De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Twee antwoorden

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Twee antwoorden

6 minuten leestijd

De zieke antwoordde Hem: 'Heere ik heb geen mens...'. Jezus zei tot hem: 'Sta op, neem uw bed op en wandel'. Joh. 5 : 7a, 8

Wilt gij gezond worden?

Dat was de vraag. Gesteld aan de man, die 38 jaar ziek lag in Bethesda.

Gesteld aan mensen, die Jezus ontmoet. Hij stelt die vraag.

Verstaat gij wat Hij vraagt?

De zieke antwoordde Hem. Maar hij heeft de vraag niet verstaan.

Hij blijft steken in een andere vraag: Kan ik? Immers aan het willen gaat het kunnen vooraf. Achtendertig jaren hebben hem dat wel geleerd. En de vraag naar het willen is geheel verdrongen door de vraag naar het kunnen. Heere, ik heb...

Hij verstaat de vraag niet. Dat is geen verwijt. Hij kon die vraag niet verstaan. Zeker, hij wist, dat het eens zou kunnen. Alsdan zal de kreupele springen als een hert. Maar hij wist niet, dat heden die Schrift vervuld was. Hij wist niet, dat het koninkrijk de hemelen nabij gekomen was; nabij hem; tot hem. Hij wist niet wie Hij was. En wie niet weet, wie Hij is, die komt nooit verder dan: Heere, ik heb... Die loopt vast in de mogelijkheden die hij heeft. Mogelijkheden? Onmogelijkheden.

Heere ik heb geen mens. Het antwoord van de zieke is heel kort. Om te willen moet hij kunnen. En om te kunnen moet hij geholpen worden. En hij heeft geen hulp. Die rekensom is even simpel als pijnlijk. Heere, ik heb geen mens om mij in het badwater te werpen. Geen mens!

Jawel, mensen waren er genoeg. Straks zijn ze present. Een grote schare.

Maar ze waren er niet. Achtendertig jaar lang was er geen mens om te helpen.

Ook niet in het huis van barmhartigheid. Velen kwamen daar langs. Op weg om te offeren. Maar kennelijk heeft niemand van hen begrepen wat het is: Ik wil barmhartigheid en niet offerande!

Heere, ik heb geen mens...

Dat is de volstrekte eenzaamheid van deze man.

Daarom is dit antwoord zo pijnlijk. Pijnlijk voor het volk en pijnlijk voor de zieke. Pijnlijk, omdat het volk hem niet verder helpt en hij niet verder komt.

Wilt gij gezond worden?

Die vraag hield meer in dan: beter worden.

Wilt gij opspringen van vreugde in het heil? Wilt gij dat?

Heere, ik heb geen mens!

Dat is ook het antwoord van de nood. Er is geen mens, die mij helpt. Van die kant komt de hulp niet. En als ik op mij zelf ben aangewezen dan kan ik alleen maar spreken van machteloosheid. Heere, ik kan niet!

Geen hulp en dus geen hoop.

De vraag van Jezus herinnert hem er aan; roept dit antwoord op. En dat antwoord is een belijdenis. Nauwelijks uit te spreken. En toch uitgesproken. Zo kort mogelijk. Hij gaat geen betoog houden over hoe het zo gekomen is - of over hoe het had kunnen zijn - of over hoe het zou moeten zijn...

Heere, ik kan niet. Zo ben ik!

Zulke vragen stelt Jezus. Vragend dringt Hij ons leven binnen. En zijn vraag richt onze ogen naar binnen. Heere, ik kan niet! Alles heb ik tegen.

Niets en niemand mee. Nauwelijks is dat uit te spreken. En toch spreek ik dat uit. Zijn vraag roept dit antwoord op.

En de zieke antwoordde Hem. Hij wist niet wie Hij was. Maar Hij was het wel!

Hij, die barmhartigheid doet. Omdat Hij het offer brengt. Omdat God van Hem wel offerande vroeg. Het offer der liefde om te redden wat verloren was.

De zieke antwoordde Hem.

En Hij gaat verder dan dat antwoord. Hij geeft zijn eigen antwoord.

Gode zij dank. Hij houdt niet op waar wij moeten ophouden.

Waar mensen uitgesproken zijn, neemt Hij het woord. Hij beantwoordt zijn eigen vraag.

Wilt gij?

Ik wil: sta op, neem uw bed op en wandel. Jezus zei tot hem: sta op. Na 38 jaren! Na een half mensenlevenlang van ziek zijn. Na zo lang de gevolgen van de zonde aan den lijve ondervonden te hebben. Nu hoort hij dat woord. Sta op - maar dat kan hij niet. Neem uw bed op - maar het bed draagt hem. Wandel - maar dat is hij verleerd. Maar hij hoort het goed. Het wordt hem gezegd. Als een bevel. Heere, ik heb geen mens. Zie, de Zoon des Mensen is gekomen. Hoor Hij spreekt.

En Hij spreekt niet alleen om de man des te meer zijn hopeloosheid te doen beseffen. Hij spreekt om te verlossen. Hij spreekt het verlossende woord: sta op. Zijn woord verlost.

Het woord, dat Jezus spreekt, is niet een bevel in die zin, dat daarmee gezegd zou worden: je moet het doen; je kunt het best. Het woord, dat Jezus spreekt grijpt hem aan en richt hem op. En terstond werd de man gezond. Terstond. Op het gerucht van dat woord. Het woord, dat gezegd wordt, geschiedt aan hem. Jezus geeft wat Hij beveelt. En zo staat de man op. Op het woord van Jezus. Hij staat op het woord van Jezus.

En op het woord van Jezus vallen alle zelfbedachte vragen weg. Op het antwoord van Jezus moet het eigen antwoord wijken. Het onmogelijke wordt mogelijk.

Want Hij is God.

Wilt gij gezond worden? Zo dringt Hij ons leven binnen.

Sta op. Zo spreekt Hij ons aan.

Wee de mens, - de aangesprokene, die Hem niet laat uitspreken; die halt houdt bij het eigen antwoord. Wee de mens, de aangesprokene, die er verder het zwijgen toe doet en Hem het zwijgen oplegt. Die blijft neerliggen bij zijn eigen mogelijkheden. Die ligt neer tot de dood. En het laatste van die mens is erger dan het eerste.

Sta op, zegt Hij.

Dat woord blijft haken. Is het mogelijk? Opstaan uit de gebrokenheid van mijn leven? Opstaan uit de zonde, die mij er onder houdt, die mij neer werpt?

Als mij geen hulp of uitkomst bleek... Hebt Gij, o Heer, mijn pad gekend.

Mijn pad gekruist. Mijn dood scheen voorhanden. Maar uw hand was de dood voor. Uw hand, die geeft wat u beveelt.

Sta op.

Met dat woord grijpt de Geest mij aan. Maakt mij indachtig, dat Hij het gezegd heeft. Hij, die de Naam heeft, dat Hij redt! Zo sta ik op, op het woord van Hem aan wie alle machten zijn onderworpen; ook de macht van de zonde die mij neerdrukt. Zo sta ik op zijn Woord. Het Woord, dat mijn voeten vast maakt en mij vaste grond onder de voet geeft. Het roepende Woord geeft antwoord.

Merk op mijn ziel! Wilt gij gezond worden? Verstaat gij wat Hij vraagt? Sta op! Verstaat gij wat Hij antwoordt? En het was sabbath op die dag. Dag van bevrijding. Dag des HEEREN. Ik zal opspringen van vreugde en mij verblijden in de God van mijn heil. Wandelen. Door Hem. En met Hem.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 januari 1981

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Twee antwoorden

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 januari 1981

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's