Benoemingsbeleid besproken
De Hervormde Synode
Hoofddoel van deze vergadering was de bespreking van het benoemingsbeleid, toegespitst op de benoeming van kerkelijke hoogleraren.
Zaterdag 24 januari kwam de hervormde synode in een extra zitting bijeen. Hoofddoel van deze vergadering was de bespreking van het benoemingsbeleid, toegespitst op de benoeming van kerkelijke hoogleraren. De opleiding in de theologie aan de universiteiten is tweeledig. Er zijn staatshoogleraren en kerkelijke hoogleraren. De kerkelijke hoogleraren worden door de synode, op voordracht van de commissie voor het Theologisch Wetenschappelijk Onderwijs (TWO) benoemd. Binnenkort zullen in totaal elf kerkelijke hoogleraren aan de vier universiteiten verbonden zijn. Recent is in Utrecht dr. H. W. de Knijff benoemd. Leiden staat voor de benoeming van twee kerkelijke hoogleraren, één in de vacature, van prof. dr. H. Berkhof, één wegens uitbreiding van het aantal kerkelijke hoogleraren aan de verschillende universiteiten.
In de najaarssynode kwam de vraag op het benoemingsbeleid terzake van de kerkelijke hoogleraren in het bijzonder te bespreken, met daarbij het benoemingsbeleid in onze kerk in het algemeen. Voor de nu gehouden bespreking had TWO een nota opgesteld, waarin het beleid ten aanzien van de benoeming van kerkelijke hoogleraren werd verwoord. Deze nota is bijgaand afgedrukt. We laten nu volgen wat erover in de synode werd gezegd.
Ds. C. B. Bot (Eerbeek) vroeg of kerkelijke hoogleraren per sé doctores moeten zijn. Hij wees op theologen als Karl Barth, Noordmans en Breukelman die ook nooit een proefschrift hadden geschreven. Verder vroeg hij zich af of didactische kwaliteiten beslissend moesten zijn. Gaat het niet meer om de gave om de studenten te stimuleren (prof. dr. K. H. Miskotte b.v. was geen didacticus maar stimuleerde geweldig). Hij wilde het grote goed van de verscheidenheid binnen de kerk ook afgespiegeld zien in het college van kerkelijke hoogleraren en pleitte in dit verband voor benoemipgen uit de kring van de Gereformeerde Bond maar ook uit de kring van hen, die de marxistische maatschappij analyse in het theologisch onderwijs wilde betrekken. Verder vroeg ds. Bot aandacht voor de benadering van de 'geestelijk gehandicapten' in het theologisch onderwijs. Het gaat om een percentage van 2, 5 procent van de samenleving. (Wanneer komen we overigens ooit eens van deze foutieve aanduiding af? Het gaat immers om verstandelijk gehandicapten? , v. d. G.). Oud. R. A. V. Oosten (Zelhem) wees op het gevaar bij hoogleraarsbenoemingen eenzijdige denkers, knappe jongens aan te trekken in plaats van mensen die creatief, inspirerend, gezaghebbend, wijs, geloofwaardig eet. zijn. Dr. S. Meyers (Leiden) stelde met nadruk, dat in de theologische opleiding de gereformeerde traditie aan bod moet komen. 'Als u dat niet meer laat tellen veroordeelt u de gereformeerdheid tot het isolement.' In Amsterdam b.v: vindt de confrontatie met de gereformeerde theologie niet meer plaats. Daar wordt je door een politiek filter gehaald alvorens je in de kerkelijke trechter terecht komt. Dr. Meyers vroeg dat gedeelte van de kerk, dat de aansluiting vindt bij de gereformeerde belijdenis, in het benoemingsbeleid te betrekken.
Ds. C. Blenk (Oudewater) pleitte voor 'gereformeerde vroomheid'. Hier volgt de letterlijke tekst van zijn verhaal:
'Ds. Buskes vertelt in zijn boek 'Hoera voor het leven' over professor Bavinck:
'Als Bavinck in het smakeloze en verveloze collegezaaltje aan de Keizersgracht college gaf, kon het gebeuren, dat hij zelf zo vervuld werd van de heerlijkheid Gods, dat hij ons vergat en al sprekende door het raam naar buiten staarde in eindeloze verten, want Gods heerlijkheid is eindeloos, en wij zaten sprakeloos te luisteren en werden ingeleid - voor ons gehele leven - in het heilgeheim van de Eeuwige en Almachtige, die in Jezus Christus onze genadige Vader is. Ik voelde dan dezelfde ontroering, die ik als kind soms voelde, wanneer Vader aan tafel met ons bad. Ik weet ook maar één woord, waarmee ik dit alles kan aanduiden: vroomheid, gereformeerde vroomheid, die ik beschouw als een zeer kostbaar goed.'
Naar zulke kerkelijke hoogleraren kan ik verlangen. Aan zulke mannen heeft de kerk broodsgebrek. Zulke mannen kunnen aanstaande dienaren des Woords levenslang inspireren. Het getuigt van ons aller geestelijke armoede als wij ze niet kunnen vinden. Maar wat een armoede is het, als we ze zelfs niet meer zoeken.
Ik mis in de Nota Benoemingsbeleid van de Commissie voor TWO dit hele perspectief. Teneur is: kerkelijke hoogleraren moeten even wetenschappelijk zijn als kroondocenten. En inderdaad, voor de' kerk, voor de dienst van God, is het beste niet goed genoeg. Maar wat zegt Buskes van zijn leermeester: 'Prof. Bavinck was behalve een groot geleerde ook een vroom man'. Nu weet ik wel dat men vroomheid niet kan meten. Maar het minste is toch wel dat de belijdenis der kerk meespreekt.
1. De kerkorde noemt in de ordinantie over kerkelijke hoogleraren uitdrukkelijk artikel X. Waarom noemt de Nota artikel X zelfs niet als één der factoren? Ook het spraakgebruik van de kerkorde is hier helemaal afwezig: het gaat toch om 'opleiding en vorming van de dienaren des Woords'? Tegenover de staatshoogleraren mag toch juist het eigene van de kerk en de kerkelijke opleiding accent krijgen?
2. In de Duplex Ordo van 1876 is de wetenschappelijkheid voldoende gewaarborgd door de theologische faculteit. Dan mag de kerk toch op haar beurt zorg dragen voor het belijdende gehalte van de kerkelijke opleiding en vorming? Daar hoeft de kerk zich toch niet voor te schamen?
3. Ik stel honderd keer liever artikel X aan de orde, dan dat ik ga pleiten voor Gereformeerde Bondshoogleraren. Volgens democratisch beginsel zou de rechterflank van de kerk waarlijk wel meer tot zijn recht mogen komen. Daar zijn toch ook bekwame, gedoctoreerde mannen voorhanden? Daar is onder studenten toch ook duidelijke vraag naar? Maar ik kan niet voldaan zijn als het principe van evenredige vertegenwoordiging van de modaliteiten meer gehandhaafd werd. Het gaat om de hele kerk. Het gaat om alle studenten, om elke a.s. dienaar des Woords. Ook en juist niet-orthodoxe studenten mogen minstens wel eens gekonfronteerd worden met het klassieke belijden. Nu komt het voor dat studenten pas na hun studie, op het seminarie of in de gemeente, voor 't eerst aanlopen tegen mede-hervormden die de klassieke belijdenis hooghouden en liefhebben. Dat is toch te gek?
4. Kerkelijke hoogleraren dragen ook de pastorale zorg over de studenten. Die studenten zelf zijn in de Beleidsnota maar matig belangrijk. De communicatie met de kroondocenten, de collega's gaat vóór, staat althans voorop. Didaktische kwaliteiten worden ook genoemd. Maar' moet en mag een kerkelijk hoogleraar niet een beetje pastor pastorum zijn? Voor predikanten wordt dat in dé kerk telkens weer nodig geacht. Zouden we niet bij studenten beginnen?
Prof. De Vrijer citeert in zijn boek over Gunning (Gunning Tragicus) iets over de colleges van prof. dr. J. H. Gunning jr. Een leerling (een zekere ds. Bax) vertelt ervan: 'Hij drukte ons op het hart om te zoeken, te worstelen, te bidden om een overtuiging, daar wij zónder deze nooit tot de gemeente zouden mogen gaan. Hij vroeg ons op den man af: 'Gelooft gij, jonge vriend? Wat gelooft gij? Hoe denkt gij over God? Wat is voor u de zonde? Wat zult gij preken? Wat hebt gij te geven aan levenden en aan stervenden? Misschien had hij deze vragen als staatshoogleraar niet te doen, maar hij dééd ze en wij hoorden ze goed. Zelf diep denker en veel zijdig geleerde, wilde hij van ons geen geleerden maken (tenzij theologen, dat is van Gód geleerden), maar mannen, bekwaam voor het hem heilig predikambt... Hij sprak hen aan, hij bezocht hen, hij wandelde met hen, hij nodigde hen. Hij was vriendelijk tegenover hen tot in het overdrevene toe. Hij dacht aan hen in het gebed. Ik was uit een ernstige ziekte opgestaan. En nooit zal ik de ontroering vergeten, die er van binnen in mij kwam, toen een vriend, die mij op mijn kamer bezocht, mij vertelde, dat prof. Gunning op het college voor mijn herstel gebeden had'.'
Ds. A. J. Wilzing (Den Haag) zei 'razend' te zijn, dat opnieuw voortijdig de naam van een eventueel te benoemen kerkelijk hoogleraar in de openbaarheid was gebracht. (Namen mochten op de synode niet worden genoemd maar de pers had - opnieuw - na een aan alle leden toegezonden correspondentie van een recent opgericht beraad van theologische studenten, de naam van dr. G. H. ter Schegget als eventueel gegadigde voor Leiden in de openbaarheid gebracht). 'Wat is dat voor een studentengeneratie, die door angst voor het onbekende wordt gedreven? ' Niet één ambtsdrager durft toch te zeggen dat hij niet belijdenisgetrouw is? Hij bekende door het Amsterdamse filter (aanduiding van dr. Meyers) te zijn heengegaan en in een heerlijke ruimte terecht gekomen te zijn, in een kerk 'waar alles kan'. Hij vond - terzake van benoemingen - dat er 'vooruitlopers' nodig zijn.
Oud. mw. A. Muler (Middenmeer) vroeg speciaal aandacht voor kerkgeschiedenis en voor didactiek voor de catechese.
Ds. G. W. V. Tricht (Nederhorst den Berg) stelde zich voor als conservatieve dominee, die in de zondagavonddiensten nog de catechismus preekte. Hij noemde echter de studenten, die de eerder genoemde correspondentie voerden en daarmee in de publiciteit waren gekomen 'van schokbeton'. Men moet bij de theologiestudie in de waagschaal (durven) komen. De modaliteitenkwestie mag bij benoemingen - zo stelde hij - helemaal geen rol spelen.
Oud. J. Haeck (Hoevelaken) vreesde dat in het benoemingsbeleid van TWO de hele kerk niet weerspiegeld werd. Pleiten voor evenredigheid in de kerk is moeilijk en zeker niet geestelijk. Toch zal in de concrete situatie van de Hervormde Kerk gelet moeten worden op de modalitaire geschakeerdheid. De Gereformeerde Bond b.v. moet niet in het isolement worden gedreven. Dan ontstaan er in de kerk bolwerken, die niet meer met elkaar in gesprek zijn. De heer Haeck voerde ds. Jac van Dijk sprekende in, die eens was voorgegaan in een IKOR-kerkdienst en een vraag van een luisteraar kreeg: waarom preken er zo weinig bonders voor de IKOR; Zijn de bonders soms bang voor IKOR? Antwoord van ds. Van Dijk: of is de IKOR bang voor de bonders?
Haeck bepleitte intussen, dat in de nota van TWO duidelijker zou worden verwoord dat TWO er op toe ziet, in plaats vanprobeert (zie punt 8 van de nota) de verscheidenheid bij benoemingen in de kerk te garanderen.
Ds. A. Polhuis (Koog aan de Zaan) vond dat tijdens de kwestie van de opvolging van prof. Strijd in Amsterdam (toen Ter Schegget niet benoemd werd, v. d. G.) de discussie over het bsnoemingsbeleid vermeden is. Hij vroeg ruimte voor hen, die van de marxistische maatschappij-analyse uitgaan, die een materialistische exegese voorstaan en opkomen voor een politieke lezing van de Schrift. Hij voelde zich persoonlijk beledigd door de actie van de (Leidse) studenten. De zaak die nu, door hen, in discrediet wordt gebracht, is vol uit reformatorisch. De synode - zo stelde hij - mag er geen enkele onduidelijkheid over laten bestaan dat de marxistische theologie wettig is. 'Er is thans geen kerkelijk hoogleraar die mijn theologie vertegenwoordigt', zo besloot hij.
Ds. P. V. d. Heuvel (Harmeien) stelde in een scherp betoog dat delen van de kerk zich vervreemd voelen van wat de synode doet. Hij wilde de kwestie van de benoemingen breder zien dan uitsluitend de benoemingen van kerkelijke hoogleraren. Hij had eens nagekeken hoe het zat met de verschillende organen en raden in de Hervormde Kerk. In een kleine helft van de onderscheidene colleges is geen vertegenwoordiger van de modaliteit van de Gereformeerde Bond aanwezig. In de andere helft één vertegenwoordiger 'soms twee'. Hoe kunnen de kerkelijke organen de kerk dienen als ze niet die kerk vertegenwoordigen? Hij pleitte ervoor dat de Gereformeerde Bond 'medeplichtig' wordt gemaakt aan het beleid van de kerk. Ook binnen TWO zelf Iaat de pluriformiteit te wensen over, zo stelde hij. Oud. mw. M. W. V. Beinum (Almelo) was blij met de modaliteitenkerk en vertrouwde op de werking van de Heilige Geest. Een groep in de kerk op zichzelf, los van anderen, kan niet bestaan, was haar conclusie.
Prof. dr. A. Geense (kerkelijk hoogleraar in Groningen), gaf een nadere toelichting op de nieuwe opzet (pais) van de theologische opleiding aan de rijksuniversiteiten. De eerste vier jaren worden staatsopleiding (doctoraal), daarna volgen twee jaren kerkelijke opleiding. Het gevaar is dat de 'kerkelijkheid' van de opleiding buiten de eerste vier jaar valt. De kerkelijke hoogleraren zouden het een verarming vinden als zij alleen maar voor de kerkelijkheid (in de laatste twee jaar) zouden moeten zorgen. Artikel VIII van de Kerkorde (over het apostolaat) en artikel X (over het belijden) zijn onlosmakelijk verbonden. Prof. Geense pleitte intussen voor 'becumenisering' van de kerkelijke opleiding.
Dr. W. Balke (Den Ham) stelde de vraag of kerkelijke hoogleraren niet méér te bieden moeten hebben dan hun wetenschappelijke bagage. Gunning vroeg in het verleden om 'levende, geheiligde persoonlijkheden'. Balke betwistte ds. Polhuis, dat marxistische theologie in de reformatorische traditie te plaatsen zou zijn. Het grote van de Reformatie is geweest dat ze zich nooit polariserend opstelde. Intussen vroeg dr. Balke ook aandacht voor de 'verrechtsing', die zich onder de theologische studenten voltrekt, met het gevaar dat de communucatie met elkaar in de kerk verloren gaat.
Oud. J. V. d. Brugge (Kampen) benadrukte, dat het in de theologische opleiding gaat om vorming van dienaren des Woords, staande in het belijden der vaderen. Hoogleraren, die in het belijden der kerk staan, zijn sporadisch. De gereformeerde theologie is aan de universiteiten ondervertegenwoordigd. De samenstelling van het college van kerkelijke hoogleraren is niet in overeenstemming met het beeld dat de kerk geeft en de breedte van de gereformeerde gezindte daarin. Hij pleitte voor hoogleraren, die zich het getuigenis van Jezus Christus niet schamen.
Ds. A. W. Kranenburg (voorzitter van het college van visitatoren-generaal) stelde dat na 1876 (onder de toenmalige algemene synode) uitsluitend hoogleraren van evangelische (lees moderne) signatuur werden benoemd, waardoor de Doleantie mede is bevorderd. In de dertiger jaren werd voor het eerst een confessioneel hoogleraar (Haitjema) benoemd. In 1958 kwam er een G.B. hoogleraar in Utrecht en een vrijzinnige in Amsterdam.
Ds. Kranenburg laakte de genoemde eenzijdigheid in het verleden en pleitte voor pluriformiteit.
Prof. dr. W. E. Verdonk (kerkelijk hoogleraar te Amsterdam) ging ook in op de nieuwe tweefasenstructuur van de theologische opleiding (vier jaren staatsopleiding, twee jaren kerkelijke opleiding). De eerste vier jaren dreigen te worden 'opleiding in godsdienstwetenschap'. Prof. Verdonk benadrukte verder, dat de kerkelijke opleiding, gezien artikel X van de kerkorde, nooit een soort hogere beroepsopleiding zijn kan. Hij stelde intussen ook dat voor docenten de wetenschappelijke eisen, die het rijk stelt, gelden moeten. En - over het hete hangijzer van marxistisch bepaalde theologen - : 'in de doordenking van de vragen van de wereld kan het marxistisch denken niet worden gemist.' Men kan ook niet zeggen - aldus prof. Verdonk - dat marxistische theologen geen christenen zijn.
Prof. dr. A. J. Bronkhorst, voorzitter van de commissie voor het Theologisch Wetenschappelijk Onderwijs, besloot de rij van sprekers en ging globaal in op wat gezegd was door de synodeleden. TWO is een loods - zo stelde hij - die de synode over de stormachtige zee met de vele klippen heen leidt. Wat het benoemingsbeleid betreft herinnerde hij aan een woord van Heineman, in het verleden praeses van de synode van de Evangelische Kirche in Duitsland en president van de Duitse Bondsdag, namelijk dat de synode géén parlement is, waar bij meerderheid van stemmen wordt beslist. Het gaat daar om overtuiging.
Intussen ging hij in op de vraag van bepaalde geledingen in de kerk om tot hun recht te komen bij benoemingen. Wat de vrijzinnigheid betreft (de Vereniging van Vrijzinnige Hervormden had gevraagd om een kerkelijk hoogleraar): theologen uit deze kring kiezen bij voorkeur voor de staatsvakken en niet voor de kerkelijke.
Wat de Gereformeerde Bond betreft, de afgestudeerde theologen uit deze kring hebben de kerkelijke praktijk lief, dat wil zeggen de gemeente, en ze hebben 'het goede deel gekozen' aldus prof. Bronkhorst. Hij herinnerde echter aan Johannes Bogerman, die in allerlei universiteitssteden van Europa had gestudeerd en kwam tot de uitroep 'Waar zijn uw Bogermannen? '. De laatste jaren heeft de kring van de Gereformeerde Bond wel doctores opgeleverd, maar meestal in de sector van de kerkgeschiedenis en in die sector zijn er niet zoveel benoemingsmogelijkheden.
Tenslotte ging prof. Bronkhorst ook in op eventuele benoeming van rnarxistische theologen. Van een hoogleraar mag worden verwacht, dat hij de problemen wetenschappelijk bespreekbaar maakt. Zodra iemand ideologisch indoctrineert wordt het wat benoemingen betreft problematisch.
Resultaat?
Men kan zich afvragen of een dergelijke synodale discussie veel vruchten zal opleveren. De kerkelijke kaart wijzigt er zich om zo te zeggen niet door. Bepaalde raden en organen hebben in het verleden getoond b.v. hardnekkig orthodoxe leden buiten te sluiten. In andere organen mocht er op z'n best - om het woord van ds. F. van den Heuvel te gebruiken - één hervormd-gereformeerde representant bij. Daar staat tegenover dat personen uit de kring van de Gereformeerde Bond ook wel eens een aversie hebben gehad tégen of koudwatervrees hadden voor de brede kerkelijke organen. Terwijl er toch de roeping ligt de hele kerk vanuit het gereformeerd belijden te dienen.
Intussen vrezen wij, dat bij te verrichten benoemingen voor verantwoordelijke posten in de kerk - ook voor die van kerkelijk hoogleraar - voor de ene kerkelijke kring wel eens andere kriteria worden gehanteerd dan voorde andere. De vraag van prof. Bronkhorst 'Waar zijn uw Bogermannen? ' was dan ook eerder een afleidende dan een serieuze vraag.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 februari 1981
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 februari 1981
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's