De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Schriftkritiek (2)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Schriftkritiek (2)

De Heilige Schrift

10 minuten leestijd

Het getuigenis van de Heilige Geest in onze hartenVolgens art. 5 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis zijn de boeken van het Oude en Nieuwe Testament heilig en kanoniek. 'En wij geloven zonder enige twijfeling al wat daarin begrepen is; en dat niet zozeer, omdat ze de Kerk aanneemt en voor zodanig houdt; maar inzonderheid, omdat ons de Heilige Geest getuigenis geeft in onze harten, dat zij van God zijn; dewijl zij ook het bewijs van dien bij zichzelf hebben; gemerkt de blinden zelf tasten kunnen, dat de dingen, die daarin voorzegd zijn, geschieden.'

Het getuigenis van de Heilige Geest in onze harten

Volgens art. 5 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis zijn de boeken van het Oude en Nieuwe Testament heilig en kanoniek. 'En wij geloven zonder enige twijfeling al wat daarin begrepen is; en dat niet zozeer, omdat ze de Kerk aanneemt en voor zodanig houdt; maar inzonderheid, omdat ons de Heilige Geest getuigenis geeft in onze harten, dat zij van God zijn; dewijl zij ook het bewijs van dien bij zichzelf hebben; gemerkt de blinden zelf tasten kunnen, dat de dingen, die daarin voorzegd zijn, geschieden.'

Onze belijdenis wil niet met dit 'getuigenis van de Heilige Geest in onze harten' de deur open zetten voor het subjectivisme. Dat zou betekenen dat voor ons alleen 'Woord van God' is wat wij in onze harten zouden erkennen als het getuigenis van de Heilige Geest. Daarmee zouden we dan uitgeleverd zijn aan de willekeur van onze persoonlijke ervaringen. Maar bovendien vervaagt, erger nog, verdwijnt het kwalitatief onderscheid tussen de Heilige Geest en onze menselijke geest. We overschrijden dan ook de grenzen van elk gereformeerd belijden, dat altijd weer dat kwalitatief onderscheid tussen God en de mens accentueert. Maar daardoor komen wij toch bovenal in tegenspraak met de Bijbel zelf. De Heilige Geest is geen bazuin die een onzeker geluid geeft. Hij overtuigt van zonde, gerechtigheid en oordeel. Hij leert ons zeggen: Jezus is Heere. Hij leert ons bidden: Abba, Vader. Hij doet ons roepen: Maranatha. Het getuigenis van de Heilige Geest is ons als een objectief gegeven geschonken in de Bijbel. Maar hoe zit het dan met 'onze harten' als die dat getuigenis niet verstaan? Hier past ons diepe ootmoed. Want wij mogen onszelf niet automatisch identificeren met de 'wij' van de geloofsbelijdenis. Ook dat 'wij' moet opgevat worden als een objectief gegeven. Het is de kerk van onze Heere. Jezus Christus van alle tijden en plaatsen. Of zoals art. 27 het formuleert: die 'heilige vergadering der ware Christgelovigen', die 'al hun zaligheid verwachten in Jezus Christus, gewassen zijn door Zijn bloed en geheiligd en verzegeld door de Heilige Geest'. Me dunkt dat daarmee dat 'geschieden' is bedoeld waarmee art. 5 afsluit. Wat betekent dat nu voor de praktijk van het Bijbelonderzoek? We stuiten daarbij immers van tijd tot tijd op Schriftgegevens die met elkaar in strijd zijn of althans op het eerste gezicht duidelijk zo'n indruk wekken. Een bekend voorbeeld is 2 Sam 24 : 1 vergeleken met 1 Kron. 21 : 1. In 2 Sam. 24 luidt de tekst: 'En de toorn des HEEREN voer voort te ontsteken tegen Israël; en Hij porde David aan tegen hen, zéggende: Ga, tel Israël en Juda'. Daarentegen lezen we in 1 Kron. 21: 'Toen stond de satan op tegen Israël, en hij porde David aan, dat hij Israël telde'. Wie porde David nu aan, de Heere of satan? Wanneer je deze verzen leest zoals een notaris een akte of een jurist een getuigenverklaring, dan moetje wel tot de conclusie komen dat deze gegevens niet met elkaar te rijmen zijn. Daartoe zijn we nog al gauw geneigd. Kenmerkend voor het Westen - in tegenstelling tot de beleving van de werkelijkheid als één samenhangend geheel door de volkeren van het Nabije Oosten - is dat wij de zin van alle gebeuren op het spoor willen komen door ze uiteen te rafelen.

Nog moeilijker wordt het wanneer bepaalde voorstellingen uit de Bijbel niet schijnen te kloppen met de moderne wetenschap. Kan een christen met een goed geweten nog wel een geoloog zijn? Is de schepping van hemel en aarde in zes dagen niet in strijd met de resultaten van de geologie, dat is de wetenschap die zich bezig houdt met de ouderdomsbepaling van de aarde?

We mogen zeker niet de 'strijkijzer'-methode volgen en alle plooien glad strijken. Dat gebeurt voor mijn gevoel als je van de 'dagen' van Gen. perioden van miljoenen jaren maakt. We zullen wel eens moeten zeggen: non liquet, we weten het niet. Maar geen enkel uitlegkundig probleem stagneert de voortgang van de grote daden des Heeren. In ons vak dreigt de Bijbel verkruimeld te worden. Maar het Oude en Nieuwe Testament  wekken bepaald niet de indruk van een chaotisch geheel. De dingen die daarin voorzegd zijn, geschieden. Vandaag. Volgens Gods plan.

Heilig land

De Bijbel is niet los te denken van het 'gebeuren' dat 'kerk' heet. Zelfs 'blinden' moeten al tastend stuiten op wat de Heilige Geest door het Woord van God tot stand brengt èn in stand houdt midden in deze wereld. Daarom vraagt alle bestudering van de Bijbel eerbied. Trek uw schoenen uit van uw voeten, want de plaats, waarop gij staat, is heilig land. Ex. 3 : 5. De Schriftbeschouwing van onze belijdenis heeft niets te maken met de eigengereidheid van mensen die de waarheid in pacht hebben en op serieuze exegetische kwesties nooit ingaan omdat zij bij elk probleem slechts verwijzen naar hun principes. Voorwerpelijkheid betekent ook hier de dood in de pot. Het wekt een afkeer die van heel andere aard is dan de ergernis aan het Evangelie. Vooral studenten reageren op dit punt gevoelig. Terecht. Daarom schrijf ik met schroom: de Schriftbeschouwing van onze belijdenis heeft alles te maken met die geloofsbeleving die Samuel eindelijk zeggen deed: spreek, want Uw knecht hoort, 1 Sam. 3 : 10. Het is het besef te staan voor de Koning. Die ook in Christus Jezus onze Vader is. Het is de houding van de dienaar die naar oosters protocol zich meldt met de woorden: zie, hier ben ik. En zó mag zijn een dienaar van het Woord.

Onze belijdenis claimt dus voor de beoefening van de Bijbelwetenschap een bepaalde houding. Een houding die niemand is aangeboren, maar die je leren mag. Van de Meester Zelf. Hij onderwierp Zich als de Knecht des Heeren aan het Woord des Heeren.

Het zou een vergissing zijn om te denken, dat je permanent deze houding tegenover de Bijbel en dus ook de God van de Bijbel aanneemt. Ook als exegeet is mijn grootste probleem, dat ik van nature geneigd ben God en mijn naaste te haten. Dat kan een innerlijk conflict geven dat ook Paulus niet vreemd was, Rom. 7 : 13-26.

Het zou een nog grotere vergissing zijn als wij zouden menen dat deze houding exclusief is voor de - laat ik maar zeggen - gereformeerde gezindte. Om twee redenen. We zouden dan blijk geven.van een grove minachting voor zoveel mooie, verrassende, knappe vondsten, gedachten en uitspraken die wij tegenkomen op het brede terrein van de Bijbelwetenschap. Bovendien maken wij daar ook nog gebruik van voor de prediking. Dat doen we direct door bijvoorbeeld het raadplegen van bijbelcommentaren en indirect door onze universitaire opleiding. Maar het zou toch - in de tweede plaats - vooral een miskenning zijn van de vrijheid van de Heilige Geest. God neemt niet het Woord omdat wij Hem het woord verlenen. De Geest blaast waarheen Hij wil. Het is een soevereiniteit die ons telkens weer tot verwondering brengt als we zien hoe exegetisch deuren worden geopend naar het heil van onze God, waar we het niet hadden verwacht. Dat zijn vreugdevolle ogenblikken in de praktische beoefening van de Bijbelwetenschap. Dan zie je: de waarheid gaat boven alles, art. 7.

Wat hebben wij voor ogen?

Met deze houding is ook de doelstelling van de beoefening van de Bijbelwetenschap zoals wij die zien gegeven. God wil dat wij Hem zullen dienen naar Zijn Woord. Dat moet dan ook het kader zijn voor alle onderzoek en onderwijs. Daarmee is de Bijbelwetenschap niet een puur kerkelijke aangelegenheid geworden. Geen concilie of synode is gerechtigd uitlegkundige beslissingen bindend op te leggen, art. 1. Iedereen kan altijd in hoger beroep bij de Schrift zelf. Maar bovendien functioneert het Woord van God niet alleen in de kerk, maar in heel de samenleving, maatschappelijk, cultureel, politiek. De Heilige Geest legt de Bijbel telkens weer open. Het Koninkrijk Gods staat midden onder ons, Luk. 17 : 21. Dat stelt de Bijbeluitleg in theocratisch perspectief.

Ieder die aktief is op het terrein van de Bijbelwetenschap, ontkomt er niet aan, zichzelf de vraag te stellen: Wat wil ik hiermee bereiken? En ook: Wat heb ik door mijn werk teweeggebracht?

A. van Harnack (1888-192-1) wilde door de beoefening van de dogmengeschiedenis afrekenen met het dogma van de kerk: de belijdenis van Jezus Christus, waarachtig God, waarachtig mens. Hij zag daarin de verwereldlijking van het Evangelie.

Op dezelfde wijze kan de Bijbelwetenschap worden ingeschakeld om mensen af te helpen van het Bijbelgeloof. Men meent dan dat dit traditionele Bijbelgeloof het échte verstaan van de bijbelse boodschap voor moderne, intellectueel gevormde mensen onmogelijk maakt. Maar wat is dan die 'boodschap'? De voorstelling van het 'partnerschap' tussen God en mens (Labuschagne)? Of een geseculariseerd Evangelie? Hier laat zich een veelheid van varianten inventariseren. Maar de keuze van welke variant dan ook valt niet door maar vóór elke wetenschapsbeoefening. De Bijbel is niet zo maar een verzameling oudisraëlitische en vroeg-christelijke literatuur. De Bijbel is het Woord van God. Daarmee sta je voor het aangezicht van God. Is de Bijbel dan géén literatuur? Dat óók. Maar niet in de eerste plaats. De Bijbel is in de eerste plaats de ganse Heilige Schrift. Als je daarvan niet wilt weten of je eigen positie als wetenschapper wilt neutraliseren, kun je gemakkelijk een instrument worden van satanische machten. Ik wil van Labuschagne heus wel aannemen dat de fundamentalistische bijbelbeschouwing grote geestelijke schade heeft aangericht. Gegevens van ongelijksoortige aard moetje niet gaan 'mixen'. Dat geldt bijvoorbeeld voor wat de Bijbel en de geologie ons zeggen over de schepping en wat de Bijbel en de futurologie ons zeggen over de toekomst. Grof gezegd: appels en peren moet je niet door elkaar gooien.

Maar wie zal zeggen hoeveel verwoesting is aangericht door de zogenaamde objectieve beoefening van de Bijbelwetenschap? Hoeveel studenten hebben daardoor hun geloof verloren? Hoeveel predikanten zullen daardoor in wanhoop zijn geraakt, omdat zij geen boodschap meer hadden voor de gemeente? Hoeveel kerken zullen daardoor zijn leeggelopen en hoeveel mensen in geestelijke nood in de steek gelaten?

Mannen als J. Ph. Gabler en J. Wellhausen hebben daaronder geleden. De geschiedenis van de Bijbelwetenschap is niet zonder diep menselijk leed. Als je samen niet meer de Bijbel verstaat, versta je ook elkaar niet meer.

Wat nu?

Met de afwijzing van de Schriftkritiek zijn we niet klaar. We zijn dan blijvend afhankelijk van de door deze houding bepaalde Bijbelwetenschap. Om twee redenen is dat verkeerd. Ten opzichte van de gemeente en ten opzichte van de Bijbelwetenschap. Ten opzichte van de gemeente omdat wij voortdurend de werken van deze wetenschap raadplegen voor de prediking hoewel wij haar uitgangspunten verwerpen. Maar ook ten opzichte van de Bijbelwetenschap. We maken ons ongeloofwaardig als we niet in de praktijk het bewijs kunnen leveren dat het ook anders kan. De belijdenis dat de Bijbel het Woord van God is heeft in de tijd van de reformatie het Schrift-onderzoek geweldig gestimuleerd. Luther en Calvijn waren exegeten. Ook naderhand heeft men de problemen heus wel gezien. Men denke aan een werk als Joh. Polyander, Schijnbaar tegenstrijdige Schriftuurplaatsen verklaard.

Deze inspiratiebron is gebleven. Dat merk je in de prediking en de belangstelling die daarvoor bestaat. Daarin klopt het hart van de kerk. De vraag is of wij ons daardoor nu ook laten inspireren om aktief bezig te zijn op akademisch niveau in de Bijbelwetenschap. Daarvan zijn wel enkele voorbeelden. We noemen er één: de fundamentele kritiek op de bronnensplitsing door wijlen prof. B. Holwerda uitgaande van de exegese van Deut. 12 over het centrale heiligdom in Israël. Daartoe bestaan ook velerlei mogelijkheden. Bijvoorbeeld de bijbels-historische onderbouwing en uitwerking van de fraaie studie van prof. G. C. Graafland over de verhouding van kerk en Israël. Een betere kennis van de intertestamentaire periode zou destijds onze principiële kritiek op de theologie van Karl Barth in bijbels-historisch opzicht versterkt kunnen hebben.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 februari 1981

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Schriftkritiek (2)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 februari 1981

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's