De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Een bijbels-theologische verantwoording

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een bijbels-theologische verantwoording

De missionaire gemeente

10 minuten leestijd

Een belangrijke vraag is van welke aard de zending is van het nieuwe volk Gods. Welke is de relatie met de roeping van het oude volk Israël?

Een belangrijke vraag is van welke aard de zending is van het nieuwe volk Gods. Welke is de relatie met de roeping van het oude volk Israël? In de Efezebrief doen we prachtige en verrassende ontdekkingen (Ef. 2 : 11-3 : 13). Met diepe verwondering vermeldt Paulus, dat hém de genade te beurt is gevallen om het 'Mysterion' van Christus bekend te maken onder de volken. Wat eeuwenlang verborgen was is nu geopenbaard en móet worden gepredikt, nl. 'dat de heidenen mede-erfgenamen zijn, medeleden en mede genoten van de belofte in Christus Jezus door het Evangelie' (Efe-ze 3:6).

De betekenis van deze Woorden kan moeilijk overschat worden. Het wezenlijke punt van het mysterion is dat er tussen Israël en de volken een volstrekt nieuwe verhouding is tot stand gekomen, gekenmerkt door het 3x herhaalde woordje mede (sun). De heidenen zijn nabij gekomen 'door het bloed van Christus' (vs. 13). In Hem zijn ze, niet langer 'vreemdelingen en bijwoners', dat wil zeggen rondtrekkende buitenlanders, die overal buiten staan, maar 'medeburgers' der heiligen en huisgenoten Gods' (vs. 19).

Paulus gebruikt een prachtig beeld om dit duidelijk te maken. Christus heeft de tussenmuur die scheiding maakte weggebroken. Zoals een landgoed of een wijngaard omheind is, opdat onbevoegden die niet zullen betreden om iets wat hun niet toekomt weg te nemen en te genieten, zo waren de voorrechten van Israël eeuwenlang onbereikbaar voor de volken.

De omheining is weggenomen, voortaan mogen gojim in dezelfde privileges delen als Israël. Wat eerst het voorrecht van de Jood was, is nu ook het voorrecht van de niet-Jood. Het gaat hier om het geweldige heilshistorische gegeven, dat de heidenen met de nieuwe stand van zaken in Christus gelijke rechten hebben gekregen met Israël, zodat ze gelijkelijk nu mogen delen in het verbond en de erfenis van Israël. De kerk mag er nu óók bij komen. Gelet op het geheel van de Efezebrief blijkt de inhoud van dit 'mysterion' niet alleen de doorbraak van de grenzen van, Israël te betreffen, maar gaat dit zelfs boven de grenzen van de mensenwereld uit: ook de overheden en de machten moet de veelkleurige wijsheid Gods bekend gemaakt worden (Ef. 3 : 10). Blijkbaar heeft God joden en heidenen in één lichaam en onder één Hoofd samengebracht in het kader van het grote en heerlijke einddoel van Zijn alomvattende heilsplan.

De verkiezing van Israël was een eerste stap ter voorbereiding van de volheid (pleromo) der tijden. Het samenbrengen van Joden en heidenen tot één lichaam verbonden (in Hem uitverkoren vóór de grondlegging der wereld), vormt een beslissende tweede stap in de uitvoering van het heilsplan om naar zijn voornemen 'wederom alles tot één te vergaderen in Christus, beide wat in de hemel is en wat op de aarde is.' (1/10).

De apostel raakt in blijde vervoering, als hij denkt aan de 'overweldigende rijkdom van Zijn genade', die aan de gemeente in de komende eeuwen vanuit de hemel getoond zal worden (27). Deze kan in zijn lengte, breedte, hoogte en diepte slechts bevat worden met alle heiligen, ook die nog komen zullen.

In deze machtige beweging van God naar de voleinding ontvangt de nieuwtestamentische gemeente haar plaats en roeping. Lijkt de Efezebrief met zijn sterk eschatologisch-kosmische trekken enerzijds langs de rand van het universalisme te gaan, daar staat anderzijds tegenover, dat er een ingrijpend onderscheid is tussen de kinderen der ongehoorzaamheid die wandelen naar de eeuw dezer wereld, én degenen die zijn overgegaan van de dood tot het leven (zie Ef. 2).

De toestand van hen die buiten de gemeente staan, wordt in donkere kleuren getekend: zij zijn bezig verloren te gaan, zonder hoop en zonder God in de wereld, onder de vreselijke dreiging van Gods toorn. Het is duidelijk dat de meest universele uitspraken van Paulus 'toch nooit zijn los te maken van het toebehoren tot Christus en van de onvoorwaardelijke eis van geloof.' (Ridderbos). Het ontvangen van het heil is verbonden met het toetreden tot de gemeente. Het Rijk komt niet dan op de wijze van de gemeente.

Daarom is het niet verwonderlijk, dat het Nieuwe Testament (meer nog dan het Oude Testament) alle nadruk legt op de verkiezing als verkiezing tot.heil. De verbinding 'verkoren tot behoudenis' komt zelfs letterlijk voor in de brieven. Gód is het die verkiest en roept tot het eeuwig leven, tot Zijn gemeenschap, tot de eeuwige heerlijkheid.

De verkiezing heeft voor de gemeente dus een scherpe afgrenzing ten gevolge, ten opzichte van het zondige verleden, alsook ten opzichte van de haar omringende wereld. In onderscheid van tallozen is zij getrokken tot het heil in Christus, hetgeen door haar als een onschatbaar voorrecht wordt beleefd. In haar leven rond Woord en sacrament mag de gemeente delen in de vergeving van zonden en mag ze de voorspraak van het Rijk genieten. Dit alles is echter nooit doel in zichzelf. De exegese van 1 Petrus 2/9-10 brengt rijke gedachten aan het licht. Elke van de 4 daar gebruikte uitdrukkingen zijn benoemingen, die van oudsher aan Israël gegeven waren, waaruit blijkt dat, de heidenen de predikaten van Israël mogen dragen:

- Gij zijt een uitverkoren geslacht
- Gij zijt een koninklijk priesterschap
- Gij zijt een heilig volk
- Gij zijt een volk God ten eigendom

Nadat eerst de gemeente door dit viertal uitdrukkingen is getekend in haar van de wereld onderscheiden zijn, wordt direct daarop zeer duidelijk omschreven, waartóe zij geroepen is, nl. om de grote daden te verkondigen van Hem die haar 'getrokken heeft uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht'.'

Bijzonder sterke nadruk ligt op het 'om te' (hopoos). De vier eretitels staan in een finale samenhang. Wat de gemeente is, is zij niet om zichzelf, maar voor God en met het oog op de wereld. Opmerkelijk is ook dat geen imperatief, maar een indicativus gebruikt wordt. Niet: gij moet worden, maar gij zijt een uitverkoren geslacht. Nu God de gemeente tot Zijn eigendom heeft gemaakt, kan het niet anders of zij zal Zijn grote daden verkondigen. Ze zal vanzelfsprekend in Zijn dienst staan.

Wanneer men de plaatsen bijeenleest waar de apostelen de gemeente tot een opzettelijke missionaire activiteit opwekken, is de oogst zeer gering. Dit appèl is ook nauwelijks nodig, omdat de eerste christenen hun missionaire roeping spontaan verrichtten.

In allerlei situaties en in vele toonaarden keert wel steeds het appèl tot levensheiliging terug. Verrassend blijkt uit de nieuwtestamentische brieven, dat het missionaire a.h.w. ligt ingevouwen in de heiliging, welke bestaat uit een nieuwe levenshouding, die alle terreinen van het leven raakt.

Negatief komt dit uit in een breken met de oude zondige praktijken, positief betekent de levensheiliging onder meer een leven van onderlinge liefde en in broederlijke gemeenschap.

Van hoeveel missionaire betekenis zou het zijn, wanneer de gemeente weer zou gaan functioneren als lichaam van Christus in al zijn rijke aspecten (1 Cor. 12-14; Rom. 12). De nieuwtestamentische gemeente blijkt zich reeds bewust van de missionerende betekenis van haar handel en wandel. In heel haar gedrag is zijn bedacht op het getuigen, het winnen van anderen. Elke situatie wordt daarbij teruggebracht tot de verhouding tot Christus. De gemeenteleden worden mede met het oog op de buitenstaanders vermaand om 'de Heere waardig te wandelen, d.w.z. overeenkomstig de oudste belijdenis: Jezus Christus is kurios, die zowel de persoonlijke als de kosmische aanspraken van de levende Heere uitdrukt'. In de levende verbinding met de kurios in de hemel en in sterke eschatologische verwachting existeren de christenen als een levende hoop temidden van de uitzichtloosheid van het heidendom.

Zij die wedergeboren zijn tot een levende hoop, worden aangeduid als 'bijwoners en vreemdelingen', niet 'door het gevoel van een verlies of gemis, maar door de zekerheid van een bezit, dat tegelijk boven zichzelf uitwijst en heenwijst naar een nieuw en nog groter geschenk', de erfenis van het Rijk Gods.

Het is opvallend dat in het Nieuwe Testament de apostolaire actie schuilgaat achter het zijn van de gemeente, en waar ze naar voren treedt, gaat ze daarvan uit en vindt ze daarin haar kracht (Berkhof). De vraag hoe de missionaire roeping in de praktijk dient te worden gebracht, komt in de brieven vrijwel uitsluitend ter sprake als wezenlijk onderdeel van de heiliging als toewijding aan God.

Hoewel het missionair zijn van de gemeente voorop staat, komt dit niet in mindering van de missionaire activiteit. Daarvan leggen de geschriften van het Nieuwe Testament voldoende getuigenis af (vgl. Handelingen!). Heel de gemeente in elk van de leden is betrokken bij voortgang van het Evangelie.

Ten slotte moet in dit verband gewezen worden op de fundamentele betekenis van de Heilige Geest. De zending van de kerk kan alleen gezien worden vanuit de zending van de Heilige Geest. Men kan zich afvragen of het 'zendingsbevel' die rol gespeeld heeft in het leven van de vroege kerk, als doorgaans wordt aangenomen.

Het is de tegenwoordigheid en het werk van de Heilige Geest, 'the Spirit of witness', die door Zijn inwoning de kerk dringt tot spontane, uitbundige en veelkleurige activiteit. In het nieuwtestamentisch spreken over de Geest ligt alle nadruk op de getuigende activiteit van de Geest en van hen die Hem ontvangen hebben. Alle accent valt op het spontane karakter van het getuigen van de gemeente, ten gevolge van de 'internal effectuation' van het zendingsbevel door het Pinkstergebeuren. Daarom is de kerk krachtens haar wezen een getuigende gemeenschap. L. Newhigin noemt het, zich kerend tegen de misvatting waarin het 'zendingsbevel' wordt opgevat als een nieuwe wet, een treffend feit dat er in het Nieuwe Testament weinig over zending staat in termen van plicht.

'Tevergeefs zal men in de brieven van Paulus zoeken naar enig woord van bevel of aansporing tot zijn gemeenten om actiever te zijn in het evangeliseren. Zending wordt meer gezien als een consequentie van Pinksteren. De opzienbarende tegenwoordigheid van de Heilige Geest maakt de kerk in al haar zwakheid tot getuige van Jezus Christus. Dé voorwaarde is dat de kerk - plaats van het genadig werk van de Geest — waarlijk kerk is, en dat ze trouw is aan haar Heer.' Newbigin wijst op het beeld van de wijnstok.

Wil de christelijke gemeente waarlijk missionair zijn, in heel haar bestaanswijze, in haar daden en woorden, dan dient zij te bedenken dat vruchtbaar werken alléén maar bereikt kan worden 'door een onvermoeibaar blijven bij het Centrum - Jezus Christus zelf.' Het is de hand aan Jezus Christus zelf die de gemeente missionair doet zijn.

Naar onze overtuiging is de gemeente zowel middel als doel. Als groeiende gemeente is zij de beginnende realisering en voorlopige gestalte van het einddoel Gods, waar de voorsmaak van het voltooide Rijk reeds beleefd wordt. Vanuit de gemeenschap met Christus, de Kurios, denkend, kan men niet anders dan erkennen dat de kerk uiteindelijk geen doel is in zichzelf.

Juist omdat haar bestaan primair gericht is op God en de verheerlijking van Zijn Naam, is zij als geredde gemeenschap toegekeerd naar de wereld.

Met alles wat zij ontvangen heeft en genieten mag, zoekt zij dienstbaar te zijn tot de eer van God, in het verlangende gebed om de totale realisering van zijn koninklijke heerschappij over de ganse kosmos, waar Hij tenslotte alles en in allen zal zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 januari 1981

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Een bijbels-theologische verantwoording

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 januari 1981

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's