Drie vragen rondom het Avondmaal (2)
Pastorale overwegingen .
Drie bekende stukken
Wanneer we de passage over de zelfbeproeving nu nader bezien, dan valt het ons stellig op dat met andere woorden toch ons bekende zaken worden voorgehouden. Wie herkent in dit gedeelte niet de bekende drie stukken uit de Heidelberger? Geen wonder, het avondmaalsformulier stamt immers uit het land van Ursinus en Olevianus, opstellers van het schatbóek? En ook in het doopformulier treffen we deze aan, als onze onreinheid en die van onze kinderen wordt aangewezen, vervolgens betuigd wordt de afwassing der zonden en tenslotte opgeroepen wordt tot een nieuwe gehoorzaamheid. We zouden dus kunnen en mogen zeggen, dat, om getroost en gezegend aan de dis des Heeren te kunnen vertoeven, hetzelfde nodig is als om getroost te leven en zalig te sterven. Er is dus in dat opzicht geen extra ervaring nodig. En dat is het wezenlijke van het reformatorisch belijden. Met deze prediking en sacramentsbediening staat of valt de kerk.
Zijn zonde en vervloeking
Zwaar geladen klinken de woorden ons bij het begin van de zo noodzakelijke en heilzame zelfbeproeving tegen: een ieder bedenke bij zichzelf zijn zonde en vervloeking... Is hier, tegenover grote en grove veruitwendiging bij Rome (de biecht en de absolutie) niet de verinnerlijking en verdieping te bespeuren. Men bedenke bij zichzelf... men belijde aan de Heere! En als u wellicht meent, dat zo de domper op de vreugdevolle viering wordt gezet met deze huiveringwekkende woorden, mag ik u dan vragen, of u ooit gehuiverd hebt voor God, en iets doorleefde van Zijn majesteit en uw onwaardigheid? Mozes zag, naar Psalm 90, een geheel volk wegsterven in de woestijn, om de zonde en de Geest legt de woorden hem in het hart en op de lippen 'wie kent de sterkte Uws toorns, naardat Gij te vrezen zijt'? God neemt de zonde hoogst serieus en zouden wij er dan geen ernst mee maken? Het kan zijn, dat de zonde in haar totaliteit voor ons komt staan, op ons valt, de diepte van de val, onze ongehoorzaamheid in Adam, maar vaak ook verootmoedigt de Heere ons door diepe en persoonlijke ontdekking aan een concrete zonde.
De ontdekking door de wet en bij het kruis
Het is hier, dacht ik, ook de plaats om een opmerking te maken over de zonde-ontdekking. Ik dacht niet, dat we mogen zeggen, dat als de Heidelberger leert, dat door de wet de kennis der zonde is, dit een theologische orde is, die niet gedragen wordt door de geloofsbevinding van Gods kinderen. Velen zeggen, dat eerst het kruis van Christus de zonde openbaar maakt. We worden eerst gered, daarna pas zien we waarvan we verlost zijn. Deze mening acht ik onbijbels. We moeten twee dingen goed uit elkaar houden en duidelijk stellen. In de eerste plaats functioneert de wet Gods zonde-ontdekkend in de hand van Christus door de Heilige Geest. Onderwijst Hij profetisch om voor Zijn priesterlijke verzoeningsdienst plaats te maken in het hart van de zondaar, dan is de zonde-ontdekking door de wet een stuk van Zijn onderwijs in de goddelijke raad der verlossing. Niet voor niets betrekt de Heidelberger dan ook de samenvatting van de Zaligmaker, de hoofdsom der wet, in het stuk der ellende. In de tweede plaats maakt het kruis van Christus wel openbaar hoe vreselijk de zonde is. Er was geen andere betaling ervoor mogelijk dan door de dood van de Middelaar. Wijlen ds. Van Sliedregt heeft daarop met grote nadruk gewezen, terecht. Want dwalingen ook op dit punt doen dwalen voor eeuwig. Maar, hebben we ooit gezien hoeveel de zonde ter voldoening aan God en aan Gods Zoon gekost heeft ten bate van schuldige zondaren, wat spruit uit die ontdekking voort te meer een afkeer van de zonde en een heilige haat tegen alles wat van de Heere aftrekt.
Om wanhopig te worden?
Er wordt wel gezegd, dat de gereformeerde prediking, waarin ook het ontdekkend element werkzaam is, de mens regelrecht tot de wanhoop drijft. Nu is er tweeërlei wanhoop. Er is een heilzame wanhoop aan zichzelf. Dat is een goed ding. We zien nog zoveel mogelijkheden bij onszelf aanvankelijk. Wat heeft de Heere er een werk mee om een zondaar af te brengen van zichzelf en van eigen krachtsinspanningen. Maar er is een rampzalige wanhoop, en dat is de wanhoop aan God. Daarvoor bewaart de Heere Zijn kinderen, hoe hoog de nood ook mag gaan. Vanaf het eerste ogenblik, dat de Heere werkt in een mensenhart, legt Hij reeds hoop in het hart op Zich, evenals heilige smart en zalige liefde. Dat wordt bij de algemene overtuiging gemist. Maar in de zaligmakende bearbeiding legt de Heere liefde tot Zich, smart over de zonde en het godsgemis en hope op God door Zijn Woord en Geest in het hart. In de hartelijke vernedering voor God ligt meer zoetheid dan in alles wat de wereld u ooit schonk. Hoe zoet moet het dan zijn als de Heere u van vrede en zaligheid gaat spreken in Zijn Zoon. En ook daarover wordt zo schoon bij de zelfbeproeving gesproken. Maar dat rust weer tot de volgende keer.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 december 1980
De Waarheidsvriend | 18 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 december 1980
De Waarheidsvriend | 18 Pagina's