Grafrede op de gereformeerde zede?
Dezelfde gereformeerde zede die bij de één op sterven na dood wordt geacht, blijkt bij de ander springlevend te zijn. Het is kenmerkend voor de tegenstrijdigheid binnen 'de gereformeerde wereld'
Van de hand van twee ethici uit Kampen verscheen een nieuw boek. Maar al zijn het boeken van vakgenoten, ze komen duidelijk uit verschillende 'kampen'. G. Th. Rothuizen schreef 'Een bezige bij' met de uitdagende ondertiteling 'of de gereformeerde zede bestaat niet meer'. J. Douma liet een nieuw deeltje uit de serie Ethisch Kommentaar het licht zien, 'Verantwoord handelen - inleiding in de christelijke ethiek'. Dezelfde gereformeerde zede die bij de één op sterven na dood wordt geacht, blijkt bij de ander springlevend te zijn. Het is kenmerkend voor de tegenstrijdigheid binnen 'de gereformeerde wereld' - al woont men een paar straten van elkaar af, in overtuiging groeide men mijlenver uit elkaar.
Grafrede
Het is inderdaad een gedurfde stelling die Rothuizen poneert. De gereformeerde zede bestaat niet meer! En dat terwijl zijn eigen, door hem gewaardeerde, leermeester R. Schippers nog in 1955 de tweede druk deed verschijnen van diens werk 'De gereformeerde zede'. Zo kan er in 25 jaar tijds heel wat gebeuren. En wie zou het Rothuizen niet moeten nageven dat er inderdaad heel wat gebeurd is. Met name op het vlak van de moraal en van de zede, daar waar het gaat om de keuze tussen en de beoordeling van goed en kwaad, zijn de bordjes niet weinig verhangen en de bakens hele einden verzet. Eerlijk gezegd viel het boek van Rothuizen mij bij het lezen in eerste instantie erg mee. Het blijkt immers dat hij zich vooral wil richten op de prestatiemoraal, op de demonie van de vlijt, die typerend zou zijn voor de gereformeerde zede. Kritisch, maar niet afwijzend worden de opvattingen van Weber en Troeltsch besproken, waarin bepaalde verbindingslijnen werden getrokken tussen calvinisme en de geest van het kapitalisme. Okke Jager heeft eens geschreven: 'Een mens kan sterven aan een hartinfarct wegens calvinisme. Het zalig worden door goede werken is omgezet in zalig worden door vergaderingen' en 'Martha had blijkbaar het betere deel gekozen. De Bezige Bij is op het eerste horen een calvinistische uitgeverij.' De voorzichtige slotsom van Rothuizen is dat het calvinisme de eeuwen door is opgevallen door trekken van tucht en discipline, het had nu eenmaal meer verstand van vlijt dan van vertier. Deze karakteristieken zijn aan het verdwijnen. De huidige calvinist gelooft niet meer dat arbeid adelt. Hij neemt afstand van de 'energieneurose' van de vaderen.
Ik schreef: Rothuizen viel mij mee. Een kritische doorlichting van juist dit aspekt van de gereformeerde traditie, lijkt me heel gezond. Laatst hoorde ik bij de bevestiging van een jonge dienaar des Woords in zijn eerste gemeente hoe hem door de bevestiger werd toegevoegd dat hij nu in dienst stond van de Deus Actiosus, dat is de altijd en overvloedige werkzame God. Dat is mooi, vooral wanneer we zien dat de gereformeerde vaderen zich in dit spreken van de Deus Actiosus zich wilden afgrenzen tegen de opvatting van een Deus Otiosus, een God in ruste, die zich in een 'zalig niets doen' zou hebben teruggetrokken en zich met de wereld niet meer bemoeit. Maar het wordt nog mooier wanneer we ons realiseren dat deze Deus Actiosus de HEERE van de sabbat is, die Zelf ook van Zijn werken gerust heeft - en dat daarmee een principiële grens is gesteld aan al onze bedrijvigheid. De God met Wie wij te doen hebben wil dat we werken zolang het dag is, maar niet dat we ons overwerken. Heilig zweten mag worden afgewisseld door heilig luieren. De luie dienstknecht en de overspannen dienstknecht zijn blijkbaar beide het bijbelse spoor bijster.
Maar ik las verder en toen viel Rothuizen mij helemaal niet meer mee. Hij constateert diep gaande veranderingen in de zede der calvinisten over de gehele linie. Twee voorbeelden: de geslachtsgemeenschap vóór het huwelijk wordt ook onder gereformeerden vrij algemeen aanvaard. De reden zou wel eens kunnen liggen in 'de pil'. Door dit anticonceptivum kan men de coïtus vóór het huwelijk niet langer onverantwoordelijkheid voor de voeten werpen. Een nieuwe techniek leidde tot een nieuwe zede. Punt uit. Iets heel anders: de VU heeft niet meer 'geestverwantschap' numero één staan in haar beleid, maar de derde wereld, het antipapisme van de vorige eeuw en de angst voor 'ongelovige universiteiten' is grotendeels verdwenen. Zo constateert Rothuizen. En dan houdt hij zijn grafrede. Het had natuurlijk iets moois, dat verleden. Maar het heeft afgedaan. Het kan worden bijgezet in een sobere grafkelder. Het geloof is veranderd en daarmee ook de zede. De toekomst is nu aan een nieuwe, christelijke zede, voortgekomen uit wereldwijde oecumenische kontakten en een eigentijds verstaan van de Schrift. Zo wordt het gereformeerde 'opgeheven' in het algemeen christelijke en dit algemeen christelijke staat ook weer niet antithetisch tegenover een goede, menselijke zede in het algemeen, al zal zij van tijd tot tijd (de auteur spreekt zelf van incidenteel) haar eigen karakter blijven dragen.
Suggestief
Er gaat een grote suggestieve kracht uit van dit betoog. De suggestie van: wat oud is, is verouderd en, nabij de verdwijning. Maar Rothuizen weet toch wel dat er nog een Broederweg is in Kampen, niet eens zó ver van Oudestraat en Koornmarkt! Jawel - en hij weet nog meer. Enkele citaten mogen dat bewijzen: 'Natuurlijk zal men hier en daar de gereformeerde zede nog aantreffen 'alsof er niets gebeurd is', met alle monterheid en precisie vandien. Calvinisme en plichtsbetrachting, mannetjesputterij, schoolmeesterschap en reinigingsdienst, het komt hier en daar nog wel degelijk voor en dat waarlijk niet alleen in Urk, het Gereformeerd Politiek Verbond, het Reformatorisch Dagblad of de Evangelische Omroep... Maar iets, dat hier en daar nog voorkomt is geen zede meer, al hoeft het nog lang geen folklore geworden te zijn. Het is een opgebroken zede, en met de vanzelfsprekendheid, de zede van oudsher eigen, is het kennelijk gedaan' (blz. 63) 'En zo zijn er ook onbuigzamen van 'rechts' voor wie de profetenrol of - naam te veel eer zou zijn, maar die wij alleen tot onze schade ongelezen kunnen laten. Ook als we ons - om allerlei christelijke en zedelijke redenen - genoopt voelen hun schrifturen met reserve te benaderen: de onvervalstheid van hun calvinisme houdt recht op ons respect en dan bedoel ik daarmee meer dan de bijzetting in het antiquiteitenkastje in de hoek' (blz. 89). Rothuizen blijkt hier met name J. van Bruggen, J. Douma en W. H. Velema te bedoelen, maar spreekt in dit verband de beschuldiging uit dat zij er een te autoritair godsbeeld op na houden. Hier ligt dan met alle respekt een grondfout in het betoog van de hooggeleerde auteur. Met al te groot gemak schuift hij de hedendaagse vertegenwoordigers van de gereformeerde zede én ethiek aan de kant als mensen die hun eigen tijd overleefd hebben en daarom de boot missen. Hier wreekt zich het tweeslachtige in de opzet van zijn boek. Of hij had zich moeten bepalen tot een wetenschappelijk verantwoorde verhandeling over de these van Weber-Troe Itsch. Of bij een beoordeling van de gereformeerde zede in heel de breedheid van haar terrein ook even breed moeten argumenteren. Getallen en percentages zijn immers niet beslissend. De gereformeerde zede kan ook in kleinere kring taai voortleven. De gereformeerde zede bestaat nog steeds, alleen hebben velen zich van haar afgekeerd, zoals zij zich van het gereformeerde belijden hebben afgewend. En dat om terug te vallen in een nieuwe vrijzinnigheid en wereldgelijkvormigheid. Rothuizen had er goed aan gedaan hier diepgaand te analyseren en vervolgens op te roepen tot een terugkeer tot de gereformeerde zede, zij het in eigentijdse uitwerking.
Levensteken
De gereformeerde zegen is geen fossiel en geen mummie. Zij is een levende zaak. Dat blijkt opnieuw uit een publicatie van J. Douma, waarin deze een omwerking en aanvulling geeft van het in 1975 in offset-druk verschenen dictaat 'Inleiding in de christelijke ethiek', dat inmiddels reeds in breder kring bekendheid genoot. Dit boek geeft allereerst een algemene inleiding in de ethiek, waarbij op heldere wijze een aantal begrippen en onderscheidingen worden toegelicht. Douma's definitie van ethiek luidt: 'Ethiek is de bezinning op het verantwoord handelen van de mens jegens God en zijn naaste.' Daarmee is de principiële keuze gemaakt voor een christelijke ethiek, waarbij de decaloog met zijn beide tafels een cardinale plaats ontvangt. Dat zal dan ook mijns inziens elke christelijke ethiek moeten typeren. Van groot belang is hoofdstuk 4 'Het gebruik van de Heilige Schrift'. Douma handhaaft dat de norm voor het christelijk handelen te vinden is in de Schrift - een stelling die thans zeer aangevochten wordt. Hij gaat daarbij echter de moeilijkheden die zich voordoen niet uit de weg en bakent zijn positie duidelijk af tegenover een naïef biblicisme. Het biblicisme rukt de teksten uit hun verband. De gebondenheid aan de Schrift sluit niet uit het geleid worden door de Geest om zo tot de juiste toepassing van het Woord in onze situatie te komen. Ik hoop dat de schrijver nog eens een bredere uitwerking geeft van zijn visie op het Schriftberoep in de ethiek. Van harte beveel ik dit boek aan ter bestudering iq brede kring. Het is geen grafrede op, maar wel terdege een levensteken van de gereformeerde zede en van de gereformeerde ethiek als wetenschappelijke bezinning daarop.
B. Th. Rothuizen, Een bezige bij - of de gereformeerde zede bestaat niet meer, uitg. J. H. Kok-Kampen, 186 blz., ƒ 25, - .
J. Douma, Verantwoord handelen, inleiding in de christelijke ethiek, uitg. Ton Bolland-Amsterdam, 151 blz., ƒ 19, 50 (Ethisch Kommentaar 7).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 december 1980
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 december 1980
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's