De volheid des tijds
De tijd was er rijp voor, willen zij zeggen. De tijd was rijp voor Christus' komst; en de tijd was rijp ook voor de start van de christelijke kerk in deze wereld.
Kerkgeschiedenis
De meeste handboeken van de kerkgeschiedenis beginnen met een hoofdstuk waarin min of meer breedvoerig wordt gesproken over de 'volheid des tijds'.
De tijd was er rijp voor, willen zij zeggen. De tijd was rijp voor Christus' komst; en de tijd was rijp ook voor de start van de christelijke kerk in deze wereld.
Christus zou dus geboren zijn op een heel geschikt moment. Toen alles er als het ware voor klaar was. Toen er een keizer regeerde te Rome, te weten Augustus, die na langdurige oorlogen in het verleden, eenheid en vrede bracht. Toen er allerwege één taal werd gesproken en verstaan, te weten het eenvoudige Grieks. Toen er goede wegen waren waarlangs straks de apostelen zouden gaan om het Evangelie te brengen aan ettelijke volken in ettelijke landen. Toen er zelfs een algemeen uitzien was naar een Wereldheiland, een verlangen waaraan de Latijnse dichter Virgilius uitdrukking had gegeven.
De term 'volheid des tijds' is een bijbelse. Men komt haar tegen in Paulus' brief aan de Galaten (hoofdstuk 4 : 4). Wij lezen daar: 'Maar wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God, zijn Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet'. Reeds een oppervlakkige lezing van deze tekstwoorden en van het verband waarin zij voorkomen, kan ons leren dat Paulus hier toch niet het oog heeft op al die dingen die wij zojuist genoemd hebben, nl. de gunstige omstandigheden waaronder de kerk in deze wereld haar geschiedenis kon aanvangen.
Theologische uitdrukking
Paulus heeft heel wat anders op het oog. De term 'volheid des tijds' is meer een theologische dan een historische.
En toch: het een behoeft het ander niet uit te sluiten. Het is zeker niet buiten Gods voorzienigheid omgegaan, dat de Heere Jezus Christus geboren is tijdens het bewind van keizer Augustus, en niet tijdens de regering van een andere Romeinse keizer. Het is niet buiten Gods raad omgegaan, dat er in die tijd inderdaad goede wegen bestonden waarlangs de boodschappers van het Grote Nieuws zich gemakkelijk konden begeven van de ene plaats naar de andere; en dat er in die tijd vrede was, zodat de apostelen op hun zendingsreizen niet gehinderd werden door oorlogsomstandigheden; en dat er één taal werd gesproken en verstaan, zodat diezelfde apostelen geen last hebben gehad van een taalbarrière. Wij cijferen dat alles waarlijk niet weg. En het is goed dat daar aandacht voor gevraagd wordt. Ergens heeft het wel wat te maken met wat Paulus noemt de 'volheid des tijds', al is het niet de eerste en eigenlijke bedoeling van deze bijbelse uitdrukking.
Wat heeft Paulus dan wél bedoeld? Paulus heeft in het voorafgaande Schriftgedeelte gesproken over de Wet en met name het doel van de Wet. En, zoals zo vaak bij Paulus voorkomt, hij schuift het persoonlijke en het heilshistorische in elkaar. De Wet noemt hij een 'tuchtmeester' tot Christus. Is zij dat alleen maar in het persoonlijke christenleven? Neen, ook in het handelen van God met heel zijn kerk. Eens was er een tijd dat heel Gods kerk onder deze tuchtmeester leefde. Dat was in de tijd die voorafging aan de komst van de Heere Jezus Christus in het vlees.
Tuchtmeester
Het leven onder deze tuchtmeester had zware schaduwzijden. Weliswaar betekent het woord 'tuchtmeester' opvoeder (paedagoog), een woord dat wat vriendelijker klinkt; maar een opvoeder kan - althans naar oud-oosters besef - ruim gebruik maken van de 'tucht' en die was bepaald niet vriendelijk.
Er was onder het Oude Verbond een dienstbaarheid der Wet waar wij, die mogen leven in de tijd van het Nieuwe Verbond, niet gering over moeten denken. De Wet hield de gelovigen 'gevangen', in de 'slavernij'. Paulus zelf zegt dat. Eer het geloof kwam, staat er in Galaten 3 : 23 waren wij 'onder de wet in bewaring gesteld'.
Het is tegen deze achtergrond dat wij moeten lezen de woorden, dat God zijn Zoon heeft uitgezonden in de 'volheid des tijds'.
De Wet heeft een betekenis gehad tot op Christus. Christus was het einde der Wet. Er is een tijd gekomen dat de maat van de Wet 'vol' was. Dat God het genoeg vond. Dat de opvoeder (tuchtmeester) moest plaats maken voor de Zoon zelf. De Wet die niet zelf rechtvaardigen kan, moest plaatsmaken voor Hem die dat wél kan, de Heere Jezus Christus.
Bij 'volheid des tijds' moeten wij niet denken aan een innerlijk rijpingsproces, maar veeleer aan een beslissing Gods. Hij achtte de tijd gekomen. Hij vond dat de Wet haar werk voldoende gedaan had, en toen zond Hij zijn Zoon.
Geen autonoom proces
Onze visie op de geschiedenis is niet die van een autonoom proces, maar die van een leiding en ingrijpen Gods.
De geschiedenis heeft zeker haar eigen wetten, zoals ook de natuur. Maar God staat er boven. Alles is in zijn hand.
Jezus Christus is niet het produkt van Israels geestelijke en historische ontwikkeling. Hij is de Gezondene des Vaders.
Hij is uit het zaad van Abraham, maar met nog meer nadruk zullen wij moeten zeggen: Hij was uit God.
Op de achtergrond van wat Paulus hier schrijft over de volheid des tijds, staat Gods eeuwige raad en welbehagen. Ook in dat opzicht was de tijd vol, dat gekomen was de tijd die God zelf in zijn eeuwige raad en welbehagen had bepaald en vastgelegd. In die dagen, die van Augustus, móest de Christus worden geboren. Het kon niet eerder en het kon niet later. In het woord 'volheid' zit 'vervulling': vervuld was de tijd Gods, vervuld werd zijn Raad.
En dat toen ook de omstandigheden gunstig waren is daar niet van uitgesloten maar bij inbegrepen. Al zal men wel moeten bedenken, dat dit maar ten dele geldt. Dat Herodes regeerde was bepaald niet gunstig; en dat is dan nog maar één ding. Maar het is waar: er was vrede, er was één taal, er waren goede wegen, er waren allerlei mogelijkheden.
Onder de wet
Nog één ding: in dezelfde tekst zegt Paulus: geworden uit een vrouw, geworden onder de wet. Onder diezelfde Wet die als een tuchtmeester had geregeerd over het oude volk Gods, begaf zich Gods Zoon toen Hij geboren werd. Later zal Hij zich door Johannes laten dopen met als motief: Het betaamt Mij alle gerechtigheid (der Wet) te vervullen. En al als klein kind was Hij besneden en handelde zijn ouders met Hem naar de Wet.
Hij is niet geboren buiten de Wet, maar onder de Wet. Het wonder van Christus' geboorte kan men onder woorden brengen door te zeggen dat Hij mens is geworden, maar men kan het, in de trant van Paulus, wellicht nog beter uitdrukken door te zeggen dat Hij geboren is onder de Wet.
Want met dat 'onder de Wet' is aangegeven de zeer deplorabele toestand waarin wij ons bevonden. Onder de Wet, dat kan niet anders betekenen dan: vervloekt. In de gevangenis van de zonde, van de dood en de toorn Gods. Daarmee is natuurlijk niet ontkend dat de gelovigen onder het Oude Verbond zalig zijn geworden. Maar dat was dan ook alleen dank zij Hem, die er nog niet was, maar wel komen zou. De kracht van Christus' kruis straalde al eeuwen uit, voor het stond op Golgotha. Net zoals die kracht ook heden nog uitstraalt, hoewel ons eeuwen van Golgotha scheiden. De gelovigen onder het Oude Verbond zijn dus behouden; daar behoeven wij niet aan te twijfelen. En toch moet ook van hen gezegd worden, dat zij nog in de gevangenis zaten. Paulus zegt dat zelf, want hij gebruikt het woordje 'ons' en 'wij', want hij zegt: 'Want als het geloof gekomen is, zo zijn wij niet meer onder de tuchtmeester'. Wij - gelovigen - waren dat eerst wel, maar nu niet meer.
Bevrijding
Welk een geweldige bevrijding heeft dan de komst van de Heere Jezus Christus gebracht. Door zelf zich te stellen onder de Wet, heeft Hij hen die onder de Wet waren verlost (4 : 5). Van binnenuit heeft Hij de macht en kracht der Wet gebroken. Door zelfde gevangenis in te gaan, kon Hij van binnenuit de deur forceren en openbreken en zijn kerk in de vrijheid stellen.
In de kribbe te Bethlehem lag een Geweldenaar. Onze Koning. Luther noemde Hem meermalen onze Hertog.
Het Evangelie van Christus' komst betekent: vrijheid. Niet meer onder de doem der Wet. De paedagoog is terzijde gesteld, wij leven ónder het gezegende bewind van de Zoon zelf. De Wet behoeft voor de christen niet meer te betekenen wat zij eens betekende voor het volk Israël. Jammer dat het Joodse volk het tot op de dag vandaag nog bij de Wet houdt, de tuchtmeester niet loslaat.
De Wet is niet geheel uitgediend, maar haar dienst is een andere geworden. Zij staat niet voor maar ónder de Heere Jezus Christus. Zij staat in zijn dienst, geheel en al. Het is uit met haar rijk, want zijn Rijk is gekomen. In de hand van Christus slaat de Wet ons wel neer, maar het is in Zijn hand; en het is alleen maar om ons op te richten in Hem.
Laten wij het Kind in de kribbe eens zien met de ogen van Paulus. Dan vinden wij in Hem vrijheid. En wat hebben wij harder nodig dan vrijheid? Alleen bevrijden kunnen zingen. Voor hen is de Kerstvreugde.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 december 1980
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 december 1980
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's