Nota benoemingsbeleid
De Commissie voor het Theologisch Wetenschappelijk Onderwijs heeft zich naar aanleiding van het besluit van de Synode op 20 november 1980, beraden over de criteria en normen, die haar leiden bij het vaststellen van de voordracht voor de benoeming van kerkelijke hoogleraren en docenten.
De Commissie voor het Theologisch Wetenschappelijk Onderwijs heeft zich naar aanleiding van het besluit van de Synode op 20 november 1980, beraden over de criteria en normen, die haar leiden bij het vaststellen van de voordracht voor de benoeming van kerkelijke hoogleraren en docenten.
De Commissie is zich bewust, dat onderstaande punten niet als een handleiding voor beoordeling van candidaten kunnen worden gebruikt. In bepaalde gevallen zal moeten worden afgewogen welke kwaliteiten in een concrete situatie hoog of laag moeten worden gewaardeerd. Bovendien kan er soms een spanningsverhouding ontstaan tussen wetenschappelijk niveau, kerkelijke betrokkenheid, modaliteit, leeftijd, plaatsing aan een Universiteit etc.
De Commissie weegt bij het vaststellen van de voordracht alles zo goed mogelijk af en geeft daarna de zaak uit handen, zodat - conform de voorschriften uit Ordinantie 7 - de Synode de beslissingen kan nemen. De volgende factoren spelen bij de overwegingen van de Commissie een rol:
1. De Commissie voor het Theologisch Wetenschappelijk Onderwijs let bij de voordracht van kerkelijke hoogleraren in de eerste plaats op het wetenschappelijk niveau van de candidaat, zoals dit zichbaar wordt uit publikades in wetenschappelijke tijdschriften, uitgegeven boeken en andere geschriften in binnenen buitenland.
2. De kerkelijke hoogleraren 'vertegenwoordigen' de Nederlandse Hervormde Kerk binnen de Theologische Faculteiten en in de universitaire gemeenschap en moeten op hun vakgebied op gelijkwaardig niveau met de collega's uit de (staats) faculteiten kunnen communiceren.
3. De Commissie wordt geadviseerd door het College van Kerkelijke Hoogleraren en door de Faculteit, waarbij de benoeming moet geschieden. Uiteraard zijn dit voor de Commissie bij haar besluitvorming zwaarwegende adviezen.
4. De Commissie en haar adviseurs moeten, indien mogelijk, eveneens een goede indruk hebben van de didactische kwaliteiten van de voor te dragen candidaten.
5. Hoewel differentiatie en specialisatie per universiteit wenselijk is, ziet de Commissie erop toe, dat aan elke universiteit de volledige all-round kerkelijke opleiding gegeven kan worden.
6. Ten aanzien van de vakken - genoemd in Ordinantie 7.3.9. liggen de zwaartepunten in dogmatiek, ethiek en praktische theologie. Bovendien probeert de Commissie voor elk der vakken - al of niet gecombineerd - in het College van Kerkelijke Hoogleraren deskundigen te vinden of te kweken.
7. Gezien de brede plaats, die de kerkelijke hoogleraren ook als adviseurs der Generale Synode innemen, dient kerkelijke betrokkenheid van benoemden te worden gevraagd.
8. De Commissie probeert bij haar voordracht de verscheidenheid en divergentie, zoals die op het terrein van de theologie en van de kerk aanwezig zijn en relevant worden geacht, - mits dit geen afbreuk doet aan eerder genoemde criteria - , binnen het geheel van het College van Kerkelijke Hoogleraren tot uiting te laten komen.
9. De Commissie waakt ervoor, dat door de voordrachten geen der kerkelijke opleidingen één bepaalde geestelijke ligging of kleur krijgt, waardoor studenten van die achtergrond of kleur naar juist die universiteit zouden toestromen.
10. Ten aanzien van de voordracht van andere stafleden - wetenschappelijke medewerkers, rectoren, docenten - gelden vergelijkbare normen.
Tenslotte wijst de Commissie - hoewel voor kerkelijke hoogleraren andere factoren een rol spelen - op de beoordelingsaspecten, die gehanteerd worden bij de benoeming van kroondocenten. Deze zijn door de minister (op 6 mei 1980, HW/P 363.383, Procedure benoeming kroondocenten, bijlagen) als volgt geformuleerd.
Wetenschappelijke creativiteit, blijkend uit aantal en gehalte der publikaties of vergelijkbare wetenschappelijke prestaties
Wetenschappelijk gezag-, blijkend uit - ook internationale - erkenning door vakgenoten, uitnodigingen voor voordrachten e.d.
Brede kennis van eruditie op het betreffende vakgebied
Gebleken didactische kwaliteiten, helderheid in denken en uitdrukkingsvermogen
Vermogen tot leiding geven en tot samenwerken met anderen. Gebleken bestuurlijke en organisatorische kwaliteiten
Totaal oordeel van betrokkene om als ervaren, gezaghebbende inspirerende, leidende kern in de vakgroep te functioneren.
29 december 1980
Commissie voor het Theologisch Wetenschappelijk Onderwijs
A. J. Bronkhorst, voorzitter
L. L. Blok, secretaris
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 februari 1981
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 februari 1981
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's