De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Wat hebben wij onder zending te verstaan? (2)

Bekijk het origineel

Wat hebben wij onder zending te verstaan? (2)

9 minuten leestijd

In direkt verband met Jezus' ontferming over de scharen vindt vervolgens de uitzending van de 12 apostelen (!) plaats (Matth. 10 : lv). Zij worden als eersten gezonden in de oogst, die Jezus verborgen weet onder de scharen. Die oogst is groot! Hij heeft (mede)arbeiders nodig! (Matt. 9 : 37-38). Het is volkomen terecht om niet minder in dit gedeelte van het Mattheüsevangelie de grond voor de zendingsopdracht te zien, als in het bekende 'zendingsbevel' van Matth. 28. Wie tegenwerpt dat het hier toch gaat om de verloren schapen van het huis Israels heeft in zoverre gelijk, dat Jezus zich aanvankelijk inderdaad tot hen beperkt (Matth. 10 : 5). Wanneer Israël echter de Messias afwijst en zich niet bekeert, wordt het gaandeweg duidelijker dat Jezus nog andere schapen heeft niet van deze stal. Deze moet Hij ook leiden en toebrengen. Het zal worden één kudde, één Herder (Joh. 10 : 16). De innerlijke beroering van de Herder over de herderloze schapen is zo diep, dat het Hem er toe brengt Zijn leven voor de schapen prijs te geven (Joh. 10 : 15). Rijker dan in dit plaatsvervangend offer heeft God Zijn barmhartigheid niet kunnen tonen. De deur naar de volken kan nu wijs worden opengeworpen. De Herder heeft immers met Zijn bloed zich een kudde gekocht uit alle windstreken. Hij heeft nu recht op de schapen die Hem door de Vader zijn gegeven. De Opgestane begint dan ook dadelijk met het bijeenbrengen van Zijn verstrooide schapen. Hij neemt hun vrees en ongeloof weg en deelt hun Zijn vrede mee. De nieuwtestamentische gemeente, bestaande uit Joden en heidenen begint zich te vormen, op basis van kruis en opstanding.

Missio Dei

Het is bijzonder opmerkelijk dat de gemeente vanaf het allereerste begin gesteld wordt in de zending van God (Missio Dei). Wanneer Jezus Zijn discipelen op de dag van Zijn opstanding Zijn vrede meedeelt, zendt Hij hen, onder inblazing van de Heilige Geest (preludium op Pinksteren!), uit in de wereld: vrede zij u, gelijk mij de Vader gezonden heeft, zend ik ook u (Joh. 20 : 21).

De Vader zendt de Zoon. De Zoon zendt Zijn discipelen. De treffende analogie tussen het zenden van de Zoon door de Vader en het zenden van de apostelen als representanten van de gemeente door de Zoon mag ons niet ontgaan. Het gaat om de ene beweging van Gods barmhartigheid. Vanuit het hart van de Vader reddend verschenen in de Zoon, de Gezondene (Apostolos) van de Vader, zoekt deze ontferming zich een weg naar het uiterste der aarde, via de gemeente van Christus, die Zelf vrucht is van de goddelijke barmhartigheid. Wat God tevergeefs van Israël heeft verwacht, gaat Hij nu uitvoeren via de christelijke gemeente, het nieuwe volk Gods. De gemeente ontvangt met haar ontstaan direkt een plaats in deze niet rustende beweging die met Pinksteren eerst goed op gang komt en in een geweldige stroomversnelling geraakt.

De zending behoort dus niet tot het welwezen, maar tot het wezen van de kerk. De gemeente van Christus is gezonden gemeente of ze is Zijn gemeente niet. Kan iemand deel hebben aan Christus zonder deel te hebben aan Zijn zending in de wereld? Het is niet teveel gezegd: wie kerk zegt, zegt zending.

Apostolaat

Dit houdt volstrekt niet in, zoals velen beweren, dat de kerk louter functie van het apostolaat zou zijn. Men stelt dan: de kerk is er voor de wereld. Daarom moet zij binnenste buiten worden gekeerd. In deze versmalde apostolaatstheologie wordt zozeer eenzijdig accent gelegd op de zending van de gemeente in de wereld, dat de eigenheid van de gemeente erdoor wordt overschaduwd. Men vergeet dat zij niet alleen als stad op een berg, maar ook - dikwijls - als bruid wordt voorgesteld. Men gaat eraan voorbij dat zij die tot het lichaam van Christus behoren uiterst scherp worden afgegrensd tegenover degenen die buiten staan. Van de heidense wereld wordt gezegd dat zij in duisternis verkeert. Zij leeft zonder God en zonder hoop en is blind en vijandig. Zij is bezig verloren te gaan, op weg naar het verderf. De gemeente (akklesia!) daarentegen is getrokken uit deze tegenwoordige boze wereld binnen de lichtkring van het heil en is door Gods ontferming gered. Het ingaan in het rijk is alleen mogelijk langs de exclusieve weg van wedergeboorte en geloof. Het ontvangen van het heil is verbonden met het toetreden tot de gemeente. Om deze reden is er buiten (de geestelijke realiteit van) de kerk geen heil. Centraal staat dan ook in de zending de vorming en de uitbreiding van gemeenten en het brengen van mensen tot geloof en bekering. In haar leven rond Woord en sacrament mag de gemeente delen in de vergeving van zonden, mag ze de voorsmaak van het Rijk genieten.

Indien dit alles maar niet als doel in zichzelf wordt opgevat. Indien ze zichzelf met alles wat ze ontvangen heeft maar ten dienste zoekt te stellen in de beweging van Gods bamrhartigheid tot de einden der aarde. Daarin immers ligt haar bestaansreden. Zeker, de kerk is er allereerst voor God. Maar juist omdat zij gericht is op de eer van God (gloria Dei) dient zij toegekeerd te zijn naar de wereld, God is het immers. Het is immers Gods lankmoedigheid jegens Zijn wereld, dat Hij niet wil dat enigen verloren gaan, doch dat allen tot bekering komen (2 Petr. 3 : 9). Daardoor worden de wanden van de geschiedenis uiteengehouden. De zin van de interimtijd tussen Pasen en wederkomst ligt daarin, dat Gods ontferming in de gehele wereld onder alle volken bekend moet worden. Via Zijn gemeente. In heel haar zijn dient zij zich ervan bewust te zijn dat zij bestemd is om de ontfermende liefde van Christus te reflecteren overal, waar God haar zendt.

Anderen bewegen

Wat in het Oude Testament ten aanzien van de roeping van Israël geldt, is nu in veel heerlijker zin op de christelijke gemeente van toepassing: naar de mate dat zij zelf leeft uit de volle rijkdom van Gods barmhartigheid die haar in Christus zo overvloedig geschonken is, zal zij anderen bewegen uit deze barmhartigheid te gaan leven. Omgekeerd: waar de christelijke gemeente de verwondering over Gods ontferming in Christus niet meer kent, geraakt ze spoedig op een onvruchtbare wijze afgesloten van de wereld om haar heen. Ze is uitsluitend met zichzelf bezig en verstart. Zij dooft het werk van de Geest, zodat Hij heen gaat. Levensnoodzakelijk voor de gemeente is dus dat zij in de wijnstok blijft.

Hoe meer zij in al haar zwakheid leeft uit Christus, hoe meer zij Hem gelijkvormig wordt, met des te meer vrucht zal zij haar roeping in de wereld vervullen. Anders gezegd: de zending kan niet omschreven worden in termen van moeten en plicht. De gemeente komt niet werkelijk in beweging door een bevel van buiten af. Ze kan alleen van binnenuit door de Geest bewogen worden tot zending. Zending is niet anders dan de konsekwentie van Pinksteren. Hier ligt de voornaamste oorzaak van de vanzelfsprekendheid en de spontaniteit, waarmee de eerste christengemeente het evangelie doorgaf tot in de wijde omgeving, terwijl opmerkelijk genoeg het 'zendingsbevel' van Matth. 28 nergens in het Nieuwe Testament een rol van betekenis speelt als drijfveer tot zending.

We ontdekken de analogie tussen het zenden van de Zoon door de Vader en van het zenden van de gemeente door de Zoon: 'Gelijk de Vader Mij gezonden heeft, alzo zend ik U'. De veelgestelde vraag naar de prioriteiten in de zending is nauwelijks een probleem meer, wanneer we zien op Jezus: gelijk Hij, alzo ook wij! Zoals Jezus' innerlijke ontferming zich concretiseert in een veelheid van gestalten, zo zal ook Zijn gemeente, vanuit diezelfde bewogenheid en door liefde van Christus die in haar woont gedreven, ingaan in de nood van mens en wereld. Zoals Jezus onderwijs geeft, het evangelie predikt, zieken geneest, de voeten van zijn discipelen wast, hongerigen voedt en dorstigen te drinken geeft en in dat alles gekomen is om te dienen, zo is Hij Zijn gemeente ten voorbeeld. Op deze wijze doen wij recht aan de bijbelse breedte van de zending van God en worden wij bewaard voor eenzijdigheden en ijdele discussies over abstracte begrippen. Blijkt de prioriteitenkwestie in de smalle weg van de navolging van Christus vanuit de praktijk van het zendingswerk niet vaak een akademisch schijnprobleem?

Vervreemding van God

Dat neemt niet weg dat de diepste nood van de mens(heid) ligt in zijn schuldige vervreemding van God, waardoor hij zich onder het oordeel heeft gebracht. Doordat de liefde van Christus hem dringt, maar ook omdat Paulus weet heeft van de schrik des Heeren, ziet de apostel het als zijn voornaamste taak 'de mensen te bewegen tot het geloof'. Gods barmhartigheid moet altijd gezien worden in de spanningsvolle verhouding met Zijn laatste toorn. Wie de genade verwerpt, verkiest ten slotte onder de toorn te blijven. Het geeft aan de prediking een geweldige klem en ernst: 'Wij bidden van Christuswege: Laat u met God verzoenen!' (2 Kor. 5). Blijft de bediening van de verzoening daarom niet de eerste, fundamentele taak van de zending?

In Rom. 9-11 denkt Paulus diepgaand na over de toekomst van Israël en over de relatie Israël-christelijke gemeente. Beide zijn ze geroepen om Gods heil te bemiddelen naar de wereld. Hebben beide niet gefaald? Zowel voor Israël als voor de kerk geldt: alle roem is uitgesloten! Het is veelbetekenend dat de apostel zijn nadenken besluit met te zeggen dat Israël en de kerk door eikaars ongehoorzaamheid barmhartigheid verkregen hebben. Hij eindigt: Want God heeft hen allen onder de ongehoorzaamheid besloten, opdat Hij hun allen zou barmhartig zijn (Rom. 11 : 32). Dat brengt hem tot een loflied op Gods rijke verkiezing:

'Want uit Hem, door Hem en tot Hem zijn alle dingen:

Hem zij de heerlijkheid in eeuwigheid! Amen.' (Rom. 11 : 36).

W. van Laar

-----------------------------------------------------------------------------------------------------  In het programma 'Theologische Verkenningen' voor de E.O.-radio hield ds. W. van Laar, secretaris-binnenland van de Gereformeerde Zendings Bond, een drietal lezingen over de zending, met de vragen die daaraan vandaag verbonden zijn. In een aantal afleveringen plaatsen we deze lezingen in ons blad.  Redactie

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 december 1980

De Waarheidsvriend | 18 Pagina's

Wat hebben wij onder zending te verstaan? (2)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 december 1980

De Waarheidsvriend | 18 Pagina's