Een bijbels-theologische verantwoording
De missionaire gemeente
'Zending is geen liefhebberij van zendingsvrienden en geen zaak van specialisten verweg overzee.'
'Zending is geen liefhebberij van zendingsvrienden en geen zaak van specialisten verweg overzee.' Wie zal het niet met deze stelling eens zijn.
Niettemin blijkt in de praktijk de zending duidelijk te liggen in de sfeer van het bijzondere, het bijkomende, een extra, aangehangen aan het gewone kerk-zijn. Het moge duidelijk zijn: wanneer wij de vraag naar de zending stellen, stellen wij de vraag naar de kerk. Wie zending zegt, zegt kerk, en omgekeerd. Het gaat dus om de vraag: Wat is kerk en wat behoort ze te zijn?
We kunnen er niet omheen ons diepgaand te bezinnen op de vraag naar de identiteit van de kerk, nu de tijd van het corpus christianum met zijn zekerheden voorgoed voorbij is. In de hernieuwde bezinning is vrijwel steeds de grondtoon: 'Gemeente voor anderen, gemeente voor de wereld - dat is de grote ontdekking die de Heilige Geest de gemeente in deze eeuw heeft laten maken.' (Jansen Schoonhoven).
Het behoeft geen betoog dat 'Entdeckersfreude' heeft geleid tot de reactie, waarin men de kerk binnenste buiten heeft willen keren, zodat voor de eigen gestalte van de gemeente nauwelijks plaats meer overblijft. Dat neemt niet weg dat we er niet achter terug kunnen, dat de gemeente van Christus naar haar diepste wezen missionair is, d.w.z., vanuit het Evangelie in woord en daad in de wereld gezonden. Dat zit haar in het bloed. Zodra zij dit niet meer verstaat, is zij niet langer gezond te noemen, aangezien (om met Kraemer te spreken) 'de ruisende ritmiek van de normale bloedsomloop' is gestoord.
Het is niet overdreven te beweren dat het hier gaat om een kenmerk van de ware kerk, waaraan wij de kerk hebben te toetsen.
Een verantwoorde bijbelse fundering van de missionaire gemeente kan niet gegrond zijn op de smalle basis van enkele zendingsteksten, maar moet gezocht worden in het gehele getuigenis van Oude en Nieuwe Testament.
Het is verrassend en van rijke betekenis te ontdekken dat er een diepe samenhang is tussen het gezonden zijn van de gemeente en het wezen van de bijbelse boodschap in zijn structuren.
De inzet van het Oude Testament is van geweldige betekenis: In den beginne schiep God de hemel en de aarde' (Gen. 1 : 1). In deze woorden wordt beleden, dat de God van Israël geen 'stamgod' is, gebonden aan een beperkt territorium, maar de Schepper, aan wie de wereld en zijn volheid toebehoren. Deze inzet snijdt elke vorm van provincialisme en eng-nationaal denken bij de wortel af en wekt ons op te rekenen met wat God doet en doen kan in onze vreemde culturen en onder andere volken en rassen, wereldwijd.
De zending kan dan ook nooit uitsluitend gericht zijn op de individuele mens, maar ze is ten diepste gericht op de wereld als Gods wereld.
De aanspraken van JHWH zijn universeel. Hij doet Zijn rechten gelden op alle volken. Daarom is het Oude Testament doortrokken van het vurige verlangen, dat de volken de koninklijke en universele heerschappij van JHWH zullen erkennen.
De zending is van God (Missio Dei). Diepste oorsprong ligt in Zijn grenzeloze ontferming die zich heilbrengend zoekt uit te strekken tot aan de einden der aarde. Kenmerkend voor het heilsplan dat God na de zondeval gaat uitwerken is, dat het zich realiseert overeen geschiedenis van eeuwen . . . én: met gebruikmaking van mensen: eerst Israël en dan de nieuwtestamentische gemeente.
Het is van wezenlijk belang te zien, dat we alleen dan het rechte licht op de roeping van de nieuwtestamentische gemeente als missionaire gemeente ontvangen, wanneer we de betekenis verstaan van de verkiezing van Israël. In de keuze van het ene volk Israël zijn de andere volken niet afgeschreven. Integendeel: Israels afzondering geschiedt met het oog op en tot heil voor de volkenwereld (Gen. 12). De laatste tijd wordt de universele betekenis van deze verkiezing bijna algemeen ingezien. Steeds wordt beklemtoond, dat deze verkiezing 'tot dienst' is, niet allereerst op te vatten in de zin van een 'kiezen voor', maar in de zin van een 'verkiezen tot', 'aanwijzen als'.
De verkiezing van Israël is niet alleen en zelfs niet in de eerste plaats een voorrecht, maar een roeping (Versteeg). Inderdaad moet gesproken worden van verkiezing tot dienst. Tegelijk blijft waar, dat de verkiezing ook een heilsdaad van God is, welke dient om Gods ontferming over zijn volk aan het licht te brengen en het Zijn heil te schenken. Is het geen voorrecht om Gods volk. Zijn erfdeel. Zijn kleinood te zijn?
Al is er sprake van verkiezing tot heil, de verkiezing tot dienst staat evenwel voorop in het Oude Testament. Beslissend is het theocentrisch karakter van deze dienst. Israël is verkoren tot dienst aan zijn Bevrijder. Wat van het volk wordt gevraagd is: God te vrezen, / in Zijn wegen te wandelen; / Hem lief te hebben, / en Hem met zijn ganse hart te dienen (Deut. 8 : 6-8). De verkiezing bevat een dringend appèl aan Israël in het volle leven rekening te houden met de enige God.
In deze zin wordt Israël ook een heilig volk genoemd, d.w.z. God heeft Israël tot Zijn kostbaar eigendom gemaakt, opdat het volk aan Hem gewijd zou leven. Israël is geroepen tot dienst aan God, en daarom en zo tot dienst aan de wereld van de volken. Een bestaan voor het aangezicht van die God, die hartstochtelijk het heil van de volken zoekt, móet wel missionair zijn.
Opmerkelijk is dat nergens in het Oude Testament een beroep op Israël wordt gedaan om de wereld in te trekken en de heidenen voor JHWH te winnen.
Niet de daden van Israël, maar de grote daden van Israels Gód voor aller oog zal de volken van heinde en ver doen samenstromen naar de berg Sion (centripetaal). Wanneer zij zien zullen, dat God met Israël is, zullen zij ertoe gebracht worden ook JHWH te erkennen als de Schepper van de ganse aarde en hun Verlosser.
Heeft Israël er steeds oog voor gehad, dat het uitverkoren en geheiligd was om instrument te zijn ten dienste van de universele bedoelingen van God met en in zijn wereld? De praktijk is wel anders. Voortdurend hebben de profeten te strijden tegen het heersende volksgeloof, waarbij JHWH wordt omgevormd tot de nationale God van Israël, over wie men onder alle omstandigheden denkt te kunnen beschikken. Het gaat hierbij om een godsdienst, waarbij niet de Heere, maar het volk in het middelpunt staat.
Deze etnocentrische houding betekent de totale omkering van Gods bedoelingen. De genadige verkiezing van God is verworden tot precies het tegenbeeld daarvan (etnocentrischparticularistisch i.p.v. theocentrisch-universeel). Deze karikatuur van Gods verkiezing wordt wel aangeduid met het statische begrip: (uit)verkorenheid.
Wanneer de verkiezing wordt opgevat als een vanzelfsprekendheid en een privébezit, beschouwt het volk zichzelf in zijn bijzondere positie als eindpunt van Gods handelen en saboteert het Gods wereldwijde bedoelingen. Een duidelijk voorbeeld van verweer tegen de geest van verkorenheid vormt het hoek Jona. De schrijver richt zich tot een geïntroverteerd Israël dat 'op een ontstellende wijze met zichzelf bezig is, dat alles van God weet, wat men maar van Hem weten kan, en toch volstrekt onwillig is om een stap te doen in de richting, die God wijst' (Wolff). Kernachtig typeert Verkuyl Jona als de geestelijke vader van alle uitverkorenen, die wel de verkiezing willen, maar niet de dienst.
Ten diepste zit het gebrek aan missionaire bewogenheid bij Jona vast op zijn scheve verhouding met God. Eerst wanneer de profeet zijn hoogmoedig verzet tegen God opgeeft en opnieuw in dankbare verwondering leert leven uit Gods reddende barmhartigheid (Jona 2) komt hij weer op zijn plaats. Helaas heeft Israël volhard in de particularistische geest van Jona. Het volk Gods heeft geweigerd dienstbaar te zijn in Gods plan met de volken. Zélfs de verharding van Israël echter dient om het heil tot de volken te brengen.
God zal zijn doel toch bereiken. De volgende en beslissende stap in het verlengde van de weg, die Hij met Israël ging is Jezus Christus. Hij weet zichzelf een zoon van dit volk, door God en uit God gezonden. Via velen-enkelen - enkelen - rest - blijft Hij tenslotte alleen over: de Knecht, Gods uitverkorene, die de taak geheel van en voor Israël overneemt en de wil van God volbrengt. Plaatsvervangend draagt Hij het gericht over Israël en de volken brengt Hij verzoening aan. Na Zijn opstanding legt God Hem de universele heerschappij in handen. Als de Kurios kan Hij met recht zeggen: 'Mij is gegeven alle macht (exousia) in hemel en op aarde'.
Hoe nu gaat de nieuwe Koning Zijn heil mededelen en Zijn heerschappij realiseren? Door gebruik te maken van mensen. Misschien blijkt wel het meest duidelijk uit het zendingsmandaat volgens het Johannes-evangelie dat de gemeente vanaf het allereerste begin geplaatst wordt in de zending van God (Missio Dei). Op de dag van de opstanding is het eerste wat Jezus zegt, wanneer Hij Zijn discipelen de vrede meedeelt: 'Gelijk Mij de Vader gezonden heeft, zend Ik ook u.' (Joh. 20 : 21). Blijkens de Evangeliën leeft zeer diep in Jezus' bewustzijn, dat Hij in de wereld gezonden is. Het geeft betekenis en richting aan alles wat Hij doet en beheerst Hem volledig van Zijn jeugd af aan. Uiteraard is, zoals we reeds constateerden Zijn zending tot verzoening en verlossing volstrekt uniek te noemen!
Toch spreekt Jezus: 'Gelijk Mij de Vader gezonden heeft, zend Ik ook u.' Zoals Zijn gezonden zijn centraal staat in het leven van Jezus, moet de kerk ook haar gezonden zijn centraal stellen. Zoals Jezus absoluut niet kan worden gescheiden van Zijn zending, kan ook de kerk onmogelijk losgezien worden van haar zending in de wereld. Als de Vader door Jezus gezien wordt als 'Degene die Mij gezonden heeft', dan moet Jezus door ons gezien worden als 'Degene die ons gezonden heeft!'
De zending van de kerk moet dus verstaan worden vanuit de zending van de Zoon (missiologie, ecclesiologie, christologie). Scherp geformuleerd: De gemeente van Christus is gezonden gemeente of ze is Zijn gemeente niet. Redigerend is dat de Opgestane de gesloten deuren, waarachter Zijn discipelen zich vreesachtig verborgen houden openserpt en hen uitzendt de wereld in, onder inblazing van de Heilige Geest (Preludium op Pinksteren!). Een geïntroverteerde gemeente, die zich uitsluitend bezighoudt met zichzelf en haar heil, is ver van haar plaats, aangezien ze ontkent wat tot haar wezen behoort.
De kerk is een gemeenschap van mensen die eerst zijn getrokken uit de wereld, om er direct ook weer in gezonden te worden.
Maar dan: geplaatst in de machtige stroom van Gods barmhartigheid. Vanuit het hart van de Vader, reddend in de Zoon, de Apostolos van de Vader, zoekt deze ontferming zich een weg naar het uiterste der aarde. Via de gemeente van Christus, die zelf vrucht is van de goddelijke barmhartigheid, gaat God nu uitvoeren, wat eeuwenlang van Israël werd verwacht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 januari 1981
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 januari 1981
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's