De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

13 minuten leestijd

Als mensen de kerk de rug toekeren

In het Centraal Weekblad van 10 december gaat dr. B. Rietveld in op een onlangs verschenen sociologische studie over de terugloop in ledental van de kerken. In deze studie komen de bekende verwijten aan het adres van de kerk naar voren, met name dat de kerk niet op de eigenlijke, vragen van de mensen ingaat. De kerk wordt naar de rand verdrongen en heeft in staat en maatschappij haar invloed verloren. De schrijvers van genoemde studie pleiten voor een herorganisatie waarbij de kleine kring aandacht krijgt, de afstand tussenambt en gemeenteleden verkleind wordt en de kerk tussen ambt ingaat op de eigenlijke en echte vragen van de mensen. Rietveld wil de waarde van een dergelijk onderzoek niet ontkennen, maar vreest toch dat de klant koning wordt. Hij schrijft o.m.

'Het lijkt me een vraag van belang welke plaats aan zo'n sociologisch onderzoek moet worden gegeven. Het is ongetwijfeld interessant. Maar wel rijst de vraag naar het oriënteringspunt bij het tekenen van de situatie. Vanwaar gaat men uit? Is er een vaste norm, waaraan de dingen gemeten kunnen worden? Waar is het middelpunt?

Men krijgt na het lezen van een studie als deze toch wel het gevoel, dat de klant koning is. Wat de moderne mens vraagt en zegt nodig te hebben lijkt toch wel beslissend te zijn voor de kerk. Zij moet het juiste antwoord leveren en in de behoefte voorzien op straffe van faillissement, mocht ze in gebreke blijven.

Zou het ook zo kunnen zijn, dat de kerk, of liever het evangelie, waarvan de kerk de draagster behoort te zijn, de hoofdpunten van aandacht stelt en dat de moderne mens die weigert te accepteren? Wie stelt eigenlijk de vragen en wie geeft de antwoorden? Waar wordt de band tussen mens en God verbroken? Misschien ook daar, waar de mens zich afkeert en weigert het juiste antwoord te geven op de vragen Gods? Met andere woorden: al is de kerk het aarden vat met alle zwakheid daarvan, moet tegen haar de beschuldigende vinger geheven worden? Ik heb mij eens trachten in te denken hoe zo'n sociologisch onderzoek uitgevallen zou zijn in de dagen van de profeten van het Oude Testament! Eén ding is wel heel zeker: het vaste punt zou de Here Here zijn en de grote fout het afhoereren van Hém. De spits van het vermaan zou gericht zijn niet op de kerk (met alle verwijt aan het adres van ontrouwe priesters en valse profeten!) maar op de afvallige zondaren, en (ik kan het ook niet helpen, dat het zo ouderwets klinkt!) er zou een sterke roep zijn om terug te keren tot de God der Vaderen. Bij het lezen van de onderhavige studie, die ons niet in het onzekere laat over wat men alzo aan feilen in de kerk meent op te merken en waarbij een oudgediende van de kerk het hoofd menigmaal in diep zelfonderzoek moet buigen, rijst toch de gewoon menselijke vraag of er bij de kerkverlaters niet ook een massa domheid, hoogmoed, liefdeloosheid en simpelweg ongeloof een min of meer grote rol speelt. Uit de citaten uit veler mond krijgt men wel die indruk. Gelukkig citeert het boekje ook anderen, die iets van het mysterie ontdekt hebben.

Een studie als die voor ons ligt is bruikbaar. Zij stelt de werkelijkheid scherp in het licht en zij kan ons helpen de juiste toon te vinden. De beleidsvoorstellen, uiterst bescheiden gedaan, dienen de aandacht te hebben. Eén ding lijkt mij echter uiterst gevaarlijk, namelijk, dat de kerk zich aanpast aan haar critici (ze worden in het boekje zelf op een bepaalde plaats kritikasters genoemd!). In het hoofdstuk, dat handelt over de religieuze verscheidenheid (hoofdstuk 4, Alle wegen naar Rome) wordt gezegd: 'In het licht van deze theorie (de religieuze markt-theorie) zou dat betekenen (het verlies van de kerken nl.), dat de kerken er onvoldoende in slagen hun godsdienstige waar aan te passen aan de eigentijdse vraag' (pag. 62).

Men bedenke goed: De schrijvers geven de religieuze-markt-theorie door. Zij kiezen er natuurlijk niet voor. Maar uit het boekje in zijn geheel maak ik toch op, dat de sociologie ons zijns ondanks in die richting dringen kan. Dat de vragen van de mens bepalend zouden zijn voor het evangelie is onbijbels. De profeten, Christus en de apostelen namen hun uitgangspunt in Hem, die aan ons Zijn vragen stelt en die ons roept Hém te volgen. Bij kerkverlating is er naar dat voorbeeld alle reden voor de waarschuwing aan het adres van hen, die menen te mogen heengaan: Weet wat u doet!'

Het is al een oud vraagstuk wat Rietveld hier aansnijdt. Stellig zullen we kritiek op de kerk niet lichtvaardig naast ons neer mogen leggen. De zonden van kerken, ambtsdragers en gemeenteleden zijn velen. Verootmoediging past ons. Maar rekenen met kritiek en bekering tot God is wat anders dan een aanpassing van de boodschap aan de vragen van de eigen tijd. Hoe waardevol dergelijke onderzoekingen als de onderhavige ook zijn, de kerk als hoedster van het geheim heeft een dimensie die nooit in siciologische analysen te vatten is. Ik bedoel de dimensie van het werk van Woord en Geest. Dat is geen vrijbrief om doof te zijn voor kritische signalen. Dat betekent wel dat de kerk haar eigenheid toch zal moeten bewaren, ook ten aanzien van de samenleving. Want de kerk is van Christus. Zijn Woord sticht, richt en bindt de gemeente te samen.

Geboeid door de geschiedenis

Dat kan men stellig zeggen van de journalist/ historicus/politicus, dr. H. Algra, onlangs tot veler vreugde eredoctor geworden van de VU. Een van de medewerkers van Youth for Christ, had een gesprek met hem. In het blad Inhoud stond dit interview afgedrukt, waarvan we enkele passages overnemen:

Er komt ook veel op je af; je wordt eigenlijk geleefd door de wereld om je heen. Wat kun je daaraan doen?

Daar moet je je gewoon van vrij vechten. Je moet je door niemand laten opjutten. Als ik met een bepaalde zaak bezig ben, zijn alle andere kastdeuren dicht. Zulke dingen moetje leren, anders word je tobberig. Als je ergens mee bezig bent, moet je je daar helemaal aan geven, dat is de ene kant. Maar dan moet je ook alle andere dingen zolang wegleggen en vergeten. Zo zit dat.

Maar we worden tegenwoordig verantwoordelijk gehouden voor alles wat er in de wereld gebeurt. Zodra je je verdiept in het ene, schiet je tekort in het andere. Je voelt je continu schuldig.

Ja, dat is het nou net. Er is altijd wel een aktiegroep, die zegt: je moet je met dit of dat bezig houden. Doe je dat niet, dan word je uitgemaakt voor van alles en nog wat. Zo zijn er altijd wel lui, die willen proberen je hard voor een karretje te laten draven. En dan moet je gewoon heel eerlijk zeggen; ik kan niet alles op m'n bord nemen. Ik doe dit of dat en daar geef ik mij aan; en dan moet je niet proberen me ook nog te strikken voor allerlei andere dingen, want dan zeg ik eenvoudig; dank je. Ik zou graag willen, dat de jonge mensen verlost werden van dat schuldgevoel: 'als ik niet overal aan mee doe, schiet ik tekort.' Doe één ding en doe dat dan ook goed. De rest doen anderen wel.

Toch heb ik van u de indruk, dat u juist erg veel overziet.

Ach, ik lees kranten, kijk tv en luister naar de radio. Maar op de tv zie ik alleen het journaal van zeven uur en naar de radio luister ik alleen 's ochtends vroeg. Kranten lezen doe ik heel selectief. Ik lees vier dagbladen en dan nog een partij weekbladen. Maar zo'n dagblad kost me niet meer dan een kwartier. In het Friesch Dagblad lees ik de beide hoofdartikelen, de overlijdensadvertenties (om te kijken of ik nog iemand een brief moet schrijven) en dan het belangrijke nieuws. Daarna verdwijnt de krant in de papierbak. Zo weet ik evengoed wel, wat er aan de hand is.

U bent ook historicus, nietwaar?

Ja, dat is althans wat het meest m'n belangstelling heeft. Ik heb er ook een paar boeken over geschreven. Ik ben nu net klaar met een boek over de geschiedenis van Franeker.

Kunt u uitleggen wat u zo boeit in de geschiedenis?

De verwondering. Je ziet in de geschiedenis steeds, dat er dingen gebeuren, die je niet zou verwachten. Het kleine, ogenschijnlijk nietige voorval is heel belangrijk. Soms heeft zo'n voorval ingrijpende gevolgen. Soms is het een illustratie, iets dat ineens licht werpt op dingen, die je nog niet begreep.

Gelooft u, dat u anders tegen de dingen aankijkt omdat u veel van de geschiedenis weet.

Ja, zeer beslist. Bijvoorbeeld omdat er veel dingen zijn, waarvan iedereen denkt dat ze nieuw zijn, terwijl ze al heel oud zijn. In Zwitserland is bijvoorbeeld een diskussie aan de gang over het al of niet verplicht stellen van autogordels en bromfietshelmen. De mensen daar vinden dat een aantasting van de persoonlijke vrijheid. Diezelfde ideeën vind je ook in de geschriften van John Locke van omstreeks 1700. Natuurlijk ging het over andere dingen dan gordels en helmen, maar verder is het hetzelfde oude liedje.

De mensen maken zich tegenwoordig steeds meer los van de geschiedenis. De tendens is: alle vorige generaties hebben maar wat aangeklungeld, wij hebben nu de wijsheid in pacht.

Daar neem ik aanstoot aan. Je vindt dat idee meestal bij mensen die, niets van geschiedenis afweten. Het is ontstellend hoe weinig men van de geschiedenis afweet; ook mensen van wie je iets anders zou verwachten. Een zoon van mij kwam eens met de trein uit Zwitserland. Tegenover hem zat een student geschiedenis. Toen de trein Worms passeerde, zei mijn zoon: "Nou, Worms, die naam zegt u genoeg.' De student dacht na en kon zich vaag iets herinneren over een concordaat van Worms. 'Ja', zei m'n zoon, 'maar het zegt u toch zeker ook wel iets met betrekking tot Luther? ' 'Nee', zei de student, 'dat kan ik niet thuisbrengen.'

C.S. Lewis heeft eens gezegd: je moet veel oude hoeken lezen om gecorrigeerd te worden in de typisch hedendaagse denkfouten die je maakt.

Daar zit zeker iets in. Als je boeken van vroeger leest, kom je tot de ontdekking: Hé, zo kan het ook, je kunt het ook van die kant bekijken. En soms denk je dan; misschien hebben ze wel gelijk gehad...

Het thema van de verwachting in de Adventsprediking

Daarover schrijft prof. dr. W. v. 't Spijker in De Wekker van 12 december met betrekking tot de Adventsprediking. Sprekende over de gegronde verwachting, wijst de schrijver op de spanning die aan de bestaanswijze van de gelovige eigen is: met Christus opgestaan... en toch nog onderweg, zuchtend door de Geest, verwachtend met volharding.

Proberen we nu deze spanning nader te omschrijven, dan noemen we het een spanning van de gelijktijdigheid. Ze gelden alle twee tegelijk, op hetzelfde moment en tesamen. De ene heft de andere niet op. Een christen is verlost. Tóch moet hij op hetzelfde moment verlost worden. Hij heeft vrede. Zelfs een vrede die alle verstand te boven gaat. Toch jaagt hij naar de vrede die komt in Gods rijk. Hij is gegrepen. Toch jaagt hij ernaar om het te grijpen. Hij is met Christus gekruisigd. Toch moet hij altijd weer opnieuw gekruisigd worden. Hij is zelfs met Christus in de hemel gezet. Toch is, zijn leven met Christus verborgen in God en heeft hij te zoeken de dingen die boven zijn. Hij is een kind van God, en niet alleen nominaal: wij zijn het ook, zegt de apostel. Toch weten wij niet wat wij zijn zullen, want het is nog niet geopenbaard. Misschien komt deze gelijktijdigheid het sterkst tot uitdrukking in de formule, die Luther er voor smeedde: Simulpeccator et Justus, d.w.z. tegelijk zondaar en gerechtvaardigd. Maar dan kunnen we ook zeggen, dat déze spanning het ondragelijke verloren heeft in het Nochtans van het geloof. Ik ben er nog niet. Nochtans ben ik er. In de gelovige hoop.

De spanning tussen het 'alreeds' en het 'nog niet' kan daarom nog beter en dieper omschreven worden als de spanning van een tegenstelling. Spreken wij over het zijn van de gelovige, dan wordt het alles nog veel ondragelijker. Want wie in Christus is, die is een nieuw schepsel, het oude is voorbijgegaan. Het is alles nieuw geworden. Maar juist als nieuw schepsel ontdekt de gelovige de macht van het oude bestaan.

Paulus heeft daaraan in de meest existentiële zin uitdrukking gegeven in Romeinen 7: ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde. Het deed hem constateren hoe sterk.de macht van het oude zijn is in hem. Als ik het goede wil doen, ligt het kwade mij bij. Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen van dit doodslichaam? Hier is de spanning van de tegenstelling het sterkst. Toch wordt ze in de hoop weer niet ondragelijk. 'Ik dank God, door Jezus Christus onze Here' (Rom. 7 : 25). Het nieuwe zijn is een zijn in Christus. In Hem is het 'alreeds' gewaarborgd, ofschoon wij telkens ervaren het 'nog niet'. Ons zijn is in alle dimensies opgenomen door het 'in Christus zijn' en daardoor het nieuwe schepsel zijn. Dit 'in Christus' zijn kan men het beste omschrijven als een juridisch ethische categorie. Het behoort evengoed thuis in de leer van de rechtvaardiging als in die van de heiliging. Het is een zaak van Gods oordeel en gericht, evengoed als van Gods Geest en genade die vernieuwt.

Van 't Spijker wijst erop hoe Calvijn sterke relatie legt tussen de hoop en de gemeenschap met Christus. Die gemeenschap met Christus, die door de Heilige Geest tot stand komt, kan door geen macht ter wereld worden opgeheven. In dit geheim van de Geest ligt de diepste grond voor de hoop.

In de christelijke hoop houdt de verwachting het uit dank zij het werk van de Heilige Geest. Maar dan wordt het ook duidelijk, dat wij niet zo gernakkelijk zullen spreken van de laatste dingen. In de regel wordt met de leer van de laatste dingen aangeduid de behandeling van allerlei vragen, die bij de z.g. eschatologie ter sprake komen. Niet dat we zouden willen ontkennen, dat het hier om dingen gaat en niet om ideeën. Er is inderdaad sprake van dingen of feitelijkheden die gebeuren zullen in verband met de wederkomst van Christus: de tekenen der tijden, de opstanding van de doden, klein en groot, het gericht, waarin de beslissing valt van eeuwig wehen wee. Het zijn geen ideeën die ons bezig houden, begrippen of voorstellingen, maar waarlijk wel feiten, die op alle dingen zullen inwerken. Maar het gaat om veel meer. Wij verwachten geen dingen, maar Hem die de Eerste en de Laatste is, het begin en het einde. Die is en die was en die komen zal. Om zijn toekomst gaat het in de christelijke hoop, om de toekomst van onze Here en Zaligmaker Jezus Christus.

Juist hier krijgt de Adventsprediking, en de prediking rondom Kerst zouden we er aan willen toevoegen, diepte. Wij zien terug op de komst in het vlees. Wij zien vooruit naar Zijn komst in heerlijkheid. De oud-christelijke kerk heeft van die verbanden gewezen. In later tijd is de aandacht vaak gericht geweest op de komst van Christus in het vlees. Onze beleving van het Kerstgebeuren zou aan rijkdom winnen als we meer zouden rekenen met en spreken op de toonhoogte van de verwachting. Maranatha, de Here is nabij. Hij komt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1981

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1981

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's