, breidde zich over hem uit' (2 Kon. 4 : 34). Het was alsof Elisa in grote vrijmoedigheid tegen zijn God wilde zeggen: Heere, als U dit kind treft, treft U mij'. En Elisa mocht het kind uit de doden terugbidden. Eén worden met hen, voor wie wij in gebed gaan, dat kan maken, dat ons pastorale gebed een bestormen van de hemel wordt. Welk een zegen gaat er van zo'n gebed uit, vooral als het een gebed is voor iemand, die zelf niet meer bidden kan, voor een 'uitgebluste ziel', een demente bejaarde bv.
Bidden met volmacht
Vergeten we bovendien niet, dat een pastoraal gebed meer is dan een partikulier, vriendschappelijk gebed. Het zij een gebed met volmacht. Christus heeft de Zijnen beloofd, dat zij alles, wat zij de Vader bidden in Zijn Naam, krijgen zullen. En Jakobus legt er in zijn brief grote nadruk op, dat de ouderlingen der gemeente voor een zieke zullen bidden, hem de handen opleggende. Wij maken van dat laatste geen systeem. Toch lijkt het me, dat we vaak te weinig besef hebben van de ambtelijke volmacht, waarmee wij bidden met onze gemeenteleden samen. En dan gaan we niet als een geroutineerde handoplegger door onze gemeente heen, ook niet als een massale gebedsgenezer. Maar als wij in de volmacht des Geestes bidden, dan mag er toch ook een heilig weten zijn, dat God er wat mee doet, naar Zijn welbehagen. En waarom zou dan (ik zeg het met grote voorzichtigheid) de handoplegging bij ons geheel ontbreken? Ook hier kent de wijze zijn tijd en wijze.
John Bunyan heeft eens gezegd: 'O, het is een goed ding voor God op de knieën te liggen met Christus in de armen. Ik hoop daarvan iets te kennen'. Als we het zo ook in onze pastorale bemoeienis mogen doen, doen we het goed, doen we het met diepe ootmoed en met grote vrijmoedigheid tegelijk. Dan staan we in onze pastorale gebeden geen centimeter boven de ander. Als wij hem bestraft hebben om zijn zonden in ons gesprek, behoeven we ons gebed niet meer te misbruiken om dat te doen. Maar we zullen in gezamenlijke verootmoediging voor God worstelen met de mensen om God en met God om de mensen. En laat dan ons pastorale gebed vooral maar uitlopen op een lofprijzing van Gods Naam. Als ons gebed een loflied mag worden, nemen wij onze medemensen op een uitnemende manier mee en leiden hen zachtkens als een herder tot hun levensbestemming. Want dan pas is de mens in zijn element, als hij het mag leren om de ganse dag Gods lof te ontvouwen. Dat is het hart van ons pastoraat. Psalm 145 zingt ervan: 'En overal Uw grootheid openbaren'.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 december 1980
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 december 1980
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's